Sponsor of prijs nodig? Zelf sponsor worden?
Arkefly: Aruba

vrijdag 29 februari 2008

PC Trainer voor A-Train

Geld Trainer

Plaats de trainer in je game.exe directory.
Start de trainer en daarna het spel.
Ingame kun je de volgende HotKey gebruiken:

F5 - 1000000$ erbij


Downloaden

PC Cheat codes voor A-Train

houd Ctrl + Shift in gedrukt en type:


cheater-cheaterwinp
voor $1 Miljoen

PC Cheat codes voor A-10 Tank Killer 2

[ ] Verander raketten
M Map
F Vuur
G Banden

PC Hints en tips voor A-10 Tank Killer

Soms zitten de missie je niet mee.
Druk op CTRL+ALT+DEL na een slecht verlopen missie terwijl het spel aan het laden is.
Wanneer het spel herstart is het alsof de missie nooit is gebeurd.

PC Cheat codes voor A-10 Cuba

Zet eerst de Invincible Aircraft control aan. Hierna kan je tijdens het spelen de volgende codes gebruiken:


Ctrl + Tab + X
Joystick beschikbaar

Ctrl + Tab
Verhoog vlieghoogte met 500 meter

Ctrl + Tab + S
Slow Motion Mode

PC Walkthrough voor A fork in the Tale

Bij het openings gebeurtenis, het punt is niet tegen om beschoten te worden. Maar het punt is daar om het meisje te helpen wat er ook voor nodig is. Je moet dicht bij zijn om dit te doen.

Wanneer je het meisje aan het achtervolgen bent in een witte mantel, je zal verschillende stippen zien in het bos. Wanneer een stip verschijnd op een blok of stuk hout, ga er dan voor! Dit is de enige manier om door te gaan en om dit te doen moet je vechten tegen de koningen mannen en/of ontsnappen meerdere keren.

PC Trainer voor A Bug's Life

Een trainer met heel veel opties, zoals:
Super Bes
Terugkerende Bes
Gele Bes
Paarse Bes

Gezondheid
Levens
Graankorrels

Bruin zaad;
- waaier (?)
- zaad
- Kanon

Groene zaad;
- Groot blad
- wijnstok
- klimplant

Blauwe zaad;
- Gezondheid
- Maximale gezondheid
- Hoger springen

Deze Trainer is voor versie: 1.0
Bestandsnaam: bugs_trn.zip
Bestandsgrootte: 42k

NIET eerder de Trainer sluiten voordat je het spel gespeeld hebt of geen Trainer meer wilt gebruiken.

Downloaden

PC Hints en tips voor A Bug's Life

Onbeperkte levens:
Ga naar de training mode en zoek de letters om "FLIK" te spellen.
Je krijgt dan een bonus leven.
Doet dit net zo vaak totdat je genoeg levens hebt gehaald om het andere level uit te spelen.

Verborgen training level:
Begin het spel in de training level en werk alle Mr. Soil's objecten af.
Spring dan op alle spinnen om ze te doden en bereik een verborgen level.
Voltooi dit nieuwe level om drie FMV series te bekijken.

Bonus levels:
Er zijn drie bonus levels in het spel.
Voor de eerste, buik spring drie tot vijf bugs zonder een in een niveau te missen.
In de Tunnels level, verkrijg de blauwe bessen en dood vijf sprinkhanen zonder er een te missen.
Voor de derde, in het Clover Forest level, zet vijf paddestoelen in een rij in het begin en hup van de een naar de andere zonder de grond te raken.
Zorg ervoor dat je op ieder van deze huppelt.
Beeindig de Bug Circus, en je zal een nieuwe FMV serie na ieder krijgen.

GTA: San Andreas >> Cheats


Typ de volgende codes tijdens het spel:



SPEEDFREAK
Alle auto's hebben nitro
NIGHTPROWLER
Het is altijd middernacht
FLYINGFISH
Boten vliegen
BUBBLECARS
Auto's vlieg opzij als ze geraakt worden
STATEOFEMERGENCY
Chaos mode
BLUESUEDESHOES
Elvis is overal
SPEEDITUP
Spel gaat sneller
CRAZYTOWN
Funhouse thema
ONLYHOMIESALLOWED
Overal zijn gangleden
BIFBUZZ
Gangs heersen over de stad
ROCKETMAN
Je krijgt een vliegpak
PROFESSIONALKILLER
Het schiet stats bij alle wapens staat op zijn hoogst
Huge Bunny Hop
Je maakt grote konijnen sprongen
FULLCLIP
Je hebt oneindig munitie en hoeft niet te herladen
WHEELSONLYPLEASE
Auto is onzichtbaar
NATURALTALENT
De besturings stats staat op zijn hoogst bij alle auto's
BUFFMEUP
Je spieren zijn maximaal
WORSHIPME
Je respect is maximaal
HELLOLADIES
Je sex behoefte is maximaal
KANGAROO
Je kan heel hoog springen
NINJATOWN
Ninja thema
STICKLIKEGLUE
Perfect besturing in auto's
ROCKETMAYHEM
Neem iedereen aan
GHOSTTOWN
Minder verkeer
BRINGITON
6 sterren gezocht niveau
SLOWITDOWN
Het spel loopt langzamer
ITSALLBULL
Laat een bulldozer verschijnen
OHDUDE
Laat een "Hunter" (voertuig) verschijnen
JUMPJET
Laat een Hydra (voertuig) verschijnen
MONSTERMASH
Laat een monster verschijnen
FOURWHEELFUN
Laat een Quad (voertuig) verschijnen
VROCKPOKEY
Laat een racewagen verschijnen
WHERESTHEFUNERAL
Laat een Romero (voertuig) verschijnen
CELEBRITYSTATUS
Laat een rek verschijnen
FLYINGTOSTUNT
Laat een stunt plateau verschijnen
TRUEGRIME
Laat een vuilniswagen verschijnen
GOODBYECRUELWORLD
Je pleegt zelfmoord
PLEASANTLYWARM
Het is zonnig weer
SCOTTISHSUMMER
Het gaat onweren
EVERYONEISPOOR
Er rijden alleen maar goedkope auto's
EVERYONEISRICH
Er rijden alleen maar snelle auto's
TOODAMNHOT
Het is erg zonnig weer
PROFESSIONALSKIT
Wapenset 2, Professioneel gereedschap
MUNASEF
Adrenaline mode
YLTEICZ
Agressieve autorijders
COXEFGU
Alle auto's hebben nitro
ZEIIVG
Alle lichten zijn groen
XJVSNAJ
Het is altijd middernacht
CIKGCGX
Strandfeest
IOWDLAC
Zwart verkeer
CPKTNWT
Blaast alle auto's op
AFSNMSMW
Boten vliegen
BSXSGGC
Auto's schieten aan de kant als ze geraakt worden
RIPAZHA
Auto's vliegen
ASNAEB
De politie zoekt je niet meer
BMTPWHR
Vakantie gangers krijgen een Trucker outfit
ASBHGRB
Elvis is overal
FOOOXFT
Iedereen is gewapend
YSOHNUL
Snellere klok
PPGWJHT
Het spel loopt sneller
BTCDBCB
Je wordt dik
CFVFGMJ
Het is mistig
OUIQDMW
Je wapen is helemaal vol tijdens het rijden
PRIEBJ
Funhouse thema
MROEMZH
Overal zijn gang leden
MROEMZH
De gangs hebben de macht over de stad
BAGOWPG
Je hebt een Bounty op je hoofd
YECGAA
Je krijgt een vliegpak
AIYPWZQP
Je krijgt een parachute
HESOYAM
Je krijgt maximaal leven, armor en $250.000,-
NCSGDAG
Je stats voor alle wapens zijn op zijn hoogst
JHJOECW
Je maakt grote konijnensprongen
OSRBLHH
Je gezocht niveau wordt 2 sterren hoger
WANRLTW
Oneindig munitie en je hoeft niet te herladen
BAGUVIX
Oneindig leven
CVWKXAM
Oneindig zuurstof
XICWMD
Onzichtbare auto
JYSDSOD
Maximale spieren
OGXSDAG
Maximaal respect
EHIBXQS
Maximale sex behoefte
LFGMHAL
Je kan extra hoog springen
IAVENJQ
Je slaat extra hard
AEDUWNV
Je krijgt nooit honger
AEZAKMI
Je wordt nooit gezocht
AFPHULTL
Ninja thema
OFVIAC
Oranje lucht om 21:00
ALNSFMZO
Donker weer
AJLOJYQY
Omstanders vallen elkaar aan, je krijgt een golfstick
BGLUAWML
Omstanders vallen jouw aan met wapens, je krijgt een rocketlauncher
PGGOMOY
Je kan je auto perfect besturen
LLQPFBN
Roze verkeer
AUIFRVQS
Regenachtig weer
SJMAHPE
Neem iedereen aan (9mm)
ZSOXFSQ
Neem iedereen aan (raketten)
THGLOJ
Minder verkeer
IOJUFZN
Opstand mode
CWJXUOC
Er komt een zandstorm
LJSPQK
6 sterren gezocht niveau
KVGYZQK
? (Engels: Skinny)
LIYOAAY
Het spel gaat langzamer
BEKKNQV
Je trekt hoeren aan
JCNRUAD
Smash n' Boom
CQZIJMB
Laat een Bloodring Banger verschijnen
RZHSUEW
Laat een Caddy verschijnen (voertuig)
EEGCYXT
Laat een buldozer verschijnen
OHDUDE
Laat een Hunter (voertuig) verschijnen
JUMPJET
Laat een Hydra (voertuig) verschijnen
AGBDLCID
Laat een monster verschijnen
AKJJYGLC
Laat een Quad (voertuig) verschijnen
VPJTQWV
Laat een raceauto verschijnen
PDNEJOH
Laat een raceauto verschijnen
JQNTDMH
Laat een Rancher (voertuig) verschijnen
AIWPRTON
Laat een tank verschijnen
AQTBCODX
Laat een Romero (voertuig) verschijnen
KRIJEBR
Laat een Stretch (voertuig) verschijnen
URKQSRK
Laat een stunt plateau verschijnen
AMOMHRER
Laat een Tanker Truck verschijnen
UBHYZHQ
Laat een vuilniswagen verschijnen
KGGGDKP
Laat een Vortex Hovercraft verschijnen
SZCMAWO
Pleeg zelfmoord
AFZLLQLL
Zonnig weer
VKYPQCF
Taxi's hebben nitro
MGHXYRM
Onweer
BGKGTJH
Verkeer bestaat uit goedkope auto's
FVTMNBZ
Verkeer bestaat uit terreinwagens
GUSNHDE
Verkeer bestaat uit snelle auto's
ICIKPYH
Erg zonnig weer
LXGIWYL
Wapenset 1: Misdadiger gereedschap
KJKSZPJ
Wapenset 2: Professioneel gereedschap
UZUMYMW
Wapenset 3: Nutter gereedschap

PC Cheat codes voor Grand Theft Auto: San Andreas

Gewoon tijdens het spelen een van de volgende codes intikken:

De Cheats staan op de volgense volgorde

1 Code:
2 Resultaat:

LXGIWYL
Wapen Set 1, Thug's Tools

KJKSZPJ
Wapen Set 2, Professional Tools

UZUMYMW
Wapen Set 3, Nutter Tools

HESOYAM
Gezondheid en schild zijn Ok, krijg $250.000

OSRBLHH
Je krijgt 2 meer 'wanted' sterren er bij

ASNAEB
Je hebt geen 'wanted' sterren meer

AFZLLQLL
Lekker weer

ICIKPYH
Heel erg lekker weer

ALNSFMZO
Bewolkt weer

AUIFRVQS
Regenachtig weer

CFVFGMJ
Mistig weer

YSOHNUL
De tijd gaat sneller

PPGWJHT
De Gameplay is sneller

LIYOAAY
De Gameplay is in slowmotion

AJLOJYQY
Voetgangers vallen elkaar aan

BAGOWPG
Je krijgt een 'bounty' op je hoofd

FOOOXFT
Iedereen heeft wapens

AIWPRTON
Krijg een Rhino

CQZIJMB
Krijg een Bloodring Bagger

JQNTDMH
Krijg een Rancher

PDNEJOH
Krijg een racekar

VPJTQWV
Krijg een racekar

AQTBCODX
Krijg een Romero

KRIJEBR
Krijg een Stretch

UBHYZHQ
Krijg een Trashmatsher

RZHSUEW
Krijg een Caddy

CPKTNWT
Blaas alle auto's op

WHEELSONLYPLEASE
Je auto is onzichtbaar

PGGOMOY
Perfecte besturing

SZCMAWO
Zelfmoord

ZEIIVG
Overal groene lichten

YLTEICZ
Agresieve bestuurders

LLQPFBN
Roze verkeer

IOWDLAC
Zwart verkeer

AFSNMSMW
Boten vliegen

BTCDBCB
Je bent dik

JYSDSOD
Je hebt het maximum aantal spieren

KVGYZQK
Skinny

ASBHGRB
Elvis is overal

BGLUAWML
Voetgangers vallen jou aan

CIKGCGX
Strandfeest

MROEMZH
Er zijn overal gang members

BIFBUZZ
Gangs controleren de straten

AFPHULTL
Ninja Thema

BEKKNQV
Je bent een prostitue-magneet

BGKGTJH
Het verkeer bestaat uit goedkope auto's

GUSNHDE
Het verkeer bestaat uit snelle auto's

RIPAZHA
Auto's vliegen

JHJOECW
Grote Bunny Hop

JUMPJET
Krijg een Hydra

KGGGDKP
Krijg een Vortex Hovercraft

JCNRUAD
Smash n' Boom

COXEFGU
Alle auto's hebben lachgas

BSXSGGC
Auto's gaan weg als ze geraakt worden

XJVSNAJ
Het is altijd 0:00 uur

OFVIAC
Oranje lucht 21:00

MGHXYRM
Onweer

CWJXUOC
Zandstorm

LFGMHAL
Mega sprong

BAGUVIX
Oneindige Gezondheid

CVWKXAM
Oneindige zuurstof

AIYPWZQP
Je krijgt een parachute

YECGAA
Je krijgt een Jetpack

AEZAKMI
De politie zoekt je nooit

LJSPQK
Je krijgt zes sterren 'wanted' level

IAVENJQ
Mega slag

AEDUWNV
Je krijgt nooit honger

IOJUFZN
Riot Mode

PRIEBJ
Funhouse Thema

MUNASEF
Adrenaline Mode

WANRLTW
Oneindige ammo, je hoeft nooit te herladen

OUIQDMW
Full Weapon Aiming While Driving

THGLOJ
Minder verkeer

FVTMNBZ
Verkeer bestaat uit Typische Auto's

SJMAHPE
Je kunt iedereen vragen voor je gang (9mm)

BMTPWHR
Je krijgt typische voetgangers en auto's, Get Born 2 Truck pak

ZSOXFSQ
Je kunt iedereen vragen voor je gang (rocket launchers)

OGXSDAG
Maximaal respect

EHIBXQS
Maximaal Seks Appeal

VKYPQCF
Taxi's hebben lachgas

NCSGDAG
Je Hitman kan alles

VQIMAHA
Je auto kan alles

OHDUDE
Krijg een Hunter (helikopter)

AKJJYGLC
Je krijgt een Quad

AMOMHRER
Je krijgt een Tank

EEGCYXT
Je krijgt een Dozer

URKQSRK
Je krijgt een stunt vliegtuigje

AGBDLCID
Je krijgt een Monster

EVERYONEISRICH
Iedereen heeft snelle auto's

SPEEDFREAK
Iedereen heeft snelle auto's

NATURELTALENT
Alles Max

ROCKETMAYHEM
Recruteer + Bazooka

KANGAROO
Spring extra hoog

FVMNBZ
Plattelands voertuigen

BMTPWHR
Plattelands voertuigen + outfit


Suggestie door mike_bode

Als je de code AGBDLCID typt dan krijg je een Monster..
Als je dan de spatie indrukt en dan gaat rijden en je stuurt
dan gaan de achter wielen mee sturen.
-----------------------------
Suggestie door Khoa

OUIQDMW
Je kan nu, net als in 2-players, drive-
by's verrichten, maar nu zit je zelf
achter het stuur

Scriptie Maatschappijleer Adoptie

INHOUDSOPGAVE
INLEIDING

1.0. ADOPTIE IN HET ALGEMEEN
1.1. Wat is adoptie?
1.2. De geschiedenis van de adoptie.
1.3. Waarom overplaatsing, afstand doen?
1.4. Waarom adopteren echtparen een buitenlands kind?

2.0. HOE DENKEN MENSEN OVER ADOPTIE?
2.1. Opvattingen over adoptie.
2.2. Discriminatie.

3.0. WAT VOOR SOORT PROBLEMEN?
3.1. Lichamelijke problemen.
3.2. Slaapproblemen.
3.3. Taalproblemen.
3.4. Eetproblemen.
3.5. Relatieproblemen.

4.0. HET ADOPTIEFKIND IN BEPAALDE LEEFTIJDSFASEN.
4.1. Het adoptiefkind op de basisschool.
4.2. Het adoptiefkind op het voortgezetonderwijs.

5.0. HOE ZIT HET MET JE IDENTITEIT?
5.1. Vragen over identiteit.
5.1.1. Wanneer moet je beginnen met vertellen over je identiteit?
5.1.2. Openheid heeft grote voordelen.
5.1.3. Zoeken naar je achtergrond.
5.2. Contact met de biologische ouders.
5.3. Gezinnen met wel- en geen- biologische kinderen.

CONCLUSIE.

BIBLIOGRAFIE.

INLEIDING
ach...kreun...steun. Dit zijn bekende geluiden in vwo-5. Er moet een documap komen, en niet zomaar een, maar een van wel veertig kantjes. Waar moet ik het toch over doen? Deze vraag speelde al een tijdje door mijn hoofd, want al een heel aantal klasgenoten had al een onderwerp, en was zelfs al begonnen met hoofdstuk een, toen ik nog niet eens een onderwerp had. Maar op een middag kwam m'n zusje naar me toe, met een boek waar een hele mooie foto instond van allemaal chineesjes die in het vliegtuig zaten om in Nederland geadopteerd te worden. Op dat moment wist ik meteen waar ik mijn documentatiemap over ging doen, namelijk: ADOPTIE. Ik ben naar de bibliotheek gegaan, en daar hadden ze wel een aantal boeken over buitenlandse adoptie. Deze heb ik toen meegenomen. Dit was een actief begin, maar toen moest er ineens ook nog een scriptie voor geschiedenis komen. Deze moest veel eerder afwezen, dus ging ik daarmee aan de gang en liet m'n documap een tijdje liggen. Na de kerstvakantie, toen mijn scriptie af was, moest ik nog eens beginnen met m'n documap, terwijl velen al in de kerstvakantie tot hoofdstuk twee of drie gekomen waren. Maar ik ben ook hard aan de slag gegaan, heb een oud schrift genomen, en heb verscheidene hoofdpunten op papier gezet. Daarna ben ik elk boek bij langs geweest, en heb onder die hoofdpunten het boek met het bladzij nummer gezet. Dit kostte me zo'n zes zaterdagen, maar toen kon ik ook wèl aan de slag. De zaterdagen daarop nam ik steeds een kopje en dan ging het steeds vrij vlot, want ik hoefde niet meer op te zoeken waar en in welk boek iets over dat onderwerp stond. Toen alle kopjes bij langs gegaan waren, heb ik het uitgeprint en toen nog voor het grootste gedeelte mijn eigen tekst erbij gezet. Deze tekst is soms een mening en soms een feit. Wanneer het om een mening gaat, is dit vaak de mening van mijzelf natuurlijk, maar deze mening is wel beïnvloed door mevrouw Reemijer. Zij heeft namelijk zelf twee geadopteerde kinderen en heeft mij op bepaalde punten, waar de boeken niet duidelijk waren, wat geholpen. Het 'interview' met haar, heb ik dus niet in citaten gezet, maar meer in mijn eigen tekst. Van haar heb ik ook heel wat boeken geleend, o.a. heel veel tijdschriften wereldkinderen. Ook wat gewone leesboeken, wat informatie folders, mappen en werkstukken.

Mijn onderzoeksdoel is:
Er wordt de laatste tijd alleen maar negatief over adoptie gesproken, is dit wel de waarheid? Laten we het eens van twee kanten bekijken, ook van de kant van de adoptiefkinderen.
Wanneer het over adoptie gaat, denken mensen vaak negatief omdat er tegenwoordig wel veel negatieve berichten in de krant staan over adoptiekinderen. Maar hoe ligt dat dan bij kinderen die bij hun biologische ouders opgroeien? Natuurlijk hebben adoptiekinderen het moeilijker, maar je mag ze volgens mij niet zomaar rekenen tot een probleemgroep.
Ik wilde het eens onderzoeken, maar dan om te kijken hoe die adoptiefkinderen er zelf tegenaan kijken en hoe de 'gewone' mensen er tegenaan kijken.
HOOFDSTUK 1: ADOPTIE IN HET ALGEMEEN


1.1. WAT IS ADOPTIE
"Het woord adoptie komt van het Latijnse woord 'adoptare', dat 'uitkiezen, als kind aannemen' betekent. Bij adoptie wordt een kind door mensen, die niet zijn natuurlijke ouders zijn, in hun gezin opgenomen. Zij worden wettelijk de ouders. Voor het kind betekent dit dat het dezelfde rechten krijgt als een biologisch kind van zijn ouders."
(Van Nulandt 1981:16)

Er zijn verschillende omschrijvingen van 'adoptie', hieronder volgt een iets andere omschrijving.

"Adoptie maakt het mogelijk dat een kind in een ander gezins- of familieverband overgaat. Het krijgt dan dezelfde rechten als een kind dat in datzelfde gezins- of familieverband zou zijn geboren."
(Nota 1985:11)

Nu iets over de geschiedenis van de adoptie.

1.2. DE GESCHIEDENIS VAN DE ADOPTIE.
Adoptie is niet iets van nu, in het Oude Testament kwam het al voor.

"Reeds in het Oude Testament , komen we het verhaal tegen van Mozes die gevonden werd in een biezen mandje op de Nijl, door een Egyptische prinses. Zij bracht hem groot als haar zoon. Wanneer Mozes volwassen is, keert hij terug naar zijn Joodse volk en leidt dit uit Egypte naar Israël."
(Peerdeman 1985:11)

Dit verhaal had ik zelf nooit gekoppeld aan adoptie, maar het klopt wel; ook wat betreft het verlangen naar zijn eigen volk, en dat hij daar dan ook weer naar terugkeert.

"Ook bij Romeinse keizers, de eerste twee eeuwen na Christus, komen we adoptie tegen. Wanneer zij zelf geen kinderen konden krijgen adopteerden zij een zoon; zo werd hun opvolging geregeld."
(Bureau VIA 1990:I-1)

Ook bij de Chinezen kwam ,en komt nu nog altijd, adoptie voor.

"Een zoon wordt geadopteerd om ervan verzekerd te zijn dat na de dood van de ouders de voorvaderverering en de daarbij behorende offers voortgang zullen hebben."
(Peerdeman 1985:11/12)

De reden van adoptie is niet steeds dezelfde, maar een ding stond steeds voorop:

"Het eigenbelang van de nieuwe ouders. Langzamerhand is hierin verandering gekomen. Adoptie werd meer en meer pas mogelijk als bleek dat er voor het kind geen andere mogelijkheid meer was en heden ten dage is dit nog zo: het belang van de kinderen staat altijd voorop!"
(Bureau VIA 1990: I-1)

Het ging dus meestal om het belang van de adoptiefouders, maar het belang van het kind moet voorop staan.
In een ander boek wordt dit beaamd.

"Bij ons staat het belang van het te adopteren kind voorop. Deze vorm van adoptie komt vooral in de Verenigde Staten in het begin van deze eeuw naar voren en heeft zich van daaruit over de Westerse wereld verbreid."
(Nota 1985: 12)

Straks zal ik op dit punt uitgebreider ingaan.
Na de tweede wereldoorlog waren er veel kinderen waarvan de ouders gestorven waren in de oorlog en al die weesjes moesten een huis hebben.

"Na de tweede wereld oorlog begon men adoptie meer te zien als een middel om verwaarloosde kinderen een goed tehuis te geven. Dat gebeurde door deze kinderen bij pleegouders te plaatsen, die er nooit zeker van waren of zij die kinderen mochten houden. Zij drongen aan op wettelijke regelingen. In verschillende Europese landen kwam een adoptiewetgeving tot stand."
(Van Nulandt 1981:16)

De adoptiefouders wilden graag een wet hebben, zodat zij er zeker van konden zijn,dat de kinderen bij hen mochten blijven, want zij waren van hen gaan houden.

"In dat jaar (1956) werd de Nederlandse adoptiewet van kracht. Tot die tijd was in Nederland adoptie wettelijk niet mogelijk."
(bureau VIA 1990:I-2)

Deze wet ging dus vooral over binnenlandse adoptie. Deze wet is erg van belang omdat er nu bijvoorbeeld pas gedoopt mag worden wanneer in Nederland de procedure afgerond is. En dat duurt zolang door deze wet.

"Toch duurde het nog tot 1 november 1956 voordat in ons land de Adoptiewet in werking trad. Deze wet,..., is later nog vaak gewijzigd"
(Nota 1985:12)

In vergelijking met andere landen duurde het erg lang voor er in Nederland een adoptiewetgeving kwam.
In het hieronder volgende stukje staat "vanaf dat jaar", daar wordt 1956 mee bedoeld.

"Vanaf dat jaar tot 1984 zijn er rond de 30000 Nederlandse en buitenlandse kinderen geadopteerd...Aanvankelijk werden voornamelijk kinderen geadopteerd van Nederlandse ongehuwde moeders."
(Peerdeman 1985: 12/13)

Een ander boek geeft ook nog een detail over het aantal buitenlandse kinderen.

"In ons land zijn sinds de inwerkingtreding van de Adoptiewet in 1956 30000 kinderen geadopteerd, van wie circa 13000 uit het buitenland."
(Nota 1985:12)

In nog een ander boek staat er een jaartal bij sinds wanneer er ook van buitenlandse adoptie sprake was.

"Adoptie door Nederlandse ouders, van kinderen die in het buitenland geboren zijn, vindt plaats vanaf ongeveer 1970. Voordien werden weliswaar ook kinderen geadopteerd, maar dit betrof dan kinderen die in Nederland waren geboren en ter adoptie werden afgestaan."
(Verhulst 1989:1)

Een ander detail staat in het volgende stukje:

"Vanaf 1956 tot midden jaren zeventig zijn er zo'n 10000 Nederlandse kinderen geadopteerd. Vanaf de zeventiger jaren is het aantal Nederlandse adoptiekinderen drastisch afgenomen; er worden per jaar nog maar 30 - 40 kinderen afgestaan, meestal kinderen van zeer jonge meisjes."
(Bureau VIA 1990: I-3)

Dat de aantallen zo afnamen kwam waarschijnlijk door de betere sexuele voorlichting en het gebruik van geboortebeperkende middelen. Vroeger was kinderen krijgen voor het huwelijk een schande. En wilde de moeder het kind wel opvoeden, desnoods alleen, dan had ze daar vaak het geld niet voor.
Veel ongehuwde moeders willen en kunnen nu hun kind zelf opvoeden.

"De adoptie van kinderen uit andere landen en van een andere ras kwam aarzelend op gang. In een televisie-uitzending in 1967 riep de schrijver Jan de Hartog, die zelf twee kinderen adopteerde, op tot hulp aan de vele duizenden vondelingen en weeskinderen, de slachtoffertjes van oorlogen in (Zuid)Oost-Azië. Naast andere hulpprogramma's kwam toen de adoptie van buitenlandse kinderen als mogelijkheid naar voren. Een stroom van aanvragen voor interlandelijke adoptie volgde en wordt jaarlijks groter."
(Nulandt 1981:17)

De aantallen van de binnen- en buitenlandse (Europese- en niet Europese-) adoptie veranderen

"Vanuit Europese landen komen bijna geen adoptiekinderen naar Nederland. In de jaren zestig kwam een kleine groep uit Griekenland, Oostenrijk, Duitsland, en Italië, tot halverwege de jaren zeventig en daarna nam het aantal Europese adoptiekinderen af."
(Bureau VIA 1990:I-5)

Er kwamen dus steeds meer niet-Europese-adoptiefkinderen in Nederland. Dat zorgde voor veranderingen.

"Het eerste Nederlandse bemiddelingsbureau werd opgericht; dit zorgde ervoor dat in 1969 de eerste Koreaanse kinderen in ons land arriveerden."
(Bureau VIA 1990:I-8)

"De eerste buitenlandse kinderen kwamen uit Korea, later kwamen er steeds meer landen bij: Bangla Desh, Vietnam, Colombia, Brazilië, Indië, Sri Lanka, Thailand."
(Bureau VIA 1990:I-9)

De adoptie werd dus steeds uitgebreider en groter.
Maar er werd veel misbruik gemaakt van adoptie. Er werden op corrupte wijze kinderen uit een land gehaald. Daarom sloot in 1987 Sri Lanka de grenzen voor buitenlandse adoptie.
In 1989 kwam er een nieuwe wet in Sri Lanka en konden er weer kinderen geadopteerd worden.

"Diverse factoren zijn van invloed geweest op de groei van het aantal uit het buitenland geadopteerde kinderen. De Adoptiewet in Nederland dateerde uit 1956. Krachtens deze wet was adoptie van een kind uit landen met een van ons land afwijkend cultuurpatroon, nauwelijks mogelijk. Onder dwang van het parlement werd in 1968 deze wet gewijzigd, met als gevolg dat het aantal mogelijkheden voor interlandelijke adoptie groter werd. De tweede factor die van invloed is geweest op de groei van het aantal buitenlandse adopties is de grotere openheid en tolerantie evenals de ruimere opvattingen in de jaren '70 waardoor adoptie bespreekbaar werd. Verder is er waarschijnlijk een verband met de afname van het aantal ter adoptie aangeboden kinderen uit ons eigen land en Europese landen. Tenslotte ontstond er een toename van ouders die om andere motieven dan ongewenste kinderloosheid een buitenlands kind wilden adopteren."
(Verhulst 1989:1)

Er was dus weer een toename van het aantal geadopteerde kinderen. Mede daardoor werd ook de adoptievereniging 'wereldkinderen' opgericht.

"De vereniging 'Wereldkinderen' is in 1971 opgericht na een televisie programma van de Ombudsman over internationale adoptie. In die tijd was adoptie wel mogelijk maar slecht geregeld. In het programma werd er een beroep gedaan op mensen, die zich voor deze zaak wilden inzetten....Het belangrijkste doel van de vereniging was het ministerie van justitie aan te zetten tot verruiming van de richtlijnen voor adoptie. De juridische schermutselingen met de regering leidden tot nieuwe richtlijnen, die per 1 maart 1974 in werking traden ...Toen in 1975 het BIA (Bureau Interlandelijke Adoptie) werd opgericht, werd de bemiddeling uit handen gegeven. Hulpverlening in de vorm van financiële adoptie en projecthulp kwam op gang."
(Nulandt 1981: 52)

De adoptie begint dus pas in de jaren zeventig echt op gang te komen.
Ik wil nu heel even iets zeggen over stiefouder adoptie omdat dat in de jaren '80 ook speelde. Stiefouderadoptie is adoptie door een eigen ouder met een stiefouder. Het kind krijgt dus een nieuwe ouder. In 1985 waren 25% van alle adopties stiefouderadopties.

"In het buitenland is stiefouderadoptie echter ingeburgerd en komt het veel voor. Daarom heeft de minister van Justitie enkele jaren geleden een wetsvoorstel over stiefouderadoptie ingediend. Op 1 november 1979 trad de nieuwe wet in werking. Men heeft in die wet gekozen voor het systeem dat beide 'ouders', de eigenouder en de stiefouder, als adopterend echtpaar optreden."
(Nota 1985 :63/64)

25% vind ik wel erg veel, maar men vond stiefouder adoptie blijkbaar een plezierige zaak. Dit is het enige wat ik wil zeggen over de stiefouderadoptie.
Er kwam een nieuwe wet.

"Eindelijk, op 15 juli 1989, trad de Wet opneming buitenlandse pleegkinderen in werking.
(Bureau VIA 1990:I-11)

Deze wet hield het volgende in:

"- Het aanvraagformulier moet volledig ingevuld en door beide aanvragers ondertekend zijn.
- Alleen echtparen komen in aanmerking voor een beginseltoestemming. Ongehuwd samenwonenden kunnen wel een BPK (Buitenlands Pleeg Kind)-nummer krijgen, maar zij moeten binnen een jaar na aanmelding gehuwd zijn; anders vervalt hen BPK-nummer.
- Aspirant-pleegouders moeten bereid zijn een op te nemen kind alle medische behandelingen te laten ondergaan, bijvoorbeeld inentingen en bloedtransfusies. Door ondertekening van het aanvraagformulier bevestigen zij dit.
- Op het moment van indienen van het verzoek mag geen van de aanvragers ouder zijn dan 41 jaar. Onder bijzondere omstandigheden kan daar tot en met 43 jaar van worden afgeweken; daarna is geen uitzondering meer mogelijk! Wanneer het verzoek in behandeling wordt genomen kan men, na ondertekening van een verklaring dat men bereid is een kind ouder dan twee jaar op te nemen, met voorrang de procedure doorlopen.
- Het te verwachten leeftijdsverschil tussen de oudste aspirant-pleegouder en het kind mag niet meer zijn dan 40 jaar. In specifieke situaties wordt hier soms van afgeweken."
(Hoksbergen 1994:111/112)

Deze wet geldt nu nog steeds. Deze regels zijn wel goed voor et kind, maar soms moeilijk te accepteren voor de ouders.
In het tijdschrift: "Ons Burgerschap", las ik ook iets over adoptie.
Na 1989 is er nog een wet gekomen, die erg belangrijk is voor adoptie kinderen: Er is geen verschil tussen hen en niet-geadopteerde kinderen. Ze hebben dezelfde rechten.

"Op 29 mei 1993 kwam te Den Haag het Verdrag tot stand inzake de bescherming van kinderen en de samenwerking op het gebied van de interlandelijke adoptie....De goedkeuring van het genoemde Verdrag was in december 1997 in de Kamer aan de orde......De regering nu stelde voor om, als sprake is van adoptie waarbij de familierechtelijke betrekkingen tussen de natuurlijke ouders en het kind worden verbroken, ook wat betreft de nationaliteit te voorzien in een volledige gelijkstelling van de positie van het adoptiekind met dat van een Nederlands kind."
(Godschalk 1998: 24)

Hiermee rond ik deze paragraaf af en ga naar het onderwerp: Waarom overplaatsing?

1.3. WAAROM OVERPLAATSING?
Er zijn verschillende redenen waarom de oorspronkelijke ouders afstand doen van hun kind(eren). Hier volgen er een paar:

"- In veel derde wereld landen is armoe een schrijnend probleem....De gezinnen hebben veelal geen of nauwelijks onderdak, de kinderen zijn of raken ondervoed, zwerven door de straten op zoek naar werk soms, of bedelend of stelend. Ze raken zoek of worden....ergens achtergelaten.
- ...In veel derde wereld landen is de voorlichting....over voorbehoedmiddelen uitgesproken slecht....Ongehuwd moederschap is met name in veel Aziatische landen een grote schande; een meisje kan om die reden uit de familie worden verstoten.
- In sommige culturen worden kinderen van gemengd bloed, van ouders van verschillend ras, niet geaccepteerd. Moeder en kind worden uit de familie gestoten.
- Ouders kunnen soms door tussenhandelaren worden verleid geld te verdienen door afstand te doen van een kind. Als men van dat geld weer een tijdje kan leven is de verleiding groot om regelmatig zwanger te raken tegen belofte van betaling bij afstand.
- Met name kinderen raken bij dergelijke calamiteiten (oorlog, overstromingen en hongersnoden) nogal eens verweesd.
(NGR, VIA, WAN 1992:7/8)

Er is meestal sprake van een combinatie van deze redenen.
Er wordt, wanneer er een kind is gevonden, meestal gezocht naar een echtpaar uit dat land, maar die echtparen willen meestal geen ziek, gehandicapt of kind met gemengd bloed. Voor die kinderen zoekt men dan ook meestal een buitenlands echtpaar.
Hoe de ouders het afstand doen beleven weet men niet, men weet wel dat er zelden sprake is van 'vrijwillig' afstand doen.
Een voorbeeld:

Een gezin met twee biologische kinderen en twee jongere adoptiefkinderen kreeg ineens een telefoontje met de mededeling dat er voor de 12-jarige Gerrie een kerstkaart van het biologische gezin (met vier kinderen) was aangekomen. Dit was moeilijk te verwerken voor het adoptiefgezin. Het adoptiefgezin schreef een brief en ze kregen een brief terug van het biologische gezin van Gerrie, waar instond dat zij Gerrie nog best wel missen. En ze nog steeds aan het sparen zijn een keer naar Gerrie toe te kunnen. Gerrie is een Koreaans meisje.
In de brief die ze terug kregen stond waarom ze Gerrie (Hun Kyung) af moesten staan. :

"We (ouders van Gerrie) werden verliefd op elkaar. Volgens de Koreaanse wet mogen mensen van dezelfde stamfamilie niet met elkaar trouwen. Onze ouders waren vreselijk tegen onze verkering. Toen werd Hun Kyung geboren. Onze ouders hebben haar toen via KSS naar Nederland laten adopteren. Ik werk bij een bedrijf en ik spaar met een doel: misschien, in de toekomst Hun Kyung te ontmoeten."
(Maart 1991:8)

1.4. WAAROM ADOPTEREN ECHTPAREN EEN BUITENLANDS KIND?
Er zijn niet zo erg veel redenen te noemen voor adoptie.

"In de periode tot begin jaren zeventig werden vrijwel uitsluitend in Nederland/België en enkele Europese landen geboren kinderen geadopteerd. Mensen die adopteerden, waren voor het overgrote deel (92%) ongewenst kinderloos. Vanaf ongeveer 1972 wijzigt zich dit. Steeds meer mensen die zelf kinderen hebben, besluiten een kind te adopteren, een kind dat dan vrijwel altijd uit Azië, Afrika of Zuid-Amerika afkomstig is. In de jaren rond 1980 loopt hun aantal zelfs op tot ongeveer 30%. Ondertussen is dit weer wat teruggelopen tot bijna 20%. Maar het aantal adoptiefouders met kinderen is toch nog veel groter dan in de eerste adoptieperiode."
(Hoksbergen 1994:25)

De voornaamste reden van adoptie is ongewenste kinderloosheid.

"Men neemt tegenwoordig algemeen aan dat ongeveer 20% van de Nederlandse echtparen tegen hun wens kinderloos blijven. Daarnaast is er een groep bewust kinderlozen, die om allerlei redenen het kindertal beperken.
Ongeveer een kwart van de ongewild kinderloze echtparen neemt naar aanleiding van hun kinderloosheid het besluit een kind te gaan adopteren."
(Van Roon en Schep 1980:4)

Een ander boek is iets preciezer in het geven van aantallen.

"Van de echtparen die voor adoptie kiezen is bij benadering 80% ongewild kinderloos, 10% ongewenst secundair kinderloos (slechts een eigen kind), 1% vrijwillig kinderloos en heeft ongeveer 10% een of meer biologisch eigen kinderen."
(NGR, VIA, WAN 1992:8)

Kinderloosheid is verschrikkelijk. Je verwacht ook niet dat je misschien geen kinderen kunt krijgen, dat wordt in het volgende citaat beaamd.

"Het dringt helemaal nog niet tot mij door. Het kan niet waar zijn: wij...geen kinderen? Zo vaak hebben we het er over gehad, hoe zal het zijn later, later als we kinderen hebben. En nu....nu is het later."
(Peerdeman 1985:15)

Voordat je tot adoptie overgaat, moet je eerst je kinderloosheid accepteren.

"Eerst moet aanvaard worden dat alleen via adoptie aan de kinderwens kan worden voldaan en dat een adoptiekind echt gewenst wordt. Dat het niet een derde keus is : eerst een eigen kind, dan maar een KID-(kunstmatige Inseminatie Donor-) of IVF kind met wel/niet gebruik van een donor en tenslotte een adoptiekind."
(Hoksbergen 1994:18)
Soms is de eerste reden om te gaan adopteren de kinderloosheid en de tweede reden genoegdoening. Maar dit is het eigenbelang van de ouders. De adoptie moet vooral in het belang van het kind wezen.

"Men zoekt bijvoorbeeld compensatie of genoegdoening voor eigen persoonlijke of sociale tekorten. Ook worden wel eigen niet vervulde ambitieuze wensen op het kind overgebracht: Er moet bijvoorbeeld carrière gemaakt worden, waarvoor vader of moeder geen kans zag....Daarnaast willen mensen gelukkig ook om heel andere redenen kinderen: het gezonde ouderschap, het plezier beleven aan kinderen en de verzorging ervan."
(Nota 1985:24/25)

Hier staat dan wel, dat het gelukkig is dat ouders ook om heel andere redenen kinderen adopteren, maar ik vind die redenen toch nog wel wat teveel in het eigenbelang van de adoptiefouders. Maar wat je je goed moet bedenken, is dat bijna alle ouderen de kinderwens hebben, dus ook mensen die geen kinderen kunnen krijgen. Zij mogen dan een kind adopteren, dit kun je natuurlijk eigenbelang noemen, maar dan wel 'positief eigenbelang'.

Mensen die een kind adopteren omdat ze zich dan weer een volwaardiger mens voelen, en de relatie tussen het echtpaar er beter op zal worden, meer status in de buurt en familie, enzovoort, moeten goed oppassen.
Soms is dat eigenbelang allèèn de reden van het adopteren, hier stond een paar jaar geleden wat over in de krant.

"Als dat de enige reden is om een kind te adopteren, kan de teleurstelling later zo groot zijn, dat men het kind weer wil afstaan. Dan is er geen sprake van barmhartigheid tegenover het kind....Het uitgangspunt moet zijn het belang van het kind."
(Pouwelse 1993:4)

Je moet het kind echt liefde kunnen geven, veel mensen denken dat zij dat niet kunnen en gaan dan ook maar niet tot adoptie over.

"Het is algemeen bekend dat veel kinderloze echtparen, ook als zij onvrijwillig kinderloos zijn gebleven, geen adoptie nastreven en liever zonder kinderen blijven. Waarschijnlijk verwacht men niet genoeg liefde voor een 'vreemd' kind te kunnen opbrengen."
(Nota 1985:25)

Hieronder staan (nog) een aantal redenen genoemd voor het adopteren.

"Bij echtparen die bewust afzien van (meer) 'eigen' kinderen doch wel voor adoptie kiezen, kunnen motieven meespelen als: sociale bewogenheid, gevoelens van morele verplichting ten aanzien van minderbedeelden, maar ook angst voor zwangerschap in het algemeen of voor een nieuwe zwangerschap in het bijzonder, zelf pleeg- of adoptiekind zijn."
(NGR, VIA, WAN 1992:9)

Hier onder zegt een adoptiefmoeder iets over de reden van het adopteren. Zij beklemtoont dat zij niet alleen een kind heeft geadopteerd uit eigenbelang.

"Wij hebben een ideale omgeving waarin een kind kan worden grootgebracht. Het krijgt een huis, een school, leuke familie, en natuurlijk onszelf als vader en moeder."
(De Jong 1993:4)

Een vraag en antwoord uit het 100 vragen boekje over adoptie:
"Waarom adopteren mensen kinderen?"
"Mensen adopteren kinderen om dezelfde redenen waarom ze biologische kinderen willen hebben: ze houden van kinderen en willen er graag voor zorgen. Bij Derde-Wereld kinderen komt erbij, dat veel mensen oprecht begaan zijn met de vele kinderen, die zonder ouders en in behoeftige omstandigheden leven....De echtparen, die tot adoptie besluiten, hebben verschillende beweegredenen. Het grootste aantal bestaat uit ongewenst kinderloze echtparen. Het grote verdriet om de kinderloosheid, de vurige wens samen voor een kind te zorgen, leidt tot de beslissing een of meer kinderen aan te nemen....Ze besluiten dikwijls mede tot adoptie, omdat ze hun biologische kind niet als enig kind willen laten opgroeien. De echtparen die al twee of meer biologische kinderen hebben en daar naast tot adoptie besluiten, kunnen dat om praktische redenen doen: ze hebben twee jongens en willen graag een meisje erbij."
(Nulandt 1981:18)

Hier wordt benadrukt dat het gaat om gezinnen met biologische en niet-biologische kinderen. Dat zie je ook in het volgende citaat.

"Andere gezinnen telden alleen jongens en moeder had nu juist zo graag nog een meisje gewild. Soms heeft een van de biologische kinderen een erfelijke ziekte en is het risico groot dat een volgend kind die ook zal hebben."
(van den Berg 1985:108)

Bij de eerste reden van dit citaat is het weereigenbelang, maar bij de tweede reden valt dat wel mee.
Er zijn ook ouders die perse geen eigen kinderen willen, maar de voorkeur geven aan adoptiefkinderen. Een vader van veertig jaar zegt hierover:
"Wij hebben geen behoefte aan eigen broedsel. Zeker niet zolang de kindertehuizen nog overvol zitten en zolang er over de hele wereld kinderen stikken in de ellende. Bovendien, de wereld is afgeladen genoeg, waarom zouden wij er dan nog een paar bijzetten.?"
(Van den Berg 1985:107)

Dit is een mening die je niet vaak hoort, dat beaamd het volgende citaat.

"Zij kiezen voor kinderen die er al zijn...Zij vormen tot nu toe een kleine groep binnen de adoptiefouders."
(Nulandt 1981:19)

Ongeveer hetzelfde staat hieronder.

"Daarnaast zijn er echtparen die hun kindertal beperken of zelfs geen eigen kinderen willen, omdat zij menen dat er al genoeg kinderen op de wereld zijn. Uit idealistische overwegingen besluiten zij in plaats van eigen kinderen, een Derde -Wereldkind in hun gezin op te nemen."
(Nota 1985: 26)

Wanneer je om deze reden een kind adopteert staat het belang van het kind zeker voorop.
HOOFDSTUK 2: HOE DENKEN MENSEN OVER ADOPTIE?


2.1. OPVATTINGEN OVER ADOPTIE.
Wat andere mensen van adoptie vinden is toch wel heel belangrijk.

" Tenslotte zal het echtpaar, wanneer onderling de zaak voldoende is doorgesproken, er ook met anderen over willen praten. Daar kan een zekere invloed van uitgaan. Hierbij denk ik met name aan de invloed van anderen adoptieouders. Gebleken is dat andere adoptieouders vaak een positieve en versnellende invloed hebben op de besluitvorming."
(Hoksbergen 1994: 32)

In het stukje hierboven gaat het over de positieve invloed van andere adòptiefouders, dit moet je niet verwarren met de invloed van anderen/niet-adoptiefouders.

"Als u erover gaat denken een kind uit de Derde Wereld te adopteren, zal men u waarschijnlijk van alle kanten waarschuwen en u zelfs afraden het te doen. Ook zij die zeer betrokken zijn (of lijken) bij het lot van deze kinderen....worden huiverig, als iemand die ze kennen, deze stap wil wagen. Deze reactie is te wijten aan onbekendheid met adoptie en de vooroordelen, die er nog tegen bestaan. Dit kan negatief en vertragend werken op uw beslissing en dat is eigenlijk niet erg, want uw motieven moeten door praten en nadenken uzelf ook duidelijk worden."
(Nulandt 1981:72)

Wat moet je nou denken over adoptie, je hoort zo vaak negatieve dingen?

"Al dat gepraat over adoptie problemen maakt me eigenlijk ontzettend boos. Er wordt maar gedaan of elk adoptiekind bij uitstek een probleemkind is. Maar er is toch geen een kind hetzelfde. Waarom worden adoptiekinderen dan wel over een kam geschoren?"
(van den Berg 1985:11)

In een krantenartikel stond hierover:

" Toch verschijnen de laatste jaren steeds meer negatieven berichten in de kranten over adoptiekinderen. Velen zouden uiteindelijk identiteitsproblemen krijgen, waardoor het kind onhandelbaar, agressief of depressief zou worden."
(Westerhof 1993:4)

Hier spreekt al uit dat dat niet waar is.
Een uitspraak van een adoptiekind over hoe anderen tegen adoptie (kinderen) aankijken.

"Ik denk dat je door adoptie gauwer aardig wordt gevonden. Je maakt sneller vrienden. Misschien dat mensen je interessanter vinden, misschien zelfs een beetje zielig. Daarom vertel ik ook nooit uit mezelf dat ik geadopteerd ben. En daarom vind ik het ook wel goed dat ik geen Koreaanse naam meer heb. Want de mensen moeten me maar accepteren zoals ik ben en niet omdat ik nou toevallig geadopteerd ben."
(Van den Berg 1985:43)

Dit is natuurlijk maar een uitspraak van een geadopteerd kind, maar ik denk dat zijn mening veel adoptiekinderen vertolkt.
Familie leden reageren heel verschillend. De een heel positief, de ander juist negatief.

"Er zijn oma's en opa's die geen verschil maken in aandacht en cadeaus voor 'eigen' kleinkinderen en adoptie- en pleegkleinkinderen. Maar er zijn er helaas ook die dat verschil wel maken. Gelukkig zijn die laatsten veruit in de minderheid."
(Peerdeman 1985:75)

Een voorbeeld hiervan is:

"Ze herinnert zich de steek van pijn die ze voelde toen haar schoonvader haar zoon aan een kennis voorstelde met de woorden: 'Dat is mijn kleinzoon. Hij is geadopteerd.'"
(Brodzinsky 1992:46)

Maar zoals hierboven al stond is dit meestal niet het geval, gelukkig maar. Hierboven ging het over grootouders, maar ook broers en zussen kunnen tegenvallen.

"Een moeder (46): Toen onze kinderen geadopteerd werden, moesten we destijds nog een aantal familieleden om een handtekening vragen. Wat dan niet voor moeite heeft gekost. Een schoonzusje zei ijskoud: 'Ja weet jij veel wat voor kind jullie in huis halen. Het kan wel uit een heel crimineel milieu komen en daarvoor heb ik dan m'n handtekening gezet!'"
(Van Den Berg 1985112)

Zo'n opmerking valt toch wel vies tegen.
Nu volgt een samenvatting, met nog wat aanvullingen over 'opvattingen van adoptie'.

"- tegenstanders van adoptie zijn vaak mensen die denken dat alle niet-blanke mensen in ons land last veroorzaken;
- waarom is gezinsonderzoek nodig voor de plaatsing van een kind? Andere mensen krijgen toch ook zo maar door geboorte kinderen;
- iedereen moet zelf de grootte van zijn gezin kunnen bepalen; gezinsonderzoek is een ernstige inbreuk op de privacy;
- alle richtlijnen en beperkingen zijn uit den boze. Ook mensen boven de 50 jaar zijn geschikt als adoptiefouder. Waarom geen adoptie voor homofiele paren? En samenwonenden als waren zij gehuwd? En vrijgezellen?;
- waarom alleen kinderen uit het buitenland onder de zes jaar? In Amerika nemen ze ook wel kinderen van 12 jaar op;
- de wachttijd voor aspirant adoptiefouders is zo lang dat dit illegaal handelen uitlokt;
(Nota 1985: 13/14)

2.2. DISCRIMINATIE
Dat de laatste jaren de adoptie aanvraag daalde is waarschijnlijk door angst voor discriminatie en toenemende onverdraagzaamheid. Neemt discriminatie inderdaad toe?

"De gastarbeiders uit de landen rond de Middellandse Zee en de Nederlanders afkomstig uit Suriname en de Antillen zullen deze vraag waarschijnlijk bevestigend beantwoorden. Maar wil dat zeggen dat gekleurde adoptie- en pleeg- kinderen, opgevoed door autochtone Nederlanders ook meer discriminatie ondervinden?
Voor de een misschien wel, maar er zijn velen die geen of zeer weinig van discriminatie merken. Doordat ze de gewoonten, de cultuur, de manier van denken van de blanke Nederlanders hebben overgenomen, zijn er behalve de huidskleur weinig verschillen."
(Peerdeman 1985:81)

Gastarbeiders hebben een andere cultuur, gewoonten, godsdienst, manier van denken, taal, ze zijn ook pas later in ons land gekomen, meestal als vluchtelingen. Kortom zijn dus heel anders. Terwijl geadopteerden eigenlijk gewoon Nederlanders zijn: ze hebben de Nederlandse gebruiken overgenomen, denken als Nederlanders, hebben de Nederlandse taal, worden dus ook niet zo gediscrimineerd.

"Er is bij adoptiefkinderen een duidelijk verschil met bijvoorbeeld de kinderen van gastarbeiders of anderen minderheidsgroeperingen. De laatsten zijn 'anders' door de opvoeding en het milieu waarin ze opgroeiden. Adoptiefkinderen zien er alleen anders uit, ze zijn Nederlanders in gedachten en gedragingen."
(Nulandt 1981:74)

Discriminatie begint meestal wanneer de kinderen wat ouder zijn, op een leeftijd als 11 of 12. Dan begint het uiterlijk een grotere rol te spelen. Wanneer de kinderen jonger zijn letten ze niet zo op hun uiterlijk, de een heeft rood haar, de ander heeft een donkere huidskleur, wat maakt het uit, denken ze op die leeftijd, moet je daarom gepest worden?

"Een dergelijk negatief gedrag van klasgenoten zien we weleens optreden vanaf de leeftijd van een jaar of 11,12. De aandacht voor het uiterlijk speelt voor jongeren vanaf die leeftijd nu eenmaal een steeds grotere rol. Ze gaan dan meer maar elkaar kijken en elkaar fysiek beoordelen. Opvallende kenmerken kunnen er dan goed uitspringen."
(Hoksbergen 1994:88)

Hieronder twee kreten uit het tijdschrift "Wereldkinderen":

*"92% van geadopteerden voelt zich niet gediscrimineerd."
*"Adoptie-ouders signaleren meer discriminatie dan hun kinderen."

92% is maar heel weinig. En tot die 8% horen ook kinderen die 'gewoon' door een iemand steeds uitgescholden worden, maar niet door al die andere kinderen waar ze mee spelen. Toen ik even verder las, las ik dat een kwart van de ouders vindt dat hun kind gediscrimineerd wordt. Hieruit blijkt dat het kind het meestal veel luchtiger opvat dan de ouders.

Hieronder volgt een uitspraak van een geadopteerd meisje. Die ziet het van de vrolijke kant.

"Soms neemt m'n oudste zus, Marian, het ook wel voor ons op. Als kinderen ons dan voor Chinees uitschelden, lacht Marian hen hard uit : bedoel je mij of m'n Zuid-Koreaanse zusjes? Roept ze dan. En dan staan die kinderen mooi met hun bek vol tanden!"
(Van Den Berg 1985:23)

Discriminatie komt ook voor bij ouderen. Lahaise zegt hier het volgende, ook uit het tijdschrift 'Wereldkinderen':

"Adoptiekinderen kunnen volgens Lahaise ook last van discriminatie krijgen als zij bijvoorbeeld werk of kamers gaan zoeken. Hij kan zich voorstellen dat een adoptiekind opbelt voor een baan of een kamer, een positieve reaktie krijgt, er op af gaat en vervolgens een negatieve reaktie krijgt."

Wat hierboven nog een theorie lijkt, wordt hieronder werkelijkheid.

"Vorig jaar wilde ze een vakantiebaantje als bejaardenhelpster. Na een positief verlopen telefoongesprek werd ze van hart uitgenodigd om persoonlijk te komen solliciteren. Maar tijdens het persoonlijke gesprek en het invullen van het sollicitatieformulier (dat moeizaam verliep omdat ze nog steeds moeite heeft met het formuleren van het Nederlands), was die mevrouw opeens niet zo aardig meer: "Ik denk dat deze baan niet geschikt is voor jou. Die oude mensen willen geen bruin meisje over de vloer."
(Mei 1992:6)

Zoiets zou je maar gebeuren. Stel je solliciteert ergens voor, je komt op sollicitatie gesprek en er wordt tegen je gezegd: nee, jou willen we hier niet, want je bent blond, of te dik. Sommigen zouden ermee naar de rechter stappen! En discriminatie om de huidskleur gebeurd zo vaak (Eigenlijk ook door jezelf als je goed nadenkt. Hoe denk je bijvoorbeeld over Duitsers?)

"Die zielepoten lopen een beste kans om gediscrimineerd te worden. Die roepen discriminatie over zichzelf af. Die lokken het uit. Discriminatie blijkt dus niet de fout te zijn van degene die discrimineert, met is veel eerder de fout van degenen die gediscrimineerd wordt: die had maar anders moeten zijn. En omdat hij niet anders is, maar gewoon zichzelf, is hij de klos. Begrijpt u waar ik heen wil? De neiging om te discrimineren zit in ieder van ons. Soms komt het eruit, soms houden we ons in. Als we ons inhouden, is dat mazzel.
De meeste adoptiekinderen hebben door hun verblijf in onze gezinnen iets weerbaars gekregen, iets dat anderen weerhoudt hen te discrimineren. Dat is dan mooi meegenomen voor die adoptiekinderen. Er zijn ook adoptiekinderen - en dat zijn er uiteraard niet weinig - die minder stevig in hun schoenen staan .Die worden dan ook vaker gediscrimineerd. Die zijn minder gelukkig. Die hebben pech gehad."
(Sept. 1992:25)

Ik vind dit maar een aparte manier van omschrijven. Maar hier komt het in feite wel op neer. Ook op het punt van degenen die niet iets terug durven zeggen. Die trekken het zich aan. En dan vinden degenen die discrimineren het leuk. Maar wanneer jij met een goeie tegenopmerking ze met de mond vol tanden kan laten staan, doen ze dat niet weer.
Een voorbeeld was een meisje uit India. Ze is nogal klein. Toen iemand had gezegd: 'wat ben jij eigenlijk klein', had ze meteen haar weerwoordje klaar: 'klein maar fijn, groot en idioot'.
HOOFDSTUK 3: WAT VOOR SOORT PROBLEMEN?
Je hebt verschillende problemen, om een er een paar te noemen: slaap-, school-, taal-, hechtingsproblemen.
Ik ben van plan om in dit hoofdstuk een aantal problemen apart te nemen.
3.1. LICHAMELIJKE PROBLEMEN.
Nu een stukje over de lichamelijke problemen bij de adoptie kinderen.

"Voordat een adoptiekind naar Europa komt, moet er een medische verklaring worden opgesteld waarin vermeld staat welke ernstige ziekten het kind heeft. Veelal krijgt men ook informatie over de meer algemene gezondheidstoestand van het kind."
(Hoksbergen 1994:45)

Er zijn bepaalde ziekten die erg vaak voorkomen bij geadopteerde kinderen, omdat ze vaak uit een niet zo schoon en hygiënisch milieu komen. Maar ook, zie dat niet over het hoofd, zij hebben weerstand tegen andere ziekten dan wij, je lichaam maakt antistoffen voor de ziektes die in jouw milieu voorkomen.

"Bloedarmoede komt nogal eens voor. Een onderzoek op tuberculose is aan te raden. Nogal wat kinderen hebben last van infecties aan de bovenste luchtwegen (bijvoorbeeld bronchitis)."
(Nulandt 1981:120)

Er zijn nog meer dingen te noemen wanneer het gaat over de lichamelijke problemen bij adoptiekinderen. Zoals het volgende:

"Ondervoeding en groeiretardatie (zowel gewicht als lengte groei achterstand) komt veelvuldig voor bij aankomst....Dit heeft allerlei gevolgen. Direct zichtbaar zijn het zeer lage lichaamsgewicht en achterstanden in lichamelijke groei en motorische ontwikkeling....Van vondelingen en zwerfkinderen is de geboortedatum zelden bekend. In het tehuis, waar de kinderen worden opgenomen, wordt de leeftijd geschat. Sterk ondervoede kinderen worden niet zelden te jong geschat."
(NGR, VIA, WAN 1992:14/15)

Soms is de oorzaak van het verschil tussen de geschatte en werkelijke leeftijd de ondervoedheid van kinderen, zodat de mensen die het kind bijvoorbeeld op straat vonden niet weten hoe oud het kind is. Maar wat ook nog wel gebeurd is, dat er gezegd wordt dat het kind vijf jaar is, terwijl het zes jaar is. Dit doen ze omdat een kind van zes jaar niet meer geadopteerd mag worden. Dit lijkt onschuldig, maar het kan grote gevolgen met zich meer brengen.

"Er zijn kinderen bekend bij wie sprake is van een leeftijdsverschil van twee of meer jaren. Een kind van zogenaamd vijf jaar bleek achteraf, volgen nader röntgenologisch onderzoek , acht jaar te zijn . Bij een dergelijk groot leeftijdsverschil kunnen later op school moeilijkheden - zich bij de leeftijdsgroep niet thuis voelen in een schijnbaar vervroegde puberteit - ontstaan, maar ook al meteen thuis."
(Hoksbergen 1994:45)

De gevolgen van de lichamelijke problemen kun je van verschillende kanten bekijken. De boeken zijn het hier niet over eens, want het ene boek heeft het alleen over de negatieve uitwerking daarvan, het andere boek alleen over de positieve uitwerking.

"Ernstige lichamelijke aandoeningen maken het vaak noodzakelijk dat kinderen in het ziekenhuis opgenomen worden. Ziekenhuisopnamen, vooral indien herhaaldelijk of langdurig noodzakelijk, en de erbij horende moeder-kind separatie, vergroten het risico op probleemgedrag."
(Verhulst 1989:83)

Hierboven worden de lichamelijke problemen als een belemmering gezien. Je kunt het echter ook van de andere kant zien zoals hieronder staat:

"Een pasgeboren baby heeft veel lichamelijke verzorging nodig en mede daardoor ga je je als ouders aan het kind, en als kind aan je ouders, hechten. Een adoptiekind dat merkt dat die verzorging hem goed doet, gaat zich aan zijn verzorgers hechten. Het kan zijn dat daardoor de band tussen hem en zijn nieuwe ouders eerder groeit, dan wanneer het gaat om een gezond, zelfstandig kind."
(Peerdeman 1985:37) Je kunt je het volgende wel eens afvragen: Waarom nemen ouders soms bij voorkeur een gehandicapt kind? Als je de 'luxe' hebt, zoals aspirant adoptiefouders, om voor een gezond kind te kiezen, dan doe je dat toch? Waarom kiezen voor een moeilijke weg als er een makkelijker weg voor je openstaat?

Er bestaat een tijdschrift over adoptie. Dit tijdschrift zegt hierover het volgende:

"...Ook keken ouders met een eigen handicap soms makkelijker tegen het krijgen van een kind met een medisch probleem aan. Er zijn daarnaast aspirant-adoptiefouders bij wie een eerdere ervaring met een kind met een handicap een rol speelde bij de keuze....De wens een kind te steunen dat minder kansen heeft in het geboorte land wordt eveneens vaak als motief genoemd."
(aug. 1995:8)
3.2. SLAAPPROBLEMEN
Je zou kunnen denken dat het kind alleen al door spanning van alle nieuw dingen slaapproblemen zou krijgen, dit blijkt niet zo te wezen.

"Een voor de hand liggende oorzaak is dat het kind vooral de eerste dagen veel spanningen ondergaat. De lange vliegreis, de vele nieuwe mensen en indrukken zullen voor de rust van het kind weinig bevorderlijk zijn. Er is echter een tweede en belangrijker oorzaak voor de slaapproblemen. Onze slaapgewoonten (een eigen bed, veelal alleen in een aparte kamer) wijken sterk af van wat het kind gewend is......Een ouder van een Vietnamees kind van een jaar vertelt bijvoorbeeld dat het kind in Vietnam een spijltjesledikant gewend was en het nu toevalligerwijze in een gesloten ledikant terechtkwam. Toen de ouders hierin verandering hadden aangebracht, waren de slaapproblemen meteen over."
(Hoksbergen 1994:52)

Zulke dingen komen geregeld voor. Het is de kunst om erachter te komen.

Ook een voorbeeld van een jongetje die altijd in een doos sliep, en nu ineens in een bed 'moest' slapen. Dat kon hij simpel weg niet en hij sliep de eerste twee maanden in een doos, en daarna stapte hij gewoon weer over op het bed.
Aan dingen die hierboven staan had ik nog niet eens gedacht, dat een schoon bed, wel eng kan zijn, wanneer je een vuil matrasje gewend bent.

Sommige kinderen krijgen pas na een paar weken of maanden slaapproblemen. Daar kun je twee oorzaken voor noemen:

"Allereerst kan het een uitgestelde reactie zijn. Direct na de aankomst is het kind te moe om niet te kunnen inslapen. Maar naarmate het beter uitgerust raakt, heeft het kind ook meer fysieke mogelijkheden om wakker te blijven, en te overdenken en trachten te verwerken wat er de laatste tijd allemaal is gebeurd. Er kunnen angsten ontstaan - dat het wel allemaal tijdelijk zal zijn en dat er wel weer wat vervelends zal gebeuren - , vooral bij kinderen die al eerder abrupte overgangen hebben meegemaakt....
Een tweede oorzaak...De eerste weken heeft het kind zijn uiterste best gedaan zich van een zo goed mogelijk zijde te laten zien....Misschien zal het in het begin ook wat meer vertroeteld zijn....Langzamerhand lokt het kind bewust of onbewust de eerste negatieve reacties uit. Het komt dan in een wat normaler gedragspatroon. Daardoor kunnen spanningen en conflicten ontstaan, die door het kind maar moeilijk worden verwerkt. Het gaat dan niet zonder zorgen en ontspannen naar bed met als gevolg; slaapproblemen, onrustig zijn, akelig dromen en dergelijke."
(Hoksbergen 1994:52/53)

Het kan dus een uitgestelde reactie wezen, omdat het kind de eerste tijd zo moe is van de reis en de hele toestand. Een tweede reden is dat het kind zich de eerste weken voorbeeldig gedraagt en daarna 'normaal' gaat doen, dan botst er wel eens wat, en krijgt het kind daar slaapproblemen van.
In een ander boek stond hierover het volgende:

"Soms kan een kind na een aantal weken van goed gedrag plotseling lastig worden. Dit verschijnsel is ook bij pleegkinderen bekend. Het is een goed teken; het kind voelt zich thuis, durft zich te laten gaan of gaat de ouders uitproberen. Geduld en aanvaarding worden dan van de ouders gevraagd. Dit laatste geldt ook als het kind in het begin last heeft van bedplassen."
(Nota 1985:22)

Eerst lijkt dit een negatief verschijnsel: het kind krijgt er slaapproblemen van, maar dit blijkt dus toch een positief verschijnsel te kunnen zijn.

"Veel kinderen zijn in het begin onrustig, dromen akelig en gaan soms op eens weer bed plassen, hoewel ze in het tehuis al zindelijk waren.....Zo wordt het bedplassen van oudere kinderen vaak veroorzaakt door de vele spanningen die het kind voelt. Al die nieuwe indrukken en ervaringen roepen deze spanningen op."
(Hoksbergen 1994/1989:56/57)

Bedplassen heeft dus meestal met die eerste reden te maken: al die nieuwe indrukken en spanningen.
Een jongetje dat altijd in een verzorgingstehuis had gezeten, altijd weinig aandacht had gehad, altijd door veel verzorgers verzorgd was:

"Hij had erg veel aandacht gemist - ze werden altijd door veel verschillende mensen verzorgd en dan op een gegeven ogenblik dan krijgen ze een soort rustperiode: 2 maanden door dezelfde mensen verzorgd. En toen durfde hij niet alleen meer te gaan slapen. Je kon hem niet meer neerleggen, dan was hij meteen in paniek en dat werd steeds erger. Hij durfde echt niet meer alleen te zijn en het leek er inderdaad op - dat hebben wij achteraf begrepen - dat hij onbewust bang was dat hij in de steek gelaten kon worden."
(De Lange:13)

Aan dit soort dingen denk je niet meteen, wanneer je het over slaapproblemen van adoptiekinderen hebt. Maar hier moet je wel goed bij stilstaan.

Een jongen die afgestaan werd voor adoptie omdat hij slaapwandelde, kon een droom nog goed voor de geest halen:

"Ik ben in een vreemde stad. Er zijn kronkelige straatjes en steegjes. Er is niemand die ik ken. Ik ben een beetje bang maar ook wel een beetje opgewonden. Het is of ik op een groot marktplein ben waar een heleboel mensen staan te praten, maar ik kan ze niet verstaan. Dan lijkt het of ik mijn naam hoor, maar ik weet het niet zeker. Dus ga ik de stem achterna. Ik kan degenen die me roept almaar niet inhalen. Ik word bezweet en een beetje angstig wakker.'"
(Brodzinsky 1992:109/110)

Dit voorbeeld geeft ook meteen het taalprobleem aan. Hij kan de andere mensen niet verstaan, en de anderen kunnen hem niet verstaan. Zo komen we bij het taal probleem.

3.3. TAALPROBLEMEN
Taalproblemen zijn ècht vervelende problemen. Denk je maar eens in dat je op vakantie gaat naar het buitenland, en je gaat bijvoorbeeld naar Zweden. Je kunt niets van die taal maken, en met je Duits, Engels en Frans kom je ook nergens. Dat is even een groot probleem.

"Toch kan de taal barrière in het begin best moeilijkheden geven. Het kan aanleiding zijn tot driftbuien, als het kind niet duidelijk kan maken wat het bedoelt. De kinderen kunnen wantrouwig worden, als ze het gesprek van de anderen niet kunnen volgen. Het kind voelt zich als een gevangene die met zijn taal is opgesloten; de buitenwereld kan hem - en hij anderen - niet bereiken op de meest normale manier."
(Nulandt 1981:127)

Wij vinden praten de meest normale manier van communicatie. Het zou een ramp wezen wanneer we ineens doofstom zouden worden. Kun je nagaan hoe een adoptiefkind zich voelt: en 'doofstom' en ook nog bij vreemde mensen in huis. Dat is dubbel ellende.
Gelukkig begint de Nederlandse taal, na enkele weken snel te wennen.

"Binnen enkele weken maken de meeste kinderen die hun eigen taal volledig machtig waren - al zinnetjes in het Nederlands. Dat wil niet zeggen dat zij het Nederlands ook beheersen. Vooral de grammatica is moeilijk. En begrippen zoals: gisteren, morgen, boven, onder, per ongeluk, expres enz. kunnen lange tijd moeilijk te vatten zijn en later bijvoorbeeld het maken van een opstel extra zwaar maken."
(Peerdeman 1985:43)

Dit probleem is ook al een beetje besproken bij het adoptiefkind op de basisschool en ook al bij het adoptiefkind op het voortgezetonderwijs. Daarom behandel ik dit niet verder.

3.4. EETPROBLEMEN
Dit is een hele korte paragraaf geworden, omdat in een boek eigenlijk alles stond, wat er over te vinden was.

"Bijna 30% van de kinderen lijkt een welhaast niet te stuiten behoefte aan voedsel te hebben. Zij blijven eten en als bij de maaltijd nog niet alles op is, zullen zij hun bord blijven vullen. Nu kunnen er concrete medische redenen zijn voor de enorme behoefte aan voedsel.....We moeten ook bedenken dat sommige kinderen vooral het eerste jaar na aankomst een achterstand inhalen. Uitzonderlijke snelle groei is hiervan soms het gevolg en hiervoor zijn uiteraard extra bouwstoffen nodig....Zij weten wat tekort aan voedsel en honger betekent, ze hebben daardoor geleerd dat het weinige dat er te eten is ook opgegeten moet worden om althans in leven te blijven. ....Overigens komt het tegenovergestelde, te weinig of niet eten, zij het veel minder vaak, ook voor. Meestal heeft dit te maken met medische factoren, hoewel het weigeren van voedsel bij kinderen ook kan duiden op een protesthouding."
(Hoksbergen 1989:54/55)

Adoptiekinderen kunnen zoveel eten, omdat ze 'mee-eters' hebben. Of omdat ze ineens zo hard groeien, en dan heb je wat meer eten nodig. Dit zijn medische redenen. Er kunnen ook geestelijke redenen zijn, zoals veel eten doordat ze denken dat ze hier een paar dagen van moeten leven.

3.5. RELATIE/HECHTING (S PROBLEMEN)
Het komt wel eens voor dat adoptiefouders op Schiphol staan, en dan denken ze: Is dit nou ons kind, waar we van moeten houden?

"Eindelijk is het zover, de eerste ontmoeting met uw kind. Het liefst zoudt u het in uw armen en in uw hart sluiten. Vanaf dat moment is het uw kind waaraan u al uw liefde wilt geven. Alles zal verder in orde komen. Een enkele keer gaat het ook zo gemakkelijk....Maar het kan ook anders. Er zijn vrouwen die niet direct dat innige moeder-kind-contact voelen....maar haar liefde moet groeien."
(Peerdeman 1985:75/76)

Een moeder die een eigen kind heeft gebaard, heeft het negen maanden gedragen en groeit naar het kind toe. Dat is bij adoptiefouders ook zo.

"Alle kinderen zijn onthecht als ze hier aankomen. Er is dus reden om bij alle kinderen er bewust mee bezig te gaan om die hechting tot stand te brengen."
(De Lange:7)

Liefde groeit dus wel, maar je moet er wel bewust mee bezig zijn, dat je kind aan je moet gaan hechten, en dat dat niet zomaar vanzelf gaat.
Je kunt het leven van een adoptiefkind als volgt indelen. Bij elke leeftijdsperiode heeft het kind hulp van ouders nodig om hechting te vinden.

"*0-4/6 maand: Het kind zoekt lichamelijke geborgenheid, hechting.
*0.5 -4/5 jaar: Het kind komt in een affectieve relatie te staan met moeder en of vader. Deze periode begint met eenkennigheid.
5-9 jaar: Het kind staat in een verbaalverstanddelijke houding t.o.v. de wereld. Het worden echte kennisfanaten.
9-12: Het sociale aspect komst meer naar voren. De normen van de groep worden heel belangrijk. Ze willen het liefst zich aanpassen en meedoen.
11+: De religieuze, ethische en esthetische aandrift wordt belangrijk."
(De Lange:3)

De rol van de ouders wordt steeds minder, eerst hebben zij nog een grote taak om de hechting op gang te brengen, later niet meer zo.

"Bij fundamenteel relatiegestoorde kinderen, dus hechtingsgestoorde kinderen is er in de eerste fase iets mis gegaan. Zij hebben zich nooit aan iemand kunnen hechten op lichamelijk emotioneel niveau. 75% van de adoptiekinderen hecht zich wel spontaan, maar een groep van ongeveer 25%, de zogenaamde sensitieven, gevoeligen hechten zich niet."
(De Lange:4)

Dit zijn meestal de adoptiefkinderen die jong zijn geadopteerd, al zou je dat misschien niet verwachten. Dat komt doordat adoptiefkinderen die eerst in een gewoon gezin zijn opgegroeid een hechting gehad hebben met hun ouders, en dus hebben leren hechten. Wanneer de biologisch ouders sterven en de kinderen worden geadopteerd door Nederlanders, dan komen ze die schok wel weer te boven, en hechten ze zich aan de adoptiefouders. Maar wanneer kinderen overgeplaatst zijn op zeer jonge leeftijd, hebben ze niet leren hechten aan iemand en dan is het moeilijker.

"Het is niet zo dat hoe ouder het kind bij aankomst is, hoe meer problemen er te verwachten zijn. Heel jong aangekomen kinderen kunnen meteen en later in de puberteit eveneens ernstige gedragsproblemen vertonen. Uit een onderzoek onder 116 kinderen uit Thailand bleek dat:
*ook van de jongste groep kinderen er een kwart aanpassingsproblemen vertoont.
*het grootste verschil bestaat tussen de groep van 6 maanden en jonger bij aankomst en 7-12 maanden.
* in hoofdzaak de problematische achtergrond en minder de feitelijke leeftijd bij aankomst de voornaamste reden is voor aanpassingsproblemen.
*Bij 19 van de 116 kinderen bleven de beginproblemen in een of andere vorm bestaan en waren ze ongeveer acht jaar later, toen wij hen voor het eerste onderzoek benaderden, nog steeds enigszins opvallend aanwezig."
(Hoksbergen1994/1989:55/56)

Verwaarloosde kinderen kunnen kenmerken vertonen die wijzen op problemen in de hechting en de relaties. Dit uit zich vaak op verschillende wijzen, hier volgen een paar voorbeelden.

*allemansvriendjesgedrag
*aandachttrekkerij
*stugheid of bazigheid
*somberheid
*nachtmerries, slecht slapen
*overmatig veel eten
*liegen en stelen.
(Nota 1985:19)

Dit zijn veel kenmerken van kinderen die moeite hebben met de hechting. Het hoeft natuurlijk niet zo te wezen dat wanneer het kind hechtingsproblemen heeft, zij dit uit op al deze manieren. Ook kun je niet concluderen dat wanneer een adoptiekind bijvoorbeeld liegt of steelt, zij hechtingsproblemen heeft. Dit is wel een punt waar je mee op moet passen.

Hieronder wordt zo ongeveer hetzelfde beweerd.

"Bij gebrek aan noodzakelijke affectieve relaties komt het kind niet tot groei en ontwikkeling. Het kind komt niet tot een ik-ontwikkeling, zelfbeheersing. Tot normen van binnen uit.

Dit uit zich in verscheidene vormen van probleemgedrag als:
*zich afsluiten voor de buitenwereld in taal, en/of in lichaamscontact
*agressief gedrag/driftbuien
*het steeds herhalen van negatief gedrag
*stagneren van de cognitieve ontwikkeling."
(De Lange:38)

Hier wilde ik de paragraaf 'Hechtingsproblemen' mee afronden.
HOOFDSTUK 4: HET ADOPTIEFKIND IN BEPAALDE LEEFTIJDSFASEN


4.1. HET ADOPTIEFKIND OP DE BASISSCHOOL
Hoewel 'intelligentie' in belangrijke mate wordt bepaald door erfelijke factoren, heeft het milieu toch ook een heel belangrijke invloed op het kind. Dit hebben allerlei onderzoeken inmiddels aangetoond.

"De ervaring heeft geleerd dat het verstandig is kinderen niet direct na aankomst naar school te laten gaan, ook al hebben zij daar de leeftijd voor. Stimuleer zo nodig dat het kind eerst de tijd krijgt om aan het nieuwe gezin, aan de directe omgeving en aan de nieuwe taal te wennen. Het is vrijwel voorspelbaar dat een kind, dat niet weet waar het thuis hoort en dat de taal niet begrijpt en zich daar ook niet in kan uitdrukken, problemen krijgt op school."
(NGR, VIA, WAN 1992:24)

Ook al kunnen kinderen van groep 1, nog niet zo goed praten, ze verstaan en begrijpen elkaar al wel. Wanneer je voor het eerst in groep 1 komt, is dat natuurlijk al spannend, maar daar komt voor adoptiekinderen meestal nog bij dat ze zich anders voelen, door hun huidskleur, en dat ze niet mee kunnen praten.

"Ook de overgang van peuteropvang naar kleuterschool verliep in het algemeen zonder problemen. Ook bij kinderen, die niet eerst naar de speelzaal gingen, verliep de beginfase vlot....Opvallend is dat bij de test op taalgebruik de kinderen niet lager scoorden dan de in Nederland geboren kinderen.....Ze hebben vriendjes en vriendinnen, hoewel ze soms liever met jongere kinderen spelen."
(Nulandt 1981:140)

In het gedeelte hierboven wordt gezegd dat de adoptiekinderen geen taal achterstand hebben, maar in het volgende gedeelte staat van wel.

"In ons eigen land zijn kinderen uit Derde-Wereldlanden op de kleuterschool en lagere school onderzocht op prestaties. Het betreft hier een vervolgonderzoek waarbij 250 adoptiefkinderen werden vergeleken met hun klasgenootje. Op de kleuterschool was er nog een groot verschil tussen de kinderen, al hebben allen zich over het algemeen redelijk aangepast. De kinderen die ondervoed aankwamen, zijn nog achter in ontwikkeling en hebben lagere testresultaten dan de overige klasgenootjes. De actieve beheersing van de taal, met name bij kinderen uit Zuid-Amerika en India, vertoonde enige achterstand."
(Nota 1985:21/22)

Hoksbergen zegt hierover het volgende:

"Vooral bij de vakken lezen, schrijven en taal doorstaan ze de vergelijking met hun klasgenootjes goed. Toch zijn er wel enkele kinderen die qua taalprestaties duidelijk onder het gemiddelde liggen; vaak blijken zij aan ooraandoeningen te hebben geleden....Het vak rekenen levert voor meer kinderen problemen op en gemiddeld ligt het prestatieniveau lager dan dat van hun klasgenoten."
(Hoksbergen 1994:60)

Soms heeft een adoptiekind zelfs een hogere intelligentie dan een niet-geadopteerd kind. Eigenlijk slaat dat 'zelfs' nergens op, want waarom zouden Nederlanders slimmer zijn dan een Afrikaans/Keniaas/buitenlands kind?
Het komt ook wel eens voor dat het lijkt alsof het kind heel intelligent is maar valt dat tegen.

"Opvallend is het feit dat zoveel ouders van Aziatische adoptiekinderen hun kind qua intelligentie hoger aanslaan. Waarschijnlijk komt dit doordat deze kinderen, gedwongen door de situatie in het kindertehuis, zich in het algemeen zelfstandiger gedragen en handiger omgaan met allerlei gebruiksvoorwerpen. Vooral bij kleine kinderen maakt dit een 'intelligente' indruk. Het gaat hier echter vooral om de 'praktische intelligentie'. Dit zegt in de praktijk nog niet zoveel over het vermogen tot het leren van abstracte zaken.".
(Hoksbergen 1994:59)

Soms hebben ouders de indruk dat het kind heel intelligent is, ze gaan dan hoge eisen stellen en hebben te hoge verwachtingen.

"Adoptie- en pleegouders zijn soms teleurgesteld in de prestaties van hun kind op school. Die teleurstelling is niet altijd terecht. Uit onderzoek in Amerika naar de leerprestaties van adoptiekinderen is gebleken dat ze net zo goed of zelfs betere resultaten behaalden dan het gemiddelde Amerikaanse kind."
(Peerdeman 1985:80)

Tegen adoptiefkinderen wordt meestal en beetje anders aangekeken, dit heeft vaak een negatieve uitwerking, zoals probleemgedrag.

"Adoptie kinderen, met hun andere uiterlijk en hun meestal minder gunstige start in het leven, worden soms door klasgenootjes en leerkrachten met een mengeling van medelijden en nieuwsgierigheid tegemoet getreden. Dit kan betekenen dat er voortdurend uitzonderingen worden gemaakt voor het adoptiekind en het een soort voorkeursbehandeling krijgt omdat het 'zo'n lief kind is'."
(NGR, VIA, WAN 1992:24)

Over het probleemgedrag van geadopteerde kinderen op de basisschool vergeleken met kinderen die niet geadopteerd waren werd in 1970 een onderzoek gedaan daar werd geconstateerd dat:

"Leerkrachten voor 108 7-jarige adoptiejongens meer probleemgedrag rapporteerden dan voor niet-geadopteerde jongens. Voor meisjes werd echter geen verschil in functioneren tussen geadopteerde en niet-geadopteerde kinderen gevonden."
(Verhulst 1989:7)

Dit probleemgedrag wordt vaak veroorzaakt door spanningen.

"Problemen en spanningen kunnen ook negatief werken op de emotionele en intellectuele ontwikkeling. Een van de manieren van een kind om problemen te verwerken kan zijn het terugvallen in kinderlijk gedrag. Het lijkt dan alsof het kind een bepaalde periode van zijn leven opnieuw moet verwerken. Hij gaat dan weer baby-achtig praten, wordt weer onzindelijk en wil een zuigfles hebben."
(Peerdeman 1985:81)

Dit komt omdat hij de periode dat hij de zuigfles kreeg, geen aandacht en liefde heeft gekregen. Ze hebben dus eigenlijk een deel van hun leven overgeslagen, die ze later weer gaan inhalen. Als ouders moet je volgens meneer de Lange gewoon het kind dan ook op dat niveau behandelen. Het gedrag van adoptiefkinderen afkomstig uit Thailand vergeleken met de niet-geadopteerde kinderen geeft een beeld dat ik niet had verwacht. Dat beeld was het volgende:

"Op de gedragskenmerken vrijmoedigheid en emotionaliteit zijn er vrijwel geen verschillen, maar op de aspecten werkhouding en vooral sociale omgang wel. De adoptiekinderen komen dan beter voor de dag. Vooral vind ik het interessant dat de kinderen met een problematisch verleden (en dus slechtere schoolprestaties) nog iets beter in werkhouding scoren dan de andere adoptiekinderen. Zij doen blijkbaar erg hun best op school....Juist die kinderen die in de eerste jaren van hun bestaan hebben moeten vechten om in leven te blijven, hebben ervaren dat zij vooral voor zichzelf moet opkomen. Deze kinderen zijn doorzetters met een sterke wil tot aanpassing aan alle omstandigheden. Hun vitaal vermogen is meestal aanzienlijk hoger dan gemiddeld." (Hoksbergen 1994:62)

Hoe denken adoptiefkinderen over adoptie en hun biologische ouders, op een leeftijd dat ze op de basisschool zitten? Hier volgen een aantal uitspraken;

*'Als ze niet wist hoe je een moeder moet zijn, dan had iemand haar dat moeten leren,' zegt Carla van negen. 'Ze had naar school moeten gaan om het te leren - dan zou het niet gebeurd zijn.' *'Als ze niet genoeg geld had om voor me te kunnen zorgen,' vraagt Monica van acht, 'waarom nam ze dan geen baantje?'
*'Ik vraag me vaak af waarom mijn eerste vader niet met haar getrouwd is' peinst Tim van elf. 'Samen zouden ze wel voor me hebben kunnen zorgen. In haar eentje kon ze het natuurlijk niet. Dat maakt me boos, dat mijn eerste vader gewoon is weggelopen en helemaal niet zijn best ervoor heeft gedaan.'
*( toen ze bij de chinees gingen eten) Ik kon niet eten, ik kon zelfs niet in het restaurant blijven' zegt Michelle van acht...'Alle oosterlingen daar staarden naar ons of ik een gedrocht was. Ik leek meer op hen, dan op pappie en mammie. En toen begon ik me af te vragen of ze soms mijn [biologische] gezin zouden kennen.'
*(over biologische ouders) 'Ik haat ze om wat ze hebben gedaan,' zegt Megan. 'Ze hielden niet genoeg van me om me te willen houden. Ze gaven me gewoon weg, alsof ik lelijk was of zoiets.'
*(Kinderen die denken dat ze 'gestolen of 'gekocht' zijn, zijn meestal boos op hun adoptieouders) 'Ik denk dat ze [de biologische ouders] me misschien missen en misschien naar me op zoek zijn,' zegt Will van zeven. 'Ze zijn me kwijtgeraakt toen ik klein was.. De adoptiemensen haalden me bij hen weg en gaven me aan pappie en mammie, omdat die geen baby hadden. Daar ben ik boos om.' *Het is niet eerlijk dat zij me konden kopen, alleen maar omdat ze meer geld hebben,' zegt Erica van negen. 'Kinderen horen bij hun echte ouders. Ik ben geen stuk speelgoed of iets dat je gewoon kunt kopen.'
*(zeven jaar) Ik ben echt blij dat ik geadopteerd ben,' begon ze,' omdat ik een gezin heb dat me nooit kwijt wil - nooit. Dat hebben ze zelf gezegd.'
*'Het is de belangrijkste vraag van mijn leven,' zei Michael van negen: 'Waarom heeft ze me weggegeven?'
(Brodzinsky 1992:87-100)

Zo zie je maar, de meningen zijn erg verdeeld over de adoptie. Sommige kinderen zijn heel blij, andere kinderen ook wel, maar blijven zich toch elke dag afvragen, waarom ze nu niet meer in het land van herkomst zijn.
Ook zijn er kinderen die heel boos zijn omdat ze geadopteerd zijn. Dit kan aan de leeftijd liggen, maar ook aan het moment zelf. Ben jij bijvoorbeeld net uitgescholden voor 'buitenlander' en dan moet je zeggen wat je er van vindt dat je geadopteerd bent, dan is dat vaak negatief.

4.2. HET ADOPTIEFKIND OP HET VOORTGEZET ONDERWIJS
Hier kon ik niet zo heel veel over vinden. Toen kwam ik de hieronder volgende tekst tegen die dat verklaarde. Deze paragraaf is dan ook niet erg lang.

"Over adoptiekinderen in het vervolgonderwijs is in Nederland nog weinig gepubliceerd. Specifiek onderzoek naar hun leerprestaties is nog niet verricht."
(NGR, VIA, WAN 1992:26)

Ondanks dat er niet veel over te vinden was, toch het volgende:

"Er bleek dat in de groep twaalf- tot vijftienjarigen de geadopteerde jongens beduidend meer probleemgedrag vertonen, ook op school, dan hun niet geadopteerde leeftijdgenoten; de verschillen bij de meisjes zijn veel kleiner. Vergeleken met hun niet geadopteerde leeftijdgenoten (2,3%) toonden bijna viermaal zoveel twaalf tot vijftienjarige adoptiefjongens (9,1%) gedrag gekenmerkt door problemen als stelen, vandalisme, liegen."
(NGR, VIA, WAN 1992:26)

Hier blijkt dat er dus meer probleemgedrag op het vervolgonderwijs voorkomt bij adoptiefkinderen dan bij niet-geadopteerde jongeren. Een ander boek denkt daar anders over. Het zegt namelijk:

"Van een puberteitscrisis is geen sprake. De kinderen slagen erin hun afkomst te verwerken en in te bouwen in hun eigen identiteit."
(Nota 1985:18)

Een ander boek gaat er een beetje tussenin zitten.

"Wellicht zal het in de puberteit ooit tegen u schreeuwen: 'Waarom hebben jullie mij dan genomen?' zoal een andere tiener roept: 'Waarom hebben jullie me dan op de wereld geschopt?' Mogelijk hebben sommige adoptiefkinderen het dan moeilijker...Maar als het u lukt een goede relatie op te bouwen - en dat is met sommige biologisch-eigen kinderen ook wel moeilijk - dan zal uw adoptiefkind net zoveel van u houden als ieder kind van zijn ouders houdt."
(Nulandt 1981:142)

De puberteit is een moeilijke leeftijd. Voor de ouders en voor de adoptiefkinderen. Ze gaan meer op hu lichaam letten en zien dat zij anders zijn.

"Tijdens de puberteitsperiode zal in veel gevallen blijken dat de adolescent min of meer intensief met zijn geboorte-ouders bezig is. Dit heeft te maken met zijn identiteitsontwikkeling en de naderende volwassenheid."
(Hoksbergen 1989:106)

Dit zegt het volgende citaat ook, maar vult ook nog wat aan.

"Een aantal factoren draagt ertoe bij dat het verwerven van identiteit voor transcultureel geadopteerde jongeren gecompliceerder is dan voor pubers die in eigen land bij hun biologische ouders opgroeien:
*De vroege ontwikkelingsfasen zijn vaak niet goed verlopen door interferenties en trauma's.
*Hun uiterlijk is anders, zij ontmoeten discriminerend gedrag.
*Zij moeten allemaal een emotioneel probleem oplossen: te zijn afgestaan door de biologische ouders, te zijn geadopteerd door deze adoptieouders."
(NGR, VIA, WAN 1992:27)

Nu ik dit onderzocht heb, ben ik tot de conclusie gekomen dat adoptiekinderen er in de puberteit wel degelijk moeite mee hebben, dat ze geadopteerd zijn. De volgende uitspraken zijn een gemiddelde van alle geadopteerden die op het voortgezetonderwijs zitten.

*Ik zou mijn biologische moeder graag eens zien, om te weten hoe ik er uit zal zien als ik ouder ben.
*Als we op straat lopen weet iedereen dat ik geadopteerd ben.
*(Over haar biologische moeder)Ik dacht veel na over alle mogelijkheden, over wat er gebeurd was, hoe ze was, waarom ze dat besluit genomen heeft.
*Het moeilijkste van mijn adoptie vind ik dat er geen echte informatie is. Ik heb hier en daar een snipper, maar het komt me onwezenlijk voor. Ik voel me vaak leeg van binnen.
*Ik kan er toch niets aan doen, het is verleden tijd. Je kunt daar maar beter niet in aan wroeten. Ik heb een goed leven, mijn ouders hebben me een goed leven gegeven. Waarom zou ik riskeren dat ik het verknoei door mezelf toe te staan over het verleden te denken?"
*Toen Jill vijftien was, werd ze doelbewust zwanger. Ze was toen even oud al haar biologische moeder was toen ze Jill kreeg. 'Ik wil voor mijn baby doen wat mijn eigen moeder niet voor mij wou doen,' verklaarde ze.
(Brodzinsky 1992:117-131)

Zo zie je maar weer dat er veel verschillende meningen en kinderen zijn. De een is heel erg op z'n donkere lichaam gespitst en denkt dat iedereen in de stad hem ziet lopen. Weer een ander wil alles over zijn geboorte(land) weten. Een ander vindt het verleden maar wat angstig en denkt er liever niet aan. Een ander (die stond niet in dit rijtje) schreef brieven naar haar moeder en schreef zelf een brief van haar moeder naar haarzelf toe. Je ziet dat (minder dan op de basisschool) kinderen in hun fantasie wereldje leven. In de puberteit, maar ook al eerder komen vragen aan de arde al : wie zijn mijn ouders, wat is mijn identiteit, over deze vragen zal de volgende paragraaf gaan.
HOOFDSTUK 5: HOE ZIT HET MET JE IDENTITEIT?


5.1. VRAGEN OVER IDENTITEIT
Voordat je over dit onderwerp gaat nadenken, moet je eerst weten wat identiteit is.

"Volgens dr. De Lange is identiteit, gehecht zijn aan jezelf. Identiteit is je 'ik' in relatie tot de wereld. Identiteit is dus relationeel. Hierin verschilt hij van mening met bijvoorbeeld prof. Hoksbergen, die zegt in een interview in E.O. Tijdsein: Identiteit is, 'Wie ben ik; van wie ben ik'. Dus de vraag naar de genetische achtergrond."
(De Lange:6)

Nu we weten wat identiteit inhoud kunnen we verder gaan.

5.1.1. OP WELKE LEEFTIJD MOET JE OVER DE IDENTITEIT GAAN SPREKEN?
Op welke leeftijd moet je als ouder beginnen te vertellen over die identiteit, over het geadopteerd zijn? Op dit punt is lang niet iedereen het met elkaar eens.

"De discussie gaat dan vooral over de vraag of al een begin gemaakt moet worden met de voorlichting op een leeftijd van bijvoorbeeld 2 jaar, of dat men moet wachten tot het kind een veel beter begrip voor een en ander kan opbrengen, waardoor men eerder zal moeten denken aan een leeftijd van 5 of 6 jaar....Het lijkt er echter op dat verreweg de meeste ouders om en nabij de 4de verjaardag van het adoptiekind aan statusvoorlichting beginnen.....Er bleek dat 80% van de kinderen jonger dan 4 jaar er niets van begreep. ...Uit de klinische praktijk komen zelfs gegevens boven waarbij op latere leeftijd optredende ernstige gedragsstoornissen in relatie worden gebracht met het op te jonge leeftijd praten over adoptie."
(Hoksbergen 1989:100)

Dit blijkt dus wel degelijk een belangrijk punt te wezen, het kan adoptiekinderen later in de problemen brengen, wanneer er toen ze klein waren verkeerd me omgesprongen is.

"U kunt er het beste zo jong mogelijk mee beginnen. Als u dat niet doet, loopt u het risico, dat het kind van anderen - wellicht op een negatieve manier - opmerkingen krijgt die het niet begrijpt of waar het verdriet van heeft. Zijn uiterlijk zal zijn anders-zijn vrijwel altijd aangeven."
(Nulandt 1981:138)

In dit zelfde boek staat op dezelfde bladzijde ook:

"Jonge kinderen begrijpen dikwijls nog niet veel van gezinsrelatie. Daarom is het zinloos echte voorlichtingsgesprekken te houden. Bij stukjes en beetjes komt het er wel achter, dat het een andere huidkleur heeft."
(Nulandt 1981:138)

Dit zegt dus dat je er niet zo vroeg over moet beginnen, omdat het kind er toch niets van begrijpt. Hier ben ik het niet mee eens. Want ouders moeten ook leren het over de adoptie van het kind te hebben, dat is niet iets wat je zomaar kunt. Het is dus wèl goed om het er over te hebben wanneer de kinderen nog heel jong zijn.
Alie de Jong, moeder van twee geadopteerde kinderen, zegt in een krantenartikel het volgende over de leeftijd waarop je kinderen over hun adoptie moet vertellen:

"Zodra het kind kan praten, moet je het over zijn herkomst hebben. Gewoon heel normaal over doen. Mijn man en ik zeggen altijd: 'Wij zijn de wettelijke ouders , maar het kind heeft ook echte ouders.' Natuurlijke ouders geven het kind de mogelijkheden mee, adoptiefouders geven het de ontwikkeling van die mogelijkheden mee."
(ND Variant 24 juli 1993:4)

Alie de Jong is het dus met mij eens (of anders om), om kinderen zo vroeg mogelijk te vertellen over hun identiteit en hun adoptie.

5.1.2. OPENHEID HEEFT VOORDELEN
In sommige gezinnen wordt er een beetje stiekem over gedaan dat het kind geadopteerd is. Dit heeft meestal een negatieve uitwerking.

"Inmiddels is men tot de ontdekking gekomen dat kinderen harmonischer opgroeien als er openheid is ten aanzien van de afkomst. Het merkwaardige is dat het zelfs lijkt dat, als de huidskleur van kind en adoptieouders verschillend is, het kind minder moeite heeft met zijn verleden dan bijvoorbeeld een blank kind bij blanke ouders. In dat laatste geval is er namelijk een kans dat het kind en de ouders weinig of niet over zijn afkomst praten, terwijl bij verschillende huidskleuren,...steeds gewezen wordt op het bijzondere van de situatie."
(Peerdeman 1983:83)

Dit kan ik me goed voorstellen. Misschien zijn er ook wel kinderen, door die openheid, trots op hun achtergrond.

5.1.3. ZOEKEN NAAR DE ACHTERGROND.
Waarom zoeken adoptiekinderen naar gegevens van hun afkomst?

"Uit wetenschappelijk onderzoek is gebleken dat in bepaalde gevallen - wanneer met adoptiefouders geen goede relatie bestaat - geadopteerde kinderen belangstelling gaan tonen voor hun afkomst. Als de relatie met de adoptiefouders evenwel goed was, ging de interesse niet verder dan een zekere vorm van nieuwsgierigheid."
(Nota 1985:17)

Waar je goed op moet letten is dat er staat: in bepaalde gevallen. Dit hoeft dus lang niet altijd te gelden. Want in Hardenberg woont bijvoorbeeld ook een meisje die het prima met haar ouders kan vinden, maar die gewoon een stuk van d'r leven mistte. Toen ze eenmaal haar achtergrond informatie wist, was alles weer goed.
Hier denk je als niet-geadopteerd kind helemaal niet aan. Tenminste ik niet. Ik had er nog nooit over nagedacht dat het misschien wel heel vervelend is, wanneer je niets van je geboorte, en eerste paar maanden of jaren weet.

"Het verlangen te weten waar je vandaan komt, waar je wortels liggen is een diepe psychologische behoefte, die universeel is. De behoefte dit te weten is onderdeel van de vraag: 'wie ben ik'. Kennis van de herkomst creëert continuïteit in het leven, beïnvloedt ook het toekomstperspectief. Een niet-geadopteerde is zich van deze behoefte nauwelijks bewust. Wat voor hem een weet en een gegeven is voor een geadopteerde een onderwerp dat omgeven is met veel vragen."
(NGR, VIA, WAN 1992:28)

Als zoveel geadopteerden naar hun identiteit vragen, is je identiteit blijkbaar heel belangrijk.

"Soms wordt zoekgedrag niet op aktieve doch op symbolische wijze geuit. Van symbolisch zoekgedrag kan sprake zijn wanneer een geadopteerde:
*Blijft steken in kinderlijke, negatieve of idealistische fantasieën, wat de identiteitsontwikkeling en de sociale contacten negatief kan beïnvloeden.
*zich extreem bezig houdt met de cultuur, religie en tradities van het land van herkomst, waardoor het gewode leven in Nederland aan hem/haar voorbij gaat en de verschillen met de adoptieouders worden benadrukt.
*Quasi-zoekgedrag als acting-out gedrag naar de adoptieouders toe vertoont door te dreigen met een zoektocht naar de biologische ouders."
(NGR, VIA, WAN 1992:29)

Symbolisch zoekgedrag houdt dus nog heel wat in. Het zijn allemaal praktische dingen. Zoals het grondig zoeken naar je achtergrond. Daar kan ook bijhoren het kijken in het geboorte register. Daar moet je wel een bepaalde leeftijd voor hebben.

"Het is mogelijk dat geadopteerden bij het bereiken van een bepaalde leeftijd inzage krijgen in het geboortenregister waar de oorspronkelijke geboorteakte wordt bewaard. Het is dan mogelijk om achter bepaalde gegevens van de oorspronkelijke ouders te komen, zoals het vroegere adres, de naam en dergelijke. Zowel in Schotland als in de andere landen blijken geadopteerden veelvuldig gebruik te maken van deze mogelijkheid."
(Hoksbergen 1989:15/16)

Sommigen zien dit dan als: Al die kinderen die in het geboorteregister kijken hebben problemen, anders hadden ze geen behoefte gehad aan het bekijken daarvan. Maar zoals ik hiervoor al had gezegd, ben ik het hier niet mee eens.

In 'man/vrouw' van de EO op 3 maart 1998 ging het ook over adoptie. Het ging hier dan niet om adoptiefouders die hun adoptiekind over zijn/haar adoptie te vertellen. Maar over een vader die geadopteerd is en dat niet tegen zijn kinderen verteld.

"Waarom zou ik het mijn kinderen vertellen. Ik word er niet anders om en zij denken nu dat mijn adoptieouders echt hun opa en oma zijn. Ik vertel het ze wel wanneer ze wat ouder zijn."

Dit kan ik me niet goed voorstellen. Schaamt die vader zich voor de adoptie?

5.2. CONTACTEN MET BIOLOGISCHE OUDERS (EN MISSCHIEN.....TERUG NAAR HET LAND VAN HERKOMST.)
Zoeken naar identiteit leidt wel eens tot teruggaan, op vakantie of voor altijd, naar het land van herkomst.

"De laatste tijd komt het herhaaldelijk voor dat familie in Korea contact zoekt met een adoptiekind in Nederland. Dit gaat in bijna alle gevallen om kinderen waarvan bekend is dat ze zij afgestaan door ouders of grootouders. Slechts een enkele keer komt er familie van een vondeling opdagen. In die gevallen is het kind niet letterlijk ergens gevonden maar in de rapportage naar Nederland wel als vondeling geregistreerd. Dit is gebeurd in die gevallen waarin de moeder of de familie onbekend wenste te blijven."
(Maart 1991:8)

Dit gaat nog even over de reden, waarom ouders hun kinderen weggeven. Er zit een groot verschil tussen de ouders die het kind vrijwillig weggeven of dat ze het uit bijvoorbeeld armoede moeten weggeven. Want die laatste willen wel contact met hun kinderen houden. Dit is meestal nadelig voor het kind.

"Soms sturen de natuurlijke ouders of familieleden nog wel eens een pakje of een kerstkaart. Sommige adoptiefouders voelen zich verplicht het contact aan te houden . Ze proberen de ouders of familieleden op de hoogte houden. ...De ervaring is over het algemeen, dat deze contacten op den duur opgeheven worden. Voor de kinderen is het waarschijnlijk beter.....Sommige landen eisen nog voortgangsrapportjes over een korte periode."
(Nulandt 1981:137)

Wanneer adoptiefkinderen contact hebben met hun biologische ouders, worden ze meer geconfronteerd met hun adoptie dan wanneer ze geen contact zouden hebben met hun echte ouders.

"De belangrijkste voorwaarde voor de adoptie is dat deze zowel uit het oogpunt van verbreking van de banden met de ouders als ook uit dat van bevestiging van de banden met de adoptanten in het kennelijk belang van het kind moet zijn."
(Nota 1985:52/53)

Langdurige contacten werken dus meestal in het nadeel van het adoptiefkind. Een reis naar het geboorteland hoeft dat niet te zijn.

"Steeds meer adoptiekinderen maken, al of niet samen met hun ouders, een reis naar hun geboorteland, een zogenaamde rootsreis. Anderen zijn nog niet zo ver maar proberen zich wel voor te bereiden op een dergelijke reis. Ze denken erover, praten erover en proberen zich een voorstelling te maken van wat hen in het land van herkomst te wachten staat."
(Nov. 1990:15)

Waarom steeds meer kinderen hun land op gaan zoeken stond niet in de boeken, maar mevrouw Reemijer wees mij erop dat pas in de jaren '70 de buitenlandse adoptie begon. En dat die kinderen nu ongeveer 20 jaar zijn. Dat is meestal ongeveer de leeftijd dat ze naar hun land van herkomst terug gaan.
Het is dus gewoon om de simpele reden, dat er hiervoor weinig buitenlandse-adoptiefkinderen waren. Maar zij wees mij nog op een reden. Namelijk dat bijna iedereen nu ineens verre reizen gaat maken. Dus waarom adoptiefkinderen dan niet. Zoek je een vakantiebestemming met veel zon, dan ga je toch naar je land van herkomst toe?

Een gezin van twee adoptiefouders en twee adoptie kinderen,( Roeland uit 4VBO, en Lima uit 3VWO) gaan terug naar hun geboorte land. Over Roeland stond het volgende beschreven.

"Bij de koffie kwamen de dossiers te voorschijn en we proberen Roelands vroegste geschiedenis te achterhalen. Er kwam helaas niet veel meer boven water dan we zelf al wisten. Roeland is tijdens dit gesprek redelijk ontspannen, maar zijn gezicht wordt heel strak als hij de trap oploopt naar de vele kinderkamers. Aan de wanden hangen honderden foto's van alle kinderen die van hier zijn geadopteerd."
(Juni 1994:13)

Er is meestal in het land van herkomst niet veel meer achtergrond informatie over het adoptiekind dan de ouders en de kinderen zelf al wisten. Dit is ook het geval bij Roeland. Deze mensen kwamen echt naar het land van herkomst om informatie over Roeland te vinden. Over Lima stond dit:

"Zij zou haar biologische moeder wel eens willen zien, meer uit nieuwsgierigheid dan uit het rootsgevoel. Na de vakantie is ze haar andere uiterlijk, echt Indiaas, meer bewust geworden en ze wil een keer terug naar het kindertehuis om er een tijdje te werken."
(Juni 1994:13)

Zìj ging dus naar haar geboorteland om haar biologische moeder eens te zien. Weer anderen gaan erheen om te kijken naar de cultuur. Hier blijkt dat je dus om zeer verschillende redenen naar het geboorteland kan gaan.

"We vragen of hij nog verdere inlichtingen heeft kunnen inwinnen over de familie van Nanouk. In zijn kantoortje kijkt hij haar dossier na, eigenlijk is er niets nieuws te vertellen. Van en over haar ouders is niet meer bekend dan we al wisten......We zijn bitter teleur gesteld, hoewel we eigenlijk niet naar Korea zijn gegaan met de bedoeling familie te ontmoeten......de meeste groepsleden blijken deze reis te maken om familie te ontmoeten."
(Juli 1992:13)

De meesten maken een reis om hun familie te ontmoeten, maar velen zien hun biologische ouders niet, omdat er geen informatie meer is dan de familie zelf al wist.

(Het volgende hoort niet helemaal bij dit hoofdstuk, maar ik wilde het nog wel even noemen.)

5.3. GEZINNEN MET WEL- EN GEEN- BIOLOGISCHE KINDEREN.
Er zijn een aantal gezinnen, die èn biologische kinderen hebben, maar ook kinderen hebben geadopteerd. Over die gezinnen gaat deze paragraaf.

"Gezinnen met meer dan een kind vormen meer dan 10% van degenen, die een kind willen adopteren. Het meest gangbare motief bij die groep is, met uitzondering van degenen die het uit een zekere vorm van idealisme doen, dat zij een tweekinder-gezin wel wat klein vinden."
(Nota 1985:27)

Dit gaat nog weer even over de redenen waarom ouders kinderen adopteren, dit onderwerp heb ik ook al besproken, dus hier wil ik nu verder niet uitgebreid op ingaan.

"De richtlijnen voor toelating tot adoptie staan niet toe, dat binnen een jaar na een adoptie of geboorte van een eigen kind, een tweede of derde kind in dat gezin komt. Met de onvermijdelijke wachttijd mee zal het verschil in leeftijd dan toch ongeveer twee jaar bedragen."
(Nulandt 1981:70)

Deze regeling is getroffen omdat anders die twee kinderen dezelfde normen en waarden krijgen, en ook het zelfde ongeveer 'moeten' kunnen. Omdat ze heel verschillend zijn (de ene wel en de ander niet geadopteerd) zijn ze niet gelijk. En hebben ze ook niet hetzelfde niveau op school bijvoorbeeld. En dan voelt de een zich misschien achter gesteld. Dit hoeft absoluut niet het geval te wezen, maar zo is het soms wel.

"Het is belangrijk dat u als uw kinderen daar oud genoeg voor zijn, erover praat, ze laat mee beslissen. In eerste instantie zal bijna ieder kind enthousiast zijn over die gezinsuitbreiding. ....het kind, dat enorm enthousiast was bij het idee van een broertje of zusje, zal wellicht het meest jaloers zijn....Plaatsing van adoptiefkinderen in een gezin met kinderen mislukt maar zelden."
(Nulandt 1981:71)

Het is goed voor te stellen, dat een adoptiefkind jaloers is op het biologische/eigen kind. Want hij is natuurlijk 'maar' geadopteerd. Maar dit blijkt (volgens het hierboven staande citaat)niet voor (extra) problemen te zorgen.

"adoptiekinderen in gezinnen met en zonder biologischekinderen, verdeeld naar hoogte van de CBCL probleemscore."
(Verhulst 1989:82)

In deze grafiek kun je zien dat kinderen die opgroeien in een gezin met biologische kinderen wèl een groter risico op het ontwikkelen van probleemgedrag lopen.

"Adoptie in gezinnen met eigen kinderen is soms moeilijker. Bij de overplaatsingen gaat het vooral om adoptiekinderen die in een gezin geplaatst zijn met biologische eigen kinderen. Plaatsingen bij kinderloze echtparen gaan in de meeste gevallen goed....:Het kind kan meer 'ruimte' krijgen voor zijn bijzondere gedrag, want er zijn geen andere kinderen die hierdoor in het gedrang kunnen komen. In een gezin met biologische eigen kinderen lijkt het adoptiekind een aparte plaats in te nemen."
(Peerdeman 1985:17/18)

Dit citaat zegt dus dat adoptiefkinderen het wel degelijk moeilijker hebben in gezin met biologische kinderen dan in een 'kinderloos' gezin.

"Adoptiebaby's hechten goed in gezinnen met eigen kinderen.....Gezinnen met eigen en geadopteerde kinderen roepen vaker professionele hulp in dan gezinnen met alleen adoptiekinderen in verband met bijvoorbeeld identiteitsproblemen van het adoptiekind in de puberteit. Gedacht werd dat dit wellicht lag aan een minder veilige hechting van adoptiebaby's in gemengde gezinnen. Dat blijkt niet zo te zijn."
(Nov. 1994:15)

Het bovenstaande citaat heeft het alleen over baby's in gezinnen met biologische kinderen. Dit kun je dus niet vergelijken met wat er in de andere citaten stond. Wel stond er in, en dat is heel belangrijk, dat bij de adoptiefbaby, wanneer het misschien wat problemen zou krijgen, het niet aan de hechting zou liggen.

"Er bleek geen verband te bestaan tussen eventueel probleemgedrag en het aantal geadopteerde broertjes of zusjes.....Ook bleek dat de adoptiekinderen die de oudste waren, in een gezin met twee of meer kinderen, niet meer probleemgedrag vertoonden dan de rest van de kinderen in onze populatie."
(Verhulst 1989:82)

Je kunt dus geen conclusies trekken over de problemen van geadopteerde kinderen die in een gezin leven met biologische kinderen. Want de boeken spreken elkaar zo tegen, daar is geen touw aan vast te knopen.
Een adoptiefkind zei eens:

"Toen ik hoorde dat m'n moeder een baby zou krijgen was ik zelfs ontzettend jaloers. Zo'n eigen, blank kind, dacht ik , dat wordt vast voorgetrokken. Daar zullen ze wel meer van houden dan van ons. En dan moet ik natuurlijk weer alles opknappen, net als vroeger in Colombia. Maar toen de baby was geboren veranderde er helemaal niets. Het werd alleen maar leuker met zo'n klein broertje er bij. En lief dat we hem vonden! We vochten er gewoon om wie hem de fles mocht geven."
(Van Den Berg 1985:85)

Zo'n eerste reactie is goed voor te stellen, maar je hoort vaak dat het heel erg meevalt. Dat ze het zelfs leuk vinden, zo'n klein (blond) jochie of meisje.

Een jongen die uit een gezin komt waar er drie biologische- en drie adoptiefkinderen wonen, vertelt:

"En soms ook, als ik op m'n donder krijg van m'n moeder. Dan denk ik wel eens stiekem: je kan wel zien dat ik er eigenlijk niet bij hoor, ik heb het natuurlijk weer gedaan...Dat is natuurlijk niet zo, want als Coen ruzie heeft met Dorien of met Nienke, dan krijgt hij net zo goed op zijn kop. Maar toch denk ik dat. Dan ga ik maar naar m'n kamer. Nee, praten kan ik dan niet. Ik weet nooit wat ik dan moet zeggen. Ik voel me dan alleen verschrikkelijk rot."
(Van Den Berg 1985:31)

Dat er in de meeste gezinnen geen onderscheid gemaakt wordt, wil nog niet zeggen dat iemand dat niet zo kan voelen.

Een ander komt uit een zeer kleurrijk gezin, en zegt dit hierover:

"Ikzelf kom oorspronkelijk uit Bangla Desh, mij broertje is in Zuid Korea geboren en mijn oudere broer en zus zijn biologische kinderen van mijn (adoptie-) ouders....Er wordt geen onderscheid gemaakt tussen het geadopteerd zijn en het eigen kind zijn. En anderen zouden dat ook niet mogen doen."
(Dec. 1997:10)

Deze jongen zegt precies waar het op neer komt: in huis wordt er geen verschil gemaakt. Waarom doen andere mensen dat dan wel?
CONCLUSIE
Nu ik aan het einde van mijn documap ben gekomen, wil ik een samenvatting geven van de hoofdstukken, en ook mijn eigen mening naar voren laten komen.
De reden dat ouders een kind adopteren is meestal, dat ze kinderloos zijn. Je kunt zeggen, dat dat eigenbelang van de ouders is. Maar wat je je wel moet realiseren is, dat bijna iedereen kinderwens heeft. Zo zit een mens gewoon in elkaar. Dan mag je ook, wanneer je geen kinderen kunt krijgen, een kind gaan adopteren. Je kunt dus niet zeggen, dat het adoptiefkind niet genoeg liefde krijgt wanneer de ouders zelf geen kinderen konden krijgen.
Wanneer je het hebt over de opvattingen die mensen hebben over adoptie, komt het er vaak op neer dat die negatief zijn. Er zijn zoveel mensen die iets lezen in de krant over adoptie, en wanneer dat net een negatief artikel is, blijft dat hun bij. Maar er komt eigenlijk nooit in de krant dat de problemen bij adoptiefjongeren wel mee vallen. Waarom worden adoptiefjongeren over één kam geschoren? Ze zijn toch heel verschillend? Ze hebben een verschillende achtergrond en zijn op verschillende leeftijden overgeplaatst.
Natuurlijk, het valt niet te ontkennen dat adoptiefjongeren problemen hebben, en dat is ook niet gek, want ze missen gewoon een stuk van hun leven. Problemen zijn er wel, maar ze zijn echt niet veel vaker dan bij de 'gewone' jongeren. En die problemen zijn soms na een tijdje al weer verholpen.
Bijvoorbeeld: 25% van de kinderen vraagt gespecialiseerde hulp. Maar slechts een kwart van die 25% heeft die hulp langdurig nodig. Bij die andere driekwart was het meer voor de zekerheid, maar je wordt wel tot die totale 25% gerekend. En dan komt er weer een grote kop in de krant te staan: WEL 25% VAN DE GEADOPTEERDEN VRAAGT GESPECIALISEERDE HULP. Zo komen de praatjes inderdaad wel in de wereld, want adoptiefouders vragen sneller hulp dan 'biologische' ouders. Deze ouders weten gewoon, dat ze een kind hebben, die het meestal wat moeilijker heeft dan de meeste kinderen in Nederland. Daar willen ze gewoon zo goed mogelijk voor zorgen. Daar hoort dan ook bij, dat wanneer je niet zeker bent van je zaak, je even naar de gespecialiseerde hulp gaat.
Lichamelijke problemen komen niet veel voor bij adoptiefkinderen. In het begin natuurlijk wel, wanneer ze net in ons land zijn. Hun lichamen hebben antistoffen gebouwd tegen de ziektes uit het land van herkomst maar niet tegen onze ziektes. Ziektes als AIDS komen niet voor bij adoptiefkinderen, want kinderen met AIDS worden niet overgeplaatst. Bloedarmoede komt ook wel voor, maar dit is niet de grootste ramp die er bestaat, je slikt een maand of twee ijzer, en je bent er weer boven op.
Wat ook niet zo heel vaak voorkomt, maar jammergenoeg wel eens, is dat de kinderen een andere leeftijd hebben, dan er gezegd wordt. Een vervroegd lijkende puberteit kan het gevolg zijn. Wanneer het kind ziek in Nederland aankomt, heeft dit als positieve kant, dat er vaak sneller een band tussen het kind en de adoptiefouders groeit.
Wanneer het adoptiefkind nog erg jong is, heeft het meestal geen taal achterstand. Later, in groep 4-8 is er wel vaak een klein taal probleem. Een groter probleem is rekenen en wiskunde. Dit kan niet helemaal aan het feit liggen dat ze de taal nog niet goed onder de knie hebben. Adoptiefkinderen, wanneer zij op de basisschool zitten, denken met veel fantasie over hun biologische moeder. Dat zij een zangeres, danseres, politica, of wat dan ook is. Wat opvallend is, is dat het meestal positieve kwaliteiten zijn.
Leraren van het basisonderwijs gaven aan dat adoptiefjongens meer problemen hadden op school, dan 'gewone' kinderen. Bij meisjes was er geen verschil.
Op het voortgezet onderwijs bleek dat de adoptiefjongens (van 12-15 jaar) meer probleemgedrag vertonen, dan hun niet geadopteerde leeftijdgenoten. Bij meisjes was dit verschil veel kleiner. In de puberteit komt de vraag naar boven: wie ben ik? Deze vraag is bij adoptiefkinderen niet in één zin te beantwoorden. Zij weten dit namelijk niet.
Die vraag naar identiteit hebben ze natuurlijk altijd gehad, ook toen ze jong waren. Adoptiefouders moeten dan ook vaak en 'goed' over adoptie praten. Daar moeten ze zo vroeg mogelijk mee beginnen, dan wordt het voor de ouders en het kind makkelijker om er over te praten. Soms is het zo, dat wanneer er tussen de adoptiefouders en het adoptiefkind geen goede band bestaat, het kind naar het land van herkomst terug wil, en er van baalt dat hij geadopteerd is. Maar dit is lang niet altijd het geval. Je mist gewoon een stuk van je leven, wanneer je geadopteerd bent. En wanneer je dan de mogelijkheid hebt terug te gaan, en dat stukje 'op te halen', dan doe je dat toch! Dan hoeft dit absoluut niet te zeggen, dat je problemen hebt, in verband met je adoptie. Identiteit is toch voor iedereen belangrijk, waarom dan niet voor adoptiefkinderen. Die krijgen meteen de opmerking dat ze problemen hebben, wanneer ze zoeken naar hun identiteit.
Soms zoeken de biologische ouders contacten met het kind. Dit kan moeilijk zijn voor het kind. Wel wordt dan het donkere gat van de eerste paar maanden of jaren opgehelderd. Kinderen kunnen vragen hoe ze bij de geboorte waren, of de bevalling zwaar was en dat soort dingen. Dit lijkt heel onnozel, maar is het zeker niet.
De meeste adoptiefkinderen die een reis maken naar het land van herkomst, gaan daarheen om familie te ontmoeten. Meestal weet men in het land niet veel over de familie en over andere gegevens van het adoptiefkind. De zoektocht moet ook stoppen als blijkt dat de biologische moeder verstoten zal worden, zodra de familie hoort dat ze een kind heeft.
Adoptiefkinderen kunnen verschillende problemen hebben: bijvoorbeeld slaapproblemen. Slaapproblemen worden meestal veroorzaakt door de spanning over allemaal nieuwe dingen, maar ook doordat onze slaapgewoontes heel anders zijn dan in het buitenland. Soms krijgen kinderen pas na een paar maanden slaapprobemen, dan komen de gevoelens pas los.
Sommige adoptiefkinderen hebben eetproblemen. 30% van de kinderen heeft de eerste periode een zeer grote behoefte aan eten. Ze blijven maar dooreten tot alles op is, dit heeft te maken met medische redenen, maar ook doordat ze eten kostbaar vinden. Ze vinden dat je zoiets niet zomaar weg mag gooien.
Bij adoptiefkinderen komen ook hechtingsproblemen voor. Als ouder moet je er rekening mee houden, dat een adoptiefkind zich niet aan iedereen hecht. Het kwam al vaak voor dat iemand aan wie ze gehecht waren weg ging, stierf of wat dan ook. Nu durven ze zich aan niemand meer aan te hechten, want dan is de teleurstelling weer erg groot, als zo'n persoon weg zou gaan.
Wanneer het kind hechtingsproblemen heeft uit zich dat op verschillende wijzen. Bijvoorbeeld: aandachttrekkerij, somberheid, liegen, stelen etc.
Bij deze hier genoemde problemen heb ik geen aantallen genoemd. Daarom heb ik soms wat grafieken en tabellen naast de tekst geplaatst.
Adoptiefouders geven soms aan dat hun kind gediscrimineerd wordt, terwijl het kind dat zelf niet vind. Tegenwoordig komt discriminatie niet zo heel veel meer voor bij geadopteerden. Er zijn gezinnen die kinderen van zich zelf hebben, maar ook adoptiefkinderen. De redenen ervoor zijn verschillend.
In zulke gezinnen komen wat meer problemen voor, dan bij gezinnen met alleen geadopteerde kinderen.
Ik ben nu aan het einde van mijn samenvatting gekomen.
Ik wilde in dit werkstuk gekijken of het terecht is dat adopite geregeld negatief in het nieuws komt. Alsof bij adoptiefkinderen veel meer problemen zuoden voorkomen dan bij de 'gewonen' kinderen.
Mijn conclusie is dat dat niet klopt. Uit diverse onderzoeken komt naar voren dat er bij de adoptiefkinderen wel vaker problemen zijn, maar niet in grote mate. Bovendien trekken adoptiefouders eerder aan de bel als er wat mis dreigt te gaan, dit verklaart mee de hogere hulpvraagcijfers.k Gezien hun achtergrond is het niet vreemd dat juist in de puberteit hulp gezocht wordt als iedere puber op zoek is naar zijn identiteit.
Een negatieve instelling ten opzichte van adoptie is mijns inziens dus echt niet terecht. En de adoptiefkinderen zijn dit in z'n algemeenheid met mij eens.

Het maken van dit werkstuk vond ik leuk om te doen. Het interesseerde me namelijk. Ik weet er nu inmiddels heel wat van af. Ook veel meer dan wat ik in dit verslag heb mogen schrijven. Bijvoorbeeld over de hele procedure die eraan vooraf gaat, voordat je een kind mag adopteren, Ik heb ook veel verhalen over adoptiefkinderen gelezen, die terug gingen naar het land van herkomst. Ook over de discussie die op moment gaande is over het dopen van geadopteerde kinderen en over of homo-paren ook een kind mogen adopteren. Maar hier was geen ruimte meer voor over, en het paste ook niet bij m'n vraagstelling. Nou ja, misschien komt dit nog eens in een volgend verslag. Ik hoop dat u mijn werkstuk met plezier hebt gelezen.
BIBLIOGRAFIE
BAKKER, TRUUS Zie je mij?
Hechting in adoptiegezinnen
Alphen aan de Rijn, RIAGG Zuid Holland Noord, 19941
BERG, HELMA, VAN DEN Ik ben mezelf
Adoptiekinderen aan het woord
Baarn, Anthos, 19952 (1985)
BRODZINSKY, DAVID Geadopteerd
Een leven lang opzoek naar jezelf
Amsterdam, Ambo,19971 (vert. 1992)
BROECKHOVEN, DIANE Bruin zonder zon
Baarn, Houtekiet, 19932 (.....)
EGMOND, GEERTJE, VAN Verbinding verbroken
Adoptie in adolescentie
Baarn, Ambo, 19961
GODSCHALK, F. Interlandelijke adoptie
Bijdragen tweede kamer
19981
HENDRIKS, TINEKE Eens ga ik terug
Verhalen van geadopteerden en hun ouders die terugreisden naar het land van vroeger
Utrecht, 19911
HENDRIKS, TINEKE Het huis met het blauwe dak
Amsterdam, Sjaloom, 19921
HOKSBERGEN, R. A. C. Een kind adopteren
gids voor adoptieouders en hun raadgevers
Baarn, Ambo, 19942 (1989)
JONG, ALIE, VAN Adoptie
G. A. V. brochure
Winsum, G. A. V., 19902 (1980)
MACMILLON, DORIS Mama, waar ben je?
Een geadopteerd meisje op zoek naar haar echt moeder
Weert, M & P, 19941 (vert. 1985)
M. G. EN G. V. De reconstuctieve therapie
Rotterdam, 19851
NOTA, J. A. Adoptie hoe gaat dat
Recht en Raad
's Gravenhage, Kluwer/Teleboek, 19851
NULANDT, H. VAN 100 vragen over adoptie
Utrecht, Het spectrum, 19811
PEERDEMAN, RIA Adoptie
Informatie, adviezen, adressen voor aanstaande adoptie- en pleegouders
Utrecht, Het Spectrum, 19851
SCHEP, J. Adoptie
G. A. V., Nieuwegein, 19801
TEMPELMAN, ANKI *Informatie, LOGA.
Landelijke Oudervereniging Gezinsproblematiek Adoptie
Leeuwarden, 19871
*Folder hiervan
VERHULST, F. C. Buitenlandse adoptiekinderen
Vaardigheden en probleemgedrag
Assen, Van Gorcum, 19891
ZEER VELEN. Adopteren
Handboek voor adoptie-ouders
Maarssen, Bureau VIA 19901
ZEER VELEN. Buitenlandse adoptiekinderen
Informatie voor huisartsen, jeugdartsen, VTO-teams en schoolbegeleidingsdiensten
NGR, VIA, WAN, 19921
ZEER VELEN. Info over Adoptie
knipselkrant voor de jeugd
19961
ZEER VELEN. Kranteknipsels
* 24 juli 1993, Variant
* 16 okt. 1993, Variant
* 16 sept. 1994, Clou
* 8 maart 1997
* 1998
ZEER VELEN. Video
E.O., Dinsdag 3 maart 1998
ZEER VELEN. Wereldkinderen
1991-19971

Scriptie Verzorging Dementie

INTRO

In je lichaam vinden er verschillende processen tegelijkertijd plaats.Hiervoor is afstemming nodig: communicatie.

Het lichaam moet ook reageren op prikkels van buiten. Er moet bewust (gewild) gereageerd worden, bijvoorbeeld op gevaarlijke situaties.

Waaruit bestaan de hersenen?

Hersenen zijn opgebouwd uit ongeveer 15 miljard neuronen (zenuwcellen).
Er zijn drie typen zenuwcellen: sensorische en motorische zenuwcellen en schakelcellen. Deze staan met elkaar in contact d.m.v. uitlopers.
Een uitloper van een neuron die impulsen van een cellichaam afleidt wordt ook wel axon genoemd.
Dendrieten zijn uitlopers die impulsen naar het cellichaam toe geleiden. Beide zorgen voor het contact tussen de neuronen én tussen de twee hersenhelften.
Axonen en dendrieten zijn voorzien van een dikke isolatielaag van myeline (een vetachtige stof), de cellen van Schwann.
Tijdens de groei van de hersenen ontstaan verbindingen met andere neuronen, zo kunnen neuronen onderling contact houden. Dat doen ze m.b.v. elektrische stroompjes, impulsen genoemd.
De hersenen hebben veel plooien, hierdoor is het oppervlak heel groot en kunnen er veel neuronen in.
Filmpje met doorsneden van de hersenen via MRSA: zwart-wit of kleur

DEEL 2: VERANDERD GEDRAG

2.1: Werking van het geheugen


Korte termijngeheugen

In het korte termijngeheugen of werkgeheugen komen indrukken via de zintuigen binnen. Uit een onmiddellijke waarneming kunnen maximaal 7 elementen gedurende 30 seconden bewaard blijven.



Lange termijngeheugen

Je moet informatie inprinten om ze je later te kunnen herinneren. Daarom moeten de indrukken van het korte termijngeheugen doorgestuurd worden naar het lange termijn-geheugen. Dat bestaat uit 3 "delen".


Het geheugen


• In het procedureel geheugen onthoud je hoe je sommige dingen moet doen, zoals eten, lopen of fietsen.
• Het episodisch geheugen is het geheugen voor gebeurtenissen die je zelf hebt meegemaakt of kennis die je op een bepaalde manier hebt opgedaan en waarbij de context een belangrijke rol speelt.
• Het semantisch geheugen is het geheel aan kennis over de wereld en de betekenis die je aan de wereld geeft, bv. met je woordenschat.

Het lange termijngeheugen is als een boekenkast. Alles wat je leert en meemaakt, wordt opgeslagen in een boek en in een kast geplaatst. Ieder mens heeft zijn eigen boekenkast.

2.2: Verstoord geheugen

De werking van het geheugen bestaat uit vier stappen: opname van informatie, opslag van informatie, verwerking van informatie en weergave van informatie. Bij elk van deze stappen kunnen voor dementerende personen problemen ontstaan.

• Verstoorde opname

Soms kent de dementerende persoon de functie van een bepaald voorwerp niet meer, bv. een drinkbeker wordt niet meer als drinkbeker herkend. De waarneming kan ook verstoord zijn omdat hij de taal niet meer herkent en begrijpt. Verminderde aandacht en concentratie leiden ertoe dat nieuwe informatie slecht of moeilijk opgenomen wordt.

• Verstoorde opslag

Vooral het opslaan van informatie lukt niet meer bij dementerende personen.


• Verstoorde verwerking

Dementerende personen hebben meer tijd nodig om waargenomen informatie te verwerken. Hun denken verandert. Meer complexe vormen van denken zoals abstract denken, oordeelsvermogen en probleemoplossend denken verdwijnen het eerst. De eerst aangeleerde vaardigheden blijven het langst behouden.


• Verstoorde weergave
Dementerende personen kunnen zich minder goed uitdrukken. Het is mogelijk dat ze blijven steken in het herhalen van woorden, zinnen of acties. Doelgerichte en gecoördineerde handelingen geven steeds meer problemen. De mobiliteit vermindert.

Bij dementie wordt eerst het korte termijngegeheugen aangetast. Hierdoor is er geen selectie meer van binnenkomende prikkels. De dementerende persoon neemt alle indrukken tegelijk waar. Er wordt geen nieuwe informatie meer opgenomen.

Bij dementie vallen de 'boeken' van het geheugen om. Wat je het eerst hebt opgeslagen, onthoud je het langst.

2.3: Gedragsveranderingen

Toenemende geheugenproblemen liggen aan de basis van de meeste gedragsveranderingen.

Afhankelijkheid bij het inzicht in activiteiten van het dagelijks leven (IADL)

Soms ondervinden dementerende personen problemen bij alledaagse activiteiten waarvoor een minimaal inzicht nodig is, bv. boodschappen doen. Met enige hulp lukken die activiteiten aanvankelijk nog wel.

"Het viel mij op dat moeder nooit meer naar haar oudere zus belde terwijl ze dit vroeger regelmatig deed. Nochtans was ze altijd blij en opgewekt als die zus dan maar zelf belde. Later begreep ik dat moeder wellicht het telefoonnummer niet meer kende of niet meer kon terugvinden."

Afhankelijkheid bij activiteiten van het dagelijks leven (ADL)

Geheugenproblemen plaatsen dementerende personen steeds meer voor problemen bij alledaagse handelingen.

Volgende problemen kunnen zich voordoen:
• Wassen en aankleden: zich vergeten te wassen of aankleden, niet meer weten welke handelingen eerst te doen, moeite hebben met ritsen en knopen, toezicht nodig hebben omwille van veiligheid, producten zoals shampoo of parfum niet meer herkennen.
• Incontinentie of het niet meer kunnen ophouden van urine en ontlasting door bv. het niet meer herkennen van de aandrang, de aandrang niet meer in verband brengen met naar toilet gaan, de weg naar het toilet niet meer vinden, niet meer weten welke handelingen te verrichten op het toilet. Deze problemen stellen zich vaker 's nachts dan overdag.
• Eten en drinken kunnen bemoeilijkt worden door het niet herkennen van een drinkbeker of bord, niet meer kunnen omgaan met bestek, niet herkennen van voedsel omdat het fijngemalen is

2.4: Emotionele veranderingen

Het gevoelsleven van de dementerende persoon blijft in tegenstelling tot het geheugen vrij lang intact. Gevoelens van boosheid en verdriet krijgen wel eens de bovenhand bij beginnende dementie wanneer de persoon ervaart dat hij langzaam zijn greep op de werkelijkheid verliest.

Soms begrijpt de dementerende persoon zijn gevoelens niet meer zo goed. De oorzaak of aanleiding van heftige gevoelsuitingen zijn niet altijd duidelijk.

Tijdens het dementeringsproces komen zowel positieve als negatieve emoties sterk naar boven door het herbeleven van verschillende fasen in het leven.


Verzinsels of confabulaties

Dementerende personen willen vaak niet laten merken dat ze zich in een verhaal niet meer alles kunnen herinneren en vullen de leemtes op met verzinsels. Het is een middel om hun geheugenverlies te camoufleren en zeker geen bewust liegen.

Decorumverlies

Sommige dementerende personen verzorgen zich niet meer, zitten onder de vlekken, of gaan zich ontkleden. De aangeleerde fatsoensnormen en gedragsregels zijn ze vergeten. Ze gebruiken soms ongepaste taal, vertellen intieme dingen, vloeken of zingen op ongepaste momenten.


DEEL 3: RELATIE-VERANDERINGEN

3.1: Veranderingen in de echtpaarrelatie

Wederkerigheid in de relatie neemt af

De wederzijdse inzet, initiatief in de relatie en waardering neemt geleidelijk af. Het wordt éénrichtingsverkeer van de verzorgende naar de dementerende. Het verdwijnen van gezamelijke activiteiten betekent een verarming van de relatie. Wanneer de dementerende soms erkennende signalen uitzendt in de vorm van tevredenheid, gemakkelijk zijn, volledig vertrouwen op de omgeving kan dit een steun zijn voor de verzorgende partner.


Verantwoordelijkheid meer en meer bij de gezonde partner

De verzorger neemt hoe langer hoe meer taken op zich of moet hulp vragen. Hij neemt de verantwoordelijkheden steeds meer alleen op.


Vereniging van gespreksonderwerp

De gespreksonderwerpen tussen beide partners verengen zich tot eenvoudige, concrete dagelijkse gebeurtenissen.

Afscheidsproces

Door het dementeringsproces verandert de persoon die het meest dierbaar is voor de partner stilaan maar zeker. Het meest pijnlijk zijn de momenten waarop de dementerende zijn partner niet meer als partner herkent. Terwijl de dementerende nog leeft, moet de partner stilaan meer en meer afscheid nemen.

3.2: Veranderingen in de relatie met kinderen

Stilaan naar een zorgsituatie

Kinderen worden geconfronteerd met een zorgsituatie en moeten een keuze maken om al dan niet de verantwoordelijkheden en taken die de ouders niet meer kunnen dragen, op te nemen. Het is van groot belang om onderling goede afspraken te maken. De hulp van een deskundig hulpverlener zoals de maatschappelijk werker van CM is vaak aangewezen. Het verlies van verstandelijke vermogens van de dementerende veroorzaakt een verarming in de relatie ouders - kinderen.

Ook de kleinkinderen ondervinden een verandering in de relatie met oma of opa. Ze worden niet meer verwend. Als ze ouder zijn, worden ze mee ingeschakeld in het zorgnetwerk. Ze kunnen minder verwachten van hun eigen ouders omdat die een deel van hun tijd besteden aan de zorg voor de grootouder.

Rolomkering

Naarmate de dementerende afhankelijker wordt, moet de omgeving meer beslissingsmacht overnemen. Dit houdt vaak een breuk in met de vroegere omgangsvormen. De zoon of dochter evolueert in de hiërarchie naar een hogere leidinggevende positie. Vooral bij beginnende dementie is dit een probleem. De ouder vecht voor zijn laatste stukje zelfstandigheid en de kinderen zijn gewoon op te kijken naar hun ouders.

Anticiperend rouwproces

Dementeren is vaak een tergend langzaam proces. Je verliest stilaan meer en meer iemand die nog in leven is. Je maakt dezelfde fasen van een rouwproces door, namelijk ontkenning, depressie, schuldig voelen, agressie, verzet. Ieder familielid maakt dit afscheidsproces op zijn eigen manier door.

3.3: Risico op sociaal isolement

Isolement door het verwarde gedrag

Je onderhoudt vaak sociale contacten met mensen die in dezelfde buurt wonen of in dezelfde organisatie actief zijn. Dit levert een aantal gezamelijke interesses en gespreksonderwerpen op. Naarmate iemand dementerend is, veranderen de onderwerpen. Sommige kennissen haken af omdat ze niet meer weten waarover ze het moeten hebben of omdat ze zich ongemakkelijk voelen. Enkel degenen die de gezonde partner willen steunen, komen nog.

Isolement door het zorgpakket

Toename van taken en verantwoordelijkheden verhoogt de druk op de verzorger. De opgenomen zorg wordt het eerste gespreksonderwerp. Er is vaak ook weinig tijd om in te gaan op uitnodigingen. Kennissen hebben het daar wel eens moeilijk mee en sommigen verminderen de contacten. De kans vergroot dat de verzorger stilaan uit circulatie geraakt.

3.4: Mogelijke conflictbronnen

Verschillend waarnemen en inschatten van zorg

Het dementeringsproces kent een grillig verloop waardoor de familieleden die de persoon op verschillende tijdstippen ontmoeten, een ander beeld krijgen en dit ook anders verwerken. Sommigen reageren opvliegend, anderen worden depressief of reageren zakelijk of zorgend.

Kinderen zijn niet gelijk

Er zijn verschillen in het engagement dat kinderen kunnen opnemen, zowel in tijd als de manier waarop ze zich engageren. Ook de rangorde verschilt (oudste - jongste) en de opvattingen die iemand over zijn kinderen heeft (slimste - zuinigste - meest ordelijke - gevoeligste).

Verschillende manieren van erkenning voor inzet

Elke familie heeft eigen gewoonten. Het niet woordelijk geven van erkenning wil niet zeggen dat die erkenning er niet is. Het lichaam is de beste barometer. Als je je goed voelt in je inzet, kan je er vanuit gaan dat je voldoende erkenning krijgt. Je kan op verschillende manieren zelf erkenning geven aan anderen.


DEEL 4: OMGAAN MET…

4.1/:Omgaan met een falend geheugen
Steeds weer diezelfde vraag

De dementerende persoon herhaalt vaak dezelfde vraag omdat hij zich niet meer herinnert dat hij die vraag reeds stelde of omdat hij het antwoord vergeten is. Je kan deze vragen verminderen door een gevoel van meer veiligheid te geven en eventueel het antwoord op een briefje te geven. Blijft de vraag terugkomen, dan kan je ze negeren of op een ander onderwerp overstappen.

De discussie 'welles-nietes'

Tijdens een gesprek met een dementerende persoon blijkt vaak dat hij een aantal dingen niet meer juist weet of dat hij een deel van het verhaal verzonnen heeft. Een 'welles-nietes'-discussie heeft geen zin. Het kan immers alleen maar leiden tot onnodige spanning en irritatie voor beiden.

Testsituaties vermijden

Naarmate het dementeringsproces vordert, krijgt de dementerende persoon het moeilijker om zich alles te herinneren. Zeker in een beginfase beseft hij dat hij tekort schiet. Om ontgoocheling te voorkomen, kunnen testvragen zoals 'Hoeveel kinderen heb je?' het best vermeden worden.
Als blijkt dat de dementerende persoon essentiële informatie die relevant is in het gesprek mist, kan je trachten hem die informatie via een omweg te geven. Is de informatie niet essentieel, dan kan je het onderwerp beter laten rusten.

Herkennen gaat gemakkelijker

Wanneer je met een dementerende persoon over bepaalde plaatsen, gebeurtenissen of mensen wil praten, geef je zelf best de belangrijkste gegevens. De dementerende persoon hoeft dan alleen maar te beamen.

Routine helpt

Dingen die volgens schema gebeuren, onthoud je gemakkelijker. Dat geeft een gevoel van vertrouwen en houvast.

4.2: Omgaan met taalstoornissen

Verbale communicatie

Volgende tips kunnen helpen om een gesprek met een dementerende persoon vlotter te laten verlopen.

• Vang de aandacht van de dementerende persoon door hem aan te kijken, aan te spreken met de voornaam, in zijn gezichtsveld te gaan of je lichaam naar hem te richten.
• Stel jezelf eerst voor en vertel wat je wil doen of bespreken.
• Kies onderwerpen naargelang de interesse van de dementerende persoon en de graad van dementie, bv. over zijn jeugd, herinneringen bij foto's.
• Vermijd gespreksonderwerpen die achterdocht opwekken, bv. geld of drank.
• Spreek in korte eenvoudige zinnen.
• Beperk de thema's in je verhaal. Een dementerende persoon heeft tijd nodig om alles te begrijpen.
• Praat langzaam en geef de dementerende persoon tijd om de boodschap te laten doordringen.
• Tracht met een lage stem te spreken. Dit is verstaanbaarder.
• Gebruik geen verkleinwoorden. Dit komt betuttelend over.
• Beperk je tot één handeling tegelijk wanneer je iets vraagt.
• Toets tussendoor of de dementerende persoon je uitleg begrepen heeft.
• Gebruik meerdere zintuigen om iets duidelijk te maken, bv. iets laten zien, ruiken, proeven.
• Gebruik indien mogelijk foto's of voorwerpen om een gesprek op gang te brengen.


Non-verbale communicatie

Dementerende personen zijn vaak gevoelig voor lichaamstaal. Houding, gezichtsuitdrukking, gebaren en de toon van je stem bepalen mee de communicatie.

Ook het maken van contact door bv. een handaanraking of een omarming is belangrijk. Het helpt de aandacht te trekken of te houden en het geeft een gevoel van warmte en genegenheid.
Het is ook belangrijk de non-verbale signalen van de dementerende persoon te leren kennen. Gevoelens zijn soms op het gezicht af te lezen.

4.3: Omgaan met waarnemingsstoornissen

Niet herkennen wat er is

In de loop van het dementeringsproces herkent de dementerende persoon de dingen die hij ziet niet meer. Als je weet dat hij daar problemen mee heeft, kan je trachten waar het kan hulp en ondersteuning te bieden. Een sfeer van veiligheid en vertrouwen kan je creëren door jezelf kort voor te stellen en iets te vertellen over de omgeving en de andere mensen in de ruimte.

Hallucinaties

Het kan gebeuren dat de dementerende persoon dingen of personen ziet of hoort die er in werkelijkheid niet zijn. Dit is bijzonder bedreigend. Ontkennen heeft weinig zin want dat vergroot de onrust. Probeer het dreigend gevoel weg te nemen door er over te praten zonder te beamen wat de dementerende ziet. Laat hem niet alleen. Als dit meermaals gebeurt, is het goed de arts hierover te raadplegen.

4.4: Omgaan met oriëntatiestoornissen

Oriëntatie in de tijd

Het vermogen om de tijd in te schatten is één van de eerste dingen die verloren gaan. De dementerende persoon vraagt dikwijls hoe laat het is. Soms denkt hij dat hij lang alleen gelaten werd, terwijl dit objectief niet klopt. Geheugenverlies is hiervan de oorzaak. Zeker bij beginnende dementie is het goed om een vaste dagindeling en een zo stabiel mogelijk weekschema te hanteren. Dat geeft een zekere rust. Eens het tijdsbegrip verloren gegaan is, heeft het geen zin meer om dit trachten terug bij te brengen.
Het normale dag-nachtritme is vaak verstoord. Overdag slapen dementerende personen veel en 's nachts worden ze vaak wakker. Tracht slaapmedicatie te beperken en probeer de dementerende persoon overdag bezig te houden. Wanneer hij 's nachts door het huis doolt, tracht je hem best rustig te benaderen en naar zijn bed te brengen.

Oriëntatie in plaats en ruimte

Voor een dementerende persoon is het zeer moeilijk om nieuwe dingen te leren of situaties te onthouden. Probeer dus zo weinig mogelijk in huis te herschikken. Indien het toch noodzakelijk is, tracht de dementerende persoon erbij te betrekken. Niet-vertrouwde plaatsen zijn voor een dementerende zeer moeilijk te onthouden. Eens uit de vertrouwde omgeving gaat hij dwalen. Spreek dan rustig en neem hem mee naar zijn vertrouwde omgeving. Komt dit geregeld voor, dan is het goed om de buitendeur af te sluiten.

4.5: Omgaan met stoornissen in de activiteit

Handelingen vereenvoudigen, niet afnemen
De dementerende persoon weet nog wel wat hij wil maar kan deze intentie niet omzetten in een handeling of hij heeft coördinatieproblemen. Als basisregel geldt dat je de dementerende persoon zoveel mogelijk zelf laat doen en begeleidt waar nodig. Hij behoudt zijn gevoel van eigenwaarde en het activeren van de spieren bevordert het lichamelijk welzijn. De dementerende persoon blijft langer zijn maximale capaciteiten benutten. Zorg voor een ontspannen sfeer tijdens de activiteiten. Druk uitoefenen of overhaasten heeft een negatieve invloed en leidt tot onrust.

Hulpmiddelen voorzien
Gepaste hulpmiddelen zoals een extra trapleuning, een soepbeker, schoenen zonder veters bevorderen de zelfredzaamheid.

Waardigheid laten bewaren
In het stimuleren van zelfstandigheid mag je ook niet overdrijven. De zelfredzaamheid van een dementerende persoon is beperkt. Overvragen of dwingen heeft vaak een averechts effect.
Voorkom een harde confrontatie met de beprekingen. Lukt een bepaalde handeling niet, zorg dan voor afleiding zodat de activiteit niet eindigt met een gevoel van falen.

4.6: Omgaan met emoties en moeilijk gedrag
Emotionele labiliteit

Een dementerende persoon kan snel wisselen van emoties. Hij toont sneller gevoelens van onrust en angst. Ook echte paniekreacties, achterdocht en beschuldigingen zijn een vertrouwd fenomeen. Vaak treden hallucinaties, nachtelijke onrust en momenten van agressie en geweld op.

Depressie en angst

In het beginstadium is de dementerende persoon er zich vaak van bewust dat er iets mis is. Geleidelijk aan brengt dat besef depressie en angst teweeg. In een later stadium is er angst voor 'vreemde' gezichten, een 'vreemde' taal, een 'vreemde' omgeving. Die angst en depressie leiden er soms toe dat de dementerende persoon tot niets meer in staat is. Tracht na te gaan of er iets in zijn leefwereld veranderd is en wat de oorzaak daarvan is. Bij te hevige angst kunnen geneesmiddelen noodzakelijk zijn.

Paniek

Mensen met dementie hebben weinig nodig om angstig of overstuur te geraken. Probeer hen zo veel mogelijk uit bedreigde situaties weg te houden of erop voor te bereiden. Het is belangrijk dat je zelf kalm blijft. Tracht de dementerende persoon gerust te stellen door bv. zijn hand vast te houden.


Verzet, agressie en geweld

Meestal zijn het degenen die het meest intensief met de zorg voor de dementerende persoon bezig zijn die het meest met agressie te maken krijgen. Dit is emotioneel moeilijk voor de verzorger die toch zijn best doet.

De dementerende persoon bedoelt zijn uitval niet zo. Het is zijn gevoel van angst en onzekerheid die hem daartoe leidt. Hij herkent de verzorger vaak niet meer of wordt kwaad en onrustig door herinneringen uit het verleden.

Volgende tips kunnen helpen om met deze agressie om te gaan:

• Blijf kalm. Boos reageren of tegenargumenteren is vaak olie op het vuur.
• Tracht uit te vissen wat de precieze oorzaak is en probeer de dementerende te kalmeren.
• Geef veiligheid als je het gevoel hebt dat hij angstig is en troost als je denkt dat hij verdrietig is.
• Probeer door een zachte aanraking, je gelaatsuitdrukking en houding de dementerende persoon tot bedaren te brengen.
• Wees voorzichtig met 'bestraffen'. Het is voor de dementerende persoon immers niet meer mogelijk nieuwe dingen te leren. Het is belangrijk zo lang mogelijk de bestaande vaardigheden te behouden.
• Bespreek de agressie met je arts. Soms kunnen geneesmiddelen helpen.


Decorumverlies

In gezelschap de kleren uittrekken, de rok omhoog tillen, naakt de kamer binnenlopen, zijn volgens de algemene maatstaven onfatsoenlijke manieren. Bij de dementerende persoon is het simpelweg een kwestie van vergeten. Reageer daarom niet te fel en breng hem tactvol terug naar de slaap- of badkamer. Het is vaak je eigen gevoel van schaamte dat maakt dat je dit moeilijk kan accepteren. Probeer af en toe iets door de vingers te zien en onopvallend een helpende hand toe te steken. Kalmte is de beste reactie.


Achterdocht en beschuldigingen

De wereld van dementerende personen is chaotisch. Ze vinden iets niet meer terug of herkennen iets niet meer. Er ontstaat angst en de schuld schuiven ze door naar de omgeving. Verzorgers worden beschuldigd van diefstal. Familieleden worden met argwaan bekeken. De dementerende persoon doet dit niet uit kwade wil. Zijn wereld stort in elkaar en hij probeert daarvoor een verklaring te vinden. Hij zoekt houvast. Hierin meegaan is geen goede keuze omdat dit de spanning met anderen nog kan opdrijven. Absoluut het tegendeel willen bewijzen leidt evenmin tot een oplossing. Probeer het onderliggende gevoel van angst of onrust onder woorden te brengen. Hierdoor voelt de dementerende persoondat hij begrepen wordt.

Isolement

Zowel voor de mantelzorger als voor de dementerende persoon blijft het belangrijk om contact te houden met de buitenwereld. Uit schroom of praktisch ongemak worden dementerende personen vaak thuis gelaten. Nochtans blijven deze ervaringen zinvol op voorwaarde dat de dementerende persoon zich veilig voelt. In een ver gevorderd stadium is dit wellicht niet meer haalbaar, maar zolang de dementerende persoon zijn blik nog kan richten naar een bron, kan hij geboeid raken door hetgeen hij ervaart. Tracht dus mensen aan te sporen op bezoek te komen. Geef de dementerende persoon mogelijkheden om herinneringen uit het verleden op het halen. Leg aan de bezoekers uit dat de dementerende persoon ook van gezelschap kan genieten als hij weinig antwoord geeft.

4.7: Onmisbaar: een gezonde dosis humor

Ongetwijfeld doen zich in de omgang met de dementerende persoon komische situaties voor die aanzetten tot uitbundig lachen. Dat is positief en helpt om emoties en spanningen te verminderen.

• Vermijd echter dat de dementerende persoon het gevoel krijgt uitgelachen te worden.
• Vaak gebeurt het dat de dementerende persoon het gevoel krijgt uitgelachen te worden.
• Vaak gebeurt het dat de dementerende persoon meelacht zonder het grappige van de situatie volledig in te schatten. Dit is geen probleem en kan deugd doen.

4.8: Omgaan met dementerende mensen, enkele tips

Wat we hier verder doen, is u op een paar punten attent maken, waarvan wij denken, dat ze belangrijk zijn, in het omgaan met dementerende mensen.
(voor de leesbaarheid gebruiken we in het vervolg alleen de mannelijke vormen 'hem/hij').


1. De dementerende mens is een volwassen mens die, helaas in toenemende mate, onze aanvullende hulp nodig heeft. Benader hem met respect. Wanneer we hem als een kind benaderen lokt dat terecht al gauw boosheid uit.

2. Het is goed dat hij actief en bezig blijft. Neem hem niet uit handen wat hij zelf nog kan. Doe ook activiteiten samen (boodschappen, afwassen).

3. Overvraag hem niet:

a. Blijf niet doorvragen als hij het niet meer weet.
b. Blijf niet stimuleren wat hij niet meer kan.
c. Stel niet meer dan één vraag tegelijk. Twee vragen onthouden lukt niet meer.
d. Geef niet meer dan één advies of taak tegelijk.
Bijvoorbeeld: ik vind het fijn als u me even helpt met afwassen. Voeg dan de daad bij het woord. Als er tijd zit tussen woord en daad is hij het weer vergeten.

4. De dementerende mens is sneller vermoeid en sneller overbelast. Het is allemaal sneller teveel. Vermijd daarom teveel drukte in huis (weekend!), teveel vreemde gezichten, teveel TV.

5. Vaste structuren zijn belangrijk. Het helpt zijn oriëntatie als zijn dagelijkse leefwereld zoveel mogelijk onveranderd blijft. Houd alles op zijn vaste plaats (meubels) en herkenbaar (kleuren, behang).

a. Hanteer zoveel mogelijk een vaste dagindeling. Doe de dingen in dezelfde volgorde.
b. Breng hem niet te vaak in nieuwe, andere situaties. Om de beurt een weekend bij één van de acht kinderen is een te grote opgave.
c. Wissel niet onnodig veel met helpsters in huis.

6. Help de dementerende persoon met tijdsoriëntatientatie door regelmatig op te merken:
a. "Het is nu half elf, koffietijd"
b. "Het is vandaag woensdag. Mevrouw Janssen komt u helpen."


7. Vermijd test-situaties. We maken de dementerende persoon nog onzekerder als we hem telkens vragen stellen als:
a. hoe oud bent u?
b. hoeveel kinderen heeft u?
c. weet u nog hoe ik heet?

8. Ga met de dementerende persoon niet in een wel waar/niet waar-discussie. Het leidt meestal alleen tot spanningen, onrust en irritatie.

9. Een dementerende persoon kan soms heel eenzaam zijn. Soms is hij eindeloos met iets bezig, dat hij niet los kan laten. Probeer hem dan te helpen, door hem af te leiden naar iets anders.

10. Voorkom dat hij in een isolement komt. Soms heeft hijzelf de neiging zich terug te trekken, omdat hij zich onzeker voelt. Soms dreigen wij hem te isoleren, omdat we ons schamen voor bijvoorbeeld de buren, of omdat we risico's zoveel mogelijk willen voorkomen, zoals weglopen.

11. Neem de gevoelens van de dementerende mens serieus. Als hij verdrietig is over zijn (overleden) moeder, die almaar niet thuiskomt, is hij echt verdrietig. Poets dat verdriet niet weg. Ga erop in. Probeer er samen achter te komen, dat moeder overleden is (fotoboek). Of leid na enige tijd de aandacht naar iets anders.

12. Wanneer het besef van wat hoort en wat niet hoort, van wat netjes en niet netjes is, een beetje verloren gaat, bereikt u meer met de dementerende persoon en met uzelf, door maar een oogje dicht te knijpen, of een onopgemerkte helpende hand te bieden, dan door de dementerende mens een standje te geven.

13. Het zijn vaak onze eigen gevoelens van schaamte, schuld, angst, of het niet kunnen accepteren, die ons gedrag ten opzichte van de dementerende mens bepalen. Het zijn heel begrijpelijke en menselijke gevoelens. En tegelijk ook gevaarlijke raadgevers. Ze dreigen de wereld van de dementerende mens nog eens extra te verkleinen.

14. Ook wanneer de dementerende persoon ons niet meer herkent en onze spreektaal niet meer verstaat, blijft het mogelijk en belangrijk contact met hem te onderhouden. De taal van het lichaam - een hand, een zoen, een arm om de schouder - zal hij nog lang verstaan.

15. Het is nodig ook de lichamelijke gezondheid goed in de gaten te houden. Onnodige problemen kunnen erdoor voorkomen worden. Bijvoorbeeld: u valt ineens een bijzondere verwardheid op. Je zou kunnen denken: Nou ja, dat zal er wel bijhoren , terwijl het een gevolg is van een medisch, misschien eenvoudig te verhelpen kwaaltje. Een jaarlijkse controle via de huisarts van bloeddruk, hart, suiker, luchtwegen, zintuigen, urinewegen lijkt ons een minimum. Bij die aandacht voor de lichamelijke gezondheid hoort ook een gezonde voeding. Op meerdere plaatsen (onder andere bij de ECD's) zijn daarover goede voorlichtingsboekjes te krijgen.

Van buiten naar binnen:

Grijze stof:
De buitenkant van de hersenen, de hersenschors, is grijs, we noemen dat de grijze stof.
Hier liggen de cellichamen van de neuronen
Witte stof:
In het hersenmerg, binnen in de hersenen zit de witte stof, hierin liggen de uitlopers van de zenuwcellen.
De witte stof komt aan zijn kleur omdat de myelineschede rond de uitlopers wit van kleur is.

De delen van de hersenen:

De belangrijkste delen van de hersenen zijn:
de grote hersenen,
de kleine hersenen
de hersenstam.
De grote en de kleine hersenen bestaan elk uit twee helften: de linker- en de rechterhersenhelft.
De grote hersenen zijn sterk geplooid.
Daarnaast vormen het verlengde merg en de kleine hersenen belangrijke onderdelen.
De hersenen zijn omgeven door drie hersenvliezen. Deze beschermen de hersenen.
In de hersenen zitten holten die gevuld zijn met vocht. De holten staan met elkaar in verbinding en met het centrale kanaal van het ruggenmerg.

Functies van de delen van de hersenen:

De bouw en de functie van de hersenen is bij alle gewervelde dieren ongeveer gelijk:
In de grote hersenen worden impulsen van receptoren waargenomen en vindt bewustwording plaats.
Er zijn hier verschillende gespecialiseerde centra van receptoren te onderscheiden, bijvoorbeeld het gezichtscentrum.
In de kleine hersenen vindt coördinatie plaats van bewegingen.
De hersenstam is o.m. belangrijk bij het doorgeven van impulsen vanuit de motorische centra in de grote hersenen via het verlengde merg naar het ruggenmerg.
het verlengde merg bevat regelcentra voor bloedsomloop en spijsvertering,
Het ruggenmerg regelt reflexen en zorgt dat de impulsen uit de hersenen bij spieren terechtkomen.

Hoe vindt informatieverwerking plaats?

Zintuigen vangen signalen uit de omgeving op.
Zintuigcellen noemen we ook wel receptoren omdat ze informatie opvangen.
Die signalen worden via de zenuwen naar de hersenen geleid.
Zenuwcellen worden ook wel conductoren genoemd omdat ze de informatie geleiden.
De hersenen reageren door het weer afgeven van impulsen.
In de schors van de hersenen wordt de informatie verwerkt.

Hoe zijn zenuwen en zenuwcellen gebouwd?

Axonen zijn voorzien van een laag myeline, De myeline is een isolator die voorkomt dat axonen de impulsen van elkaar storen.
De myelinelaag is niet overal even dicht.
Op sommige plaatsen zit geen myeline.
Deze plaatsen noemen we knopen van Ranvier.
Het ontbreken van myeline zorgt ervoor dat impulsen sneller door het axon kunnen lopen.
De impulsen springen als het ware van knoop naar knoop en slaan de rest van het axon over.


Wat is dementie
Waar gaat het dan over bij dementie?
Dementie is een verzamelnaam voor een groep van ziekten met een vaste kern van verschijnselen. Het begrip dementie zegt niets over de ziekte of aandoening die de dementie veroorzaakt.
Wij spreken over 'een groep van ziekten', omdat er verschillende vormen zijn met verschillende oorzaken, die echter wel een aantal dingen gemeenschappelijk hebben: geheugenverlies, verlies van oriëntatie, moeilijkheden met denken en verandering van gedrag. We noemen dat de kernsymptomen.
Deze stoornissen staan niet los van elkaar, ze hangen met elkaar samen. Zo zijn er een aantal symptomen van dementie die rechtstreeks te maken hebben met het geheugenprobleem op zich. Als voorbeeld noemen we het zich niet meer herinneren van recente gebeurtenissen: wat heeft men gegeten, wie is er op bezoek geweest,…
Verder, en zeker even belangrijk doen er zich gedragsproblemen voor die veelal een oorzaak vinden in het omgaan van de dementerende persoon met de beperkingen die de geheugenproblemen met zich mee brengen. Hij heeft het gevoel dat er iets misgaat. Daaruit onstaat angst, onzekerheid, frustratie, onrust en verlies van een zekere waardigheid.
Bij iedere persoon die aan deze ziekte lijdt, zal de manier hoe de dementie zich manifesteert anders zijn omdat het ziek zijn gekleurd wordt door levensgeschiedenis, persoonlijkheid, sociale omgeving en het verloop van het ziekteproces. Elke dementerende persoon is dus uniek in zijn ziek zijn.

Dementie is afgeleid van het Latijnse de-mens, wat betekent: zonder geest zijn, ontgeestelijken. Bij het zien van dementerende personen, wordt echter al snel duidelijk dat het niet louter om achteruitgang van de verstandelijke vermogens gaat, maar dat er ook lichamelijke gevolgen zijn. In die zin is het woord 'dement' misleidend: het slaat niet alleen op stoornissen in de hersenen, het betreft de gehele persoon.

Sommige vormen zijn behandelbaar, zeker als de arts ze in een vroeg stadium ontdekt. Gedrag, dat veel op dementie lijkt, kan namelijk door allerlei lichamelijke problemen ontstaan, zoals door een verminderde hartwerking, stoornissen in de urinewegen, slechte voeding, afwijkingen van de schildklier maar ook door verkeerd geneesmiddelengebruik. Worden deze problemen verholpen, dan is vaak ook de 'dementie' genezen. Dus niet alle mensen die verward en vergeetachtig zijn, hoeven dement te zijn. In dat geval wordt gesproken van een ' 'amnestisch beeld' .

Naast de ziekte van Alzheimer, de meest voorkomende dementievorm, kunnen ook andere ziekten aan de basis liggen van het ziektebeeld. Maar ook lichamelijke en psycho-sociale oorzaken kunnen een rol spelen.


Kenmerken
Kenmerkende symptomen van dementie:
a) Stoornissen in het korte termijn geheugen :
De dementerende persoon onthoudt de recente gebeurtenissen en nieuwe indrukken niet meer. Men vergeet bijvoorbeeld wat men pas gegeten heeft, men vertelt of vraagt steeds opnieuw hetzelfde, men vergeet wat men aan het doen is of waarom men een bepaalde handeling stelt. Sommige dementerende personen gaan verscheidene keren per dag, naar de winkel om dezelfde boodschap te halen. Men raakt sneller de draad kwijt, men ‘verliest’ van alles en men vergeet afspraken.

b) Stoornissen in het lange termijn geheugen :
In een latere fase zal het geheugen verder worden aangetast. De dementerende persoon zal ook hinder ondervinden bij het zich herinneren van gebeurtenissen uit een recent verleden. Deze gaten in het levensgeheugen maken dat stelselmatig herinneringen verdwijnen. Nieuwe informatie gaat het snelst verloren, informatie die al heel lang in het geheugen zit, blijft langer intact (bv. oorlogsherinneringen, jeugdherinneringen). Belangrijke herinneringen met een grote emotionele waarde of een herkenbaar patroon blijven soms langer aanwezig maar zullen na verloop van tijd ook verdwijnen.

c) Desoriëntatie in tijd en ruimte:
Door de stoornissen in het geheugen gaan feiten en aanknopingspunten verloren. De dementerende persoon weet niet meer welke dag, welk jaar of welk seizoen het is. Hij vergeet of het ochtend of avond is. Deze desoriëntatie in tijd leidt vaak tot nachtelijke onrust, vaak een breekpunt voor de familie.
Wanneer iemand niet meer weet waar hij woont, waar hij nu is, waar de toiletten zich bevinden, dan spreekt men van 'desoriëntatie in ruimte of plaats'.
De dementerende persoon weet niet meer welke dag , welk jaar, welk seizoen, of het ochtend of avond is. Wanneer iemand niet meer weet waar hij woont, waar hij nu is, waar de w.c. in huis te vinden is, dan spreekt men van 'desoriëntatie in ruimte of plaats'.

d) Desoriëntatie in persoon:
In het verlengde van de desoriëntatie in tijd en ruimte, herkent de dementerende persoon voor hem bekende mensen niet meer. Deze stoornis treedt meestal op in een latere fase. Zo is het mogelijk dat hij bijvoorbeeld niet weet of de vrouw die voor hem staat zijn buurvrouw, nicht of echtgenote is. Sommige mensen herkennen hun eigen spiegelbeeld niet meer en kunnen dan bang worden voor degene die in de spiegel naar hen kijkt en daar zelfs agressief op reageren. In praktijk merken we dat dementerende personen ondanks het verlies aan feiten en herinneringen wel nog lang weten wie voor hen zal zorgen. Zij weten bij wie ze zich veilig voelen. Het is voor hen niet belangrijk wat de band is met de zorgende figuur of hoe die heet, wel van belang is dat die persoon aanwezig is.

e) Afasie :
Afasie is een taalstoornis: de dementerende persoon kan wat hij ziet of hoort niet meer benoemen. Iemand kan bijvoorbeeld nog wel de koelkast opendoen om er een frisse pint uit te halen, maar het woord ‘koelkast’ kan hij niet vinden. Anderen kunnen nog goede zinnen vormen, maar hebben er erg veel tijd voor nodig.
In een verder gevorderde fase worden bijna continu woorden gebruikt en in een eindstadium worden enkel nog klanken herhaald. Woorden worden niet correct begrepen.

We onderscheiden drie vormen van afasie:
- bij de ene vorm lukt het de cliënt niet om nog iets op de juiste manier te zeggen;
- bij de andere vorm volgt er een stroom van woorden die echter betekenisloos blijft;
- de derde vorm bestaat uit een gestoord taalbegrip.
Afasie kan overigens ook afzonderlijk optreden, bijvoorbeeld na een hersenbeschadiging of een hersenbloeding . De stoornissen doen zich niet alleen in de gesproken taal, maar ook in de geschreven taal voor.

f) Apraxie
Dit is de verminderde mogelijkheid om doelgerichte praktische handelingen te kunnen uitvoeren zoals bijvoorbeeld het snijden van vlees, zich aankleden, knopen dichtdoen, een schaar gebruiken…

g) Agnosie
Dit is een stoornis in het identificeren van voorwerpen, geluiden, geuren e.d. Belangrijk hierbij is dat iemand wel goed kan zien, horen, ruiken en voelen, maar desondanks het waargenomene niet herkent. Zo kan iemand gas ruiken, maar de geur niet als die van gas herkennen waardoor de gaskraan niet wordt dichtgedraaid.

Opgelet: afasie, apraxie en agnosie komen niet noodzakelijk gelijktijdig voor.

Symptomen van de tweede orde
Stemmingswisselingen komen erg vaak voor. De dementerende persoon kan plots beginnen huilen en een half uur later erg vrolijk zijn. Dementie kan ook iemands gedrag veranderen. Vaak worden karaktertrekken door de ziekte versterkt. Bij sommige dementerende personen zien we de persoonlijkheid veranderen. Bij mensen die bijvoorbeeld eerder een gesloten leven leidden, merken we plots een merkwaardige openheid en ontremd zijn (vb. op seksueel vlak).
Woede, agressie, angst komen op de voorgrond. Soms merken we ook apathie, achterdocht (“ze hebben me bestolen”). Anderzijds merken we soms ook een grote verzamelwoede.
Het persevereren, het ogenschijnlijk zinloos woorden, zinsdelen, handelingen of eenvoudige bewegingen herhalen komt ook soms voor. Soms heeft de dementerende last van hallucinaties en ziet of hoort hij dingen die er niet zijn: andere personen die hem kwaad willen doen, dieren in de tuin die er niet zitten enz.
Decorumverlies of het vergeten van fatsoensnormen is soms erg confronterend voor de omgeving van de dementerende persoon, zeker als men zich plots begint uit te kleden of ongepast gedrag toont zoals bv. vloeken.

Vormen van dementie
Er bestaan een 30-tal verschillende soorten dementie. De belangrijkste zijn dementie van het Alzheimertype en multi-infarctdementie. Andere mogelijke oorzaken die minder voorkomen, zijn tumoren, infecties (bv. ziekte van Creuztfeldt-Jacob), hersentrauma's, intoxicaties, stofwisselingsstoornissen, ondergaan van narcose.

OORZAKEN – vormen van dementie
¨ 55% : de ziekte van Alzheimer
¨ 10% : MID of Multi-infarctdementie
¨ 15% : mengvormen van de ziekte van Alzheimer – Multi-infarctdementie
¨ 15% : andere vormen van dementie:
Corticale dementie:
- frontale kwabdementie (o.a. ziekte van Pick)
- dementie van het Lewy Body type
- ziekte van Creutzfeldt-Jacob

Subcorticale dementie (secundaire dementies)
- ziekte van Parkinson
- Multiple sclerose
- AIDS dementie
- NPH normal pressure hydrocephalus

5% van de gevallen: lichamelijke of psychosociale oorzaken. Het is belangrijk deze te onderkennen omdat zij, in aanvang, vaak nog reversibel zijn.

Onder lichamelijke en psychosociale oorzaken verstaan we:

Lichamelijke oorzaken Psychosociale oorzaken
- Vergiftigingen ten gevolge van alcoholmisbruik.
- Medicijnen
- Slecht opgevolgde diabetes
- Koolmonoxide
- Ziektes als longontsteking, blaasontsteking
- Hersenziektes zoals een hersentumor, C.V.A . - Opname in een ziekenhuis
- Verandering van omgeving (verhuis)
- Verlies van de partner
- Institutionalisering

De Ziekte van Alzheimer
Tussen de 50 en 60 procent van alle dementerende personen lijdt aan de ziekte van Alzheimer, een degeneratieve ziekte die langzaam en geleidelijk hersencellen vernietigt. De ziekte is genoemd naar Aloïs Alzheimer, een Duitse neuroloog, die in 1907 voor het eerst de symptomen en de neuropathologische verschijnselen beschreef van deze ziekte, zoals plaques en tangles : kluwens van eiwitten in de hersenen.

Het belangrijkste kenmerk ervan is stoornissen van het recente geheugen. In vroege stadia lijkt dit soms nog op verstrooidheid zoals bijvoorbeeld het niet meer terugvinden van voorwerpen of vragen herhalen. In de daaropvolgende stadia neemt het geheugen verder af en worden belangrijker zaken vergeten: gemaakte afspraken, het afzetten van het gasfornuis. Eenvoudige handelingen zoals het zich aankleden, telefoneren, een deur openen met de sleutel worden na verloop van tijd steeds moeilijker. Het benoemen van voorwerpen, het herkennen van vroeger bekende personen lukt ook minder goed.

Uiteindelijk evolueert de persoon tot een volledige desintegratie van zijn persoonlijkheid waarbij autonoom handelen onmogelijk wordt en de afhankelijkheid van anderen sterk toeneemt. In terminale stadia is hij/zij bedlegerig, incontinent , hypertoon . Het overlijden is meestal het gevolg van secundaire oorzaken, zoals slikpneumonie, cachexie , decubitus met veralgemeende infectie. Het beloop en de duur van de aandoening zijn echter zeer wisselend van persoon tot persoon.

Diagnose

De definitieve diagnose, is het microscopisch onderzoek van de hersenen na het overlijden van de patiënt of na het nemen van hersenbiopten . Zo kan het zijn dat mensen die tijdens het leven de diagnose AD meekregen, uiteindelijk geen AD hadden, zelfs na strikte toepassing van de klinische criteria. Ook het omgekeerde kan voorkomen; sommige patiënten krijgen een andere diagnose mee, maar blijken bij nader inzien wel AD te hebben.
De veranderingen in de hersenen van patiënten met AD zijn niet specifiek voor AD, maar komen ook bij andere aandoeningen voor en zelfs bij normale veroudering. Dit maakt de interpretatie uiteraard niet makkelijker. Kenmerkend zijn neerslagen van ‘onoplosbare’ fibrillen ; het zijn de intracellulaire " neurofibrillaire tangles" en de extracellulair gelegen "seniele plaques" die een grote hoeveelheid amyloïd proteïne bevatten. Dit amyloid proteïne wordt ook meer verspreid in kleinere neerslagen aangetroffen. Naast deze neerslagen vindt men ook een verlies aan zenuwcellen in verschillende delen van de hersenen. Deze letsels schijnen in de loop van het ziekteproces eerst de mediale delen van de temporale kwab te treffen, die cruciaal zijn voor het geheugen. Daarna worden de associatieve velden van de hersenschors aangetroffen waardoor de andere cognitieve stoornissen (m.n. stoornissen in praxie, spraak, herkennen, abstractie en organisatie) ontstaan. Bovendien is er een verlies van cellen in hersenkernen die acetylcholine produceren, een neurotransmittor die het geheugen ondersteunt. Farmaca die het acetylcholine in de hersenen doen toenemen door een remming van de afbraak ervan, worden momenteel gebruikt in de behandeling van AD (bv. Aricept®, Exelon® en Reminyl®).

Risicofactoren

De belangrijkste risicofactor voor het krijgen van AD is de leeftijd: hoe ouder men wordt, hoe groter de kans op dementie. Boven de leeftijd van 65 jaar zouden 5 à 10% van de mensen lijden aan AD, terwijl dit boven de 85 jaar toeneemt tot boven de 25%. Vrouwen hebben een grotere kans op dementie. Genetische factoren spelen een rol, vermits het hebben van een dementerend familielid de kans op het zelf ontwikkelen van AD duidelijk doet toenemen. Daarnaast zijn er ook enkele familiale vormen van AD waar de ziekte autosomaal dominant wordt overgeërfd. Andere mogelijke risicofactoren, waarvan sommige nog ter discussie, zijn o.a. schedeltrauma, cardiovasculaire belasting.

Multi-infarct dementie
Dementieverschijnselen

Net zoals voor de ziekte van Alzheimer gaat multi-infarct dementie gepaard met geheugenverlies, communicatiemoeilijkheden, uitgesproken stemmingswisselingen, depressie en hallucinaties .
Multi-infarct dementie is verschillend van de ziekte van Alzheimer. Kenmerkend is:
- een plots begin van het dementiesyndroom
- een sprongsgewijze achteruitgang
- een onregelmatig verval van het geestelijk vermogen, afhankelijk van de plaats waar de infarcten de hersenen beschadigen.

Multi-infarct dementie wordt veroorzaakt door verschillende aandoeningen van de bloedvaten. MID komt voor bij 10 tot 15% van de dementerende personen. Bij nog eens 10 tot 15% is de aanleiding een combinatie van multi-infarct dementie met de ziekte van Alzheimer.
Multi-infarct dementie kan het gevolg zijn van één of meerdere infarcten. Een infarct is een plotselinge verstoring van de doorbloeding van het hersenweefsel met het uitvallen van een deel van de hersenwerking tot gevolg. Dit treedt op wanneer een bloedvat in de hersenen afgesloten geraakt waardoor de hersencellen te weinig zuurstof krijgen en afsterven.
Een afsluiting kan worden veroorzaakt door een stolsel dat vastzit aan de binnenwand van een bloedvat ( trombose ) of door een bloedstolsel dat met de bloedstroom wordt meegevoerd en in een hersenbloedvat blijft hangen ( embolie ). Vasculaire beschadiging door een reeks kleine infarcten in de hersenen kunnen leiden tot dementie door het verlies van hersencellen. Het is niet uitgesloten dat vasculaire aandoeningen de ontwikkeling van ziekte van Alzheimer bewerkstelligen.

Hersenbeschadigingen kunnen ook worden veroorzaakt door het scheuren van een bloedvaatje (hierdoor ontstaat een hersenbloeding ) of door vernauwingen van bloedvaatjes in het binnenste gedeelte van de hersenen (de witte stof). Een groot herseninfarct of hersenbloeding, ook cerebrovasculair accident (CVA) genoemd, kan, afhankelijk van het gedeelte van de hersenen dat beschadigd wordt, leiden tot verlamming, spraakstoornissen, gevoelsstoornissen of blindheid.
De oorzaak van Multi-infarct dementie is verbonden met risicofactoren voor infarcten zoals hoge bloeddruk, hartstoornissen of suikerziekte.

Hoe kan je multi-infarctdementie voorkomen?
De richtlijnen die algemeen gelden voor het voorkomen van hart- en vaatziekten zullen ook een positief effect hebben op het voorkomen van herseninfarcten en de dementiesyndromen die daarmee gepaard gaan.
Omdat multi-infarct dementie vermoedelijk vaak een gemengde vorm is met de ziekte van Alzheimer kunnen geneesmiddelen die de denkprocessen beschermen, worden voorgeschreven. De reeds aanwezige dementieverschijnselen verbeteren niet, maar men kan de toestand tijdelijk stabiliseren.

Corticale dementievormen

De frontale kwab-dementie
De frontale kwab-dementie werd in het begin van de jaren tachtig beschreven. Dit type dementie wordt gekenmerkt door persoonlijkheidsveranderingen, gedragsstoornissen en problemen in de 'uitvoerende' functies, zoals plannen maken, de situatie overzien en overeenkomsten en verschillen kunnen aanbrengen. Deze problemen worden vooral in weinig gestructureerde omstandigheden opgemerkt. In tegenstelling tot het beeld bij de ziekte van Alzheimer staan geheugenproblemen bij patiënten met frontale-kwabdementie niet op de voorgrond, zeker niet in het begin. Het gaat om een afwijking in de hogere sturing van het gedrag: de patiënt gedraagt zich anders dan gepast zou zijn in een bepaalde sociale omgeving. Dit kan leiden tot bijvoorbeeld seksuele ontremming of niet bij de persoon passende gedragswijzigingen. De frontale-kwabdementie zou, vergeleken met de ziekte van Alzheimer, wat vaker familiaal voorkomen: in ongeveer de helft van de gevallen is sprake van een positieve familie- anamnese .

De Lewy Body ziekte
Lewy body is een ziekte die het gevolg is van een opeenstapeling van een aantal abnormale eiwitvormen, Lewy lichaampjes , in de hersencellen. De lichaampjes verspreiden zich over de verschillende delen van de hersenen. De symptomen lopen gelijk met die van de Alzheimer ziekte, maar onderscheidt zich vooral doordat de dementerende persoon aan waanvoorstellingen, hallucinaties en paranoia lijdt. Deze verschijnselen treden reeds bij het begin van de ziekte op de voorgrond.
Bij deze vorm van dementie kunnen ook traagheid in bewegingen en tremor (beven), samengaand met dezelfde cognitieve verschijnselen als bij de ziekte van Alzheimer.
Er wordt afgeraden om bij deze vorm van dementie neuroleptica te gebruiken.

De ziekte van Creutzfeld-Jacob
Bovine Spongiforme Encephalopathie (BSE) is een hersenziekte bij runderen, die waarschijnlijk veroorzaakt wordt door een eiwitachtig deeltje, een zogenaamd prion . De ziekteverwekker is dus geen bacterie of virus. De onrust rondom BSE ontstond nadat Britse wetenschappers een mogelijk verband suggereerden tussen BSE en de ziekte van Creutzfeld-Jacob (CJD) bij mensen. CJD veroorzaakt symptomen die lijken op die van BSE-koeien: hersenafwijkingen, bewegings- en gedragsstoornissen.
Er is nog geen sluitend wetenschappelijk bewijs voor een verband tussen BSE bij runderen en de ziekte van Creutzfeldt-Jacob bij mensen. Deze vorm van dementie is erg zeldzaam.

Subcorticale vormen van dementie (secundaire dementies)
Dementie ten gevolge van de ziekte van Parkinson
Dementie bij de ziekte van Parkinson wordt vooral gekenmerkt door afwijkingen in de houding en motoriek: hypokinesie , tremor en houdingsafwijkingen. Bij betrekkelijk veel Parkinson-patiënten komen ook cognitieve stoornissen voor, vaak in subtiele mate, maar in ongeveer een kwart van de patiënten zodanig dat kan worden gesproken van een dementiesyndroom. De dementie die voorkomt bij de ziekte van Parkinson heeft vooral ' subcorticale ' kenmerken. Op de voorgrond staat vooral mentale traagheid ( bradyfrenie ) en bemoeilijkt ophalen uit het geheugen. De ernst van de dementie correleert niet duidelijk met de ernst van de motorische verschijnselen. Wanneer sprake is van dementie, blijkt de levensverwachting van Parkinson-patiënten enigszins te zijn verminderd. Bij ongeveer 30% van de patiënten met de ziekte van Parkinson komen tevens verschijnselen van depressie voor.
Multiple sclerose
In Nederland is aangetoond dat MS de meest voorkomende neurologische aandoening is bij jonge volwassenen. Het voorkomen wordt geschat op 60 per 100.000 inwoners. De ziekte begint meestal tussen de leeftijd van 20 en 45 jaar en komt dubbel zoveel voor bij vrouwen als bij mannen. Cognitieve stoornissen komen bij 40 tot 65 % van de personen met MS voor en bestaan uit het moeilijk ophalen van gegevens uit het geheugen, cognitieve traagheid en moeilijke concentratie.
Aids-dementie
Bij een minderheid van de patiënten met AIDS (zo’n 15 tot 30%) ontwikkelt zich in de latere stadia een cognitieve stoornis die het gevolg is van een infectie van de hersenen door het HIV-virus. Naast de cognitieve stoornis is er ook sprake van een toenemende mate van onhandigheid. In het hersenvocht van personen met het aids-dementie complex vindt men in de helft van de gevallen één van de eiwitten van het HIV terug. Het AIDS-dementie complex komt zelden voor bij HIV-geïnfecteerden die AZT gebruiken.
NPH (normal pressure hydrocephalus)
NPH is een uitermate zeldzaam en moeilijk te diagnosticeren ziektebeeld. De mentale achteruitgang bij NPH is van het subcorticale type: traagheid van begrip en handelen, lusteloosheid en vergeetachtigheid staan op de voorgrond. Ook loopstoornissen (zeer kleine stapjes nemen) en incontinentie voor urine zijn kenmerkend. Bij een lumbale punctie merkt men een normale druk van het lumbale vocht.
De oorzaak van NPH is steeds een gestoorde circulatie van het cerebro-spinaal vocht, hetzij binnen het hersenkamersysteem, hetzij binnen de subarachnoïdale ruimte (verklaring: zie http://www.hersenletsel.net/overzicht/artikelen/hersenen.htm)
De behandeling is enkel chirurgisch. Deze berust op het maken van een rechtstreekse verbinding ( een shunt) van de hersenkamers met de buitenwereld (tijdelijk, een z.g. externe drain) of met een andere lichaamsholte (permanent). Gedurende vele jaren zijn hiervoor alle mogelijke holten gebruikt, maar het meest gebruikelijk zijn tegenwoordig de afleidingen naar de buikholte of naar het hart via een ader in de hals.
Ziekte van Huntington
De ziekte van Huntington, genoemd naar George Huntington die het klinische beeld in 1872 voor het eerst beschreef, is een aandoening gekarakteriseerd door chorea (woord afgeleid van het Grieks: wijst op de dansende bewegingen die deze mensen maken) en mentale stoornissen, uiteindelijk leidend tot dementie.
De ziekte kan op vrijwel iedere leeftijd beginnen, maar meestal ontstaan de eerste tekenen van chorea en mentale achteruitgang rond de leeftijd van 40-45 jaar.
Het is een erfelijke vorm van dementie ( autosomaal dominant) en sinds enkele jaren is diagnose, voorafgaand aan de geboorte, mogelijk.


ZIEKTE VAN PICK : SPECIFIEKE VERSCHIJNSELEN

A. Vleugels

De meest voorkomende vorm van dementie is de ziekte van Alzheimer. In 60 tot 70 procent van de gevallen is dit de oorzaak van de dementie. De meeste mensen kennen dementie dan ook in deze vorm. Daarnaast zijn er ook vormen van dementie, ongeveer 10 tot 15 procent, die worden veroorzaakt door vaataandoeningen in de hersenen. Dit wordt aangeduid met de term vasculaire dementie.

Daarnaast zijn er nog tal van andere oorzaken, soms zeer zeldzaam, voor het optreden van dementie. Eén van die oorzaken is de ziekte van Pick. De ziekte van Pick wordt ook wel frontaalkwab-dementie of fronto-temporale dementie genoemd. Bij deze vormen van dementie is vooral het voorste deel van de hersenen (de frontaalkwab) beschadigd. In de frontaalkwab komt alle informatie binnen, worden keuzes gemaakt, wordt de besluitvorming geregeld, worden plannen gemaakt en gecoördineerd.

Eén van de meest opvallende kenmerken van de ziekte van Pick is dat deze al op relatief jonge leeftijd voorkomt. Het merendeel van de patiënten is tussen de veertig en zestig jaar. Door de jonge leeftijd van de dementerende is het vaak niet gemakkelijk te ontdekken dat dementie in het spel is.

Bij de meeste patiënten die lijden aan de ziekte van Pick treden pas later de, voor de ziekte van Alzheimer en andere vormen van dementie kenmerkende, verschijnselen zoals geheugenproblemen en taalstoornissen op. De eerste verschijnselen van de ziekte van Pick uiten zich daarentegen meestal in veranderingen in gedrag en persoonlijkheid.
Sommige van de hieronder besproken verschijnselen zijn algemeen en komen bij bijna alle patiënten voor, andere zijn specifiek voor enkele patiënten.

Planning en inzicht
Kenmerkend voor patiënten met fronto-temporale dementie is dat het vermogen tot plannen en organiseren is verminderd. Het wordt steeds moeilijker voor de patiënt een complexe handeling uit te voeren of een taak tot een goed einde te brengen. Als gevolg hiervan kunnen problemen ontstaan bij het functioneren op het werk of thuis.
Een ander kenmerk is het verminderde oordeelsvermogen : de patiënt kan geen verband meer leggen tussen oorzaak en gevolg. Hij heeft moeite om zijn eigen situatie in te schatten en kan het effect van zijn eigen gedrag niet beoordelen. Hij geeft bijvoorbeeld veel geld uit, maar heeft geen benul van de financiële gevolgen hiervan voor het gezin.

Impulsief en onaangepast gedrag
De dementerende is vaak erg impulsief. Het lijkt alsof hij controle mist over zijn denken en doen; hij is stuurloos. Voorbeelden van impulsief gedrag zijn roekeloosheid in het verkeer, grof taalgebruik en ronddwalen buitenshuis. Ook kan het zijn dat de patiënt antipathie toont tegenover mensen uit zijn omgeving; hij doet onfatsoenlijk tegen mensen met wie hij niet overweg kan.
De combinatie van een verminderd oordeelsvermogen en impulsiviteit kan aanleiding geven tot sociaal onaangepast gedrag. De dementerende beleeft zichzelf als 'enige op de wereld'. Hij maakt ongepaste opmerkingen of begint bijvoorbeeld hard te lachen op een begrafenis. De patiënt verliest zijn sociale gevoel; houdt geen rekening met anderen. Hij gedraagt zich egocentrisch, kinderlijk.

Ontremming bij eten, drinken en seksueel gedrag
In het eet- en rookpatroon en soms in het seksuele gedrag van de patiënt kan ongeremdheid naar voren komen. De dementerende eet vlug, hij schrokt het eten naar binnen. Hij eet veel en zijn smaak kan veranderen, vaak met voorkeur voor zoetigheid; dit kan leiden tot een toename in gewicht. Soms is er ook een toename in alcoholconsumptie.
Wat betreft seksueel gedrag komt het soms voor dat de patiënt geen remmingen meer vertoont. Het verlies aan normen en waarden doet zich ook hier gelden. Hij bespreekt bijvoorbeeld seksuele onderwerpen met vreemden of verlangt van zijn partner drie keer per dag geslachtsgemeenschap te hebben. Overigens blijken patiënten veel vaker geen belangstelling meer te hebben voor intieme omgang met hun partner. Zij kunnen geen rekening meer houden met de gevoelens van hun partner. Ze worden onverschilliger in hun relatie.

Dwanghandelingen
Zoals gezegd is een patiënt met de ziekte van Pick vaak stuurloos; de controle over zichzelf is verminderd of verdwenen. Dit kan leiden tot zogenaamd dwangmatig gedrag. Het dagelijks leven moet volgens een vast patroon lopen. Dit geeft de dementerende een gevoel van veiligheid. Orde en regelmaat zijn erg belangrijk, de patiënt wil bijvoorbeeld elke dag op hetzelfde tijdstip eten, en dan ook geen minuut later! Hij begint op dat tijdstip te eten, ook al is het nog niet gaar.
Ook komt het vaak voor dat de patiënt blijft hangen in een bepaalde activiteit, hij valt steeds in herhaling (persevereren). Hij maakt bijvoorbeeld steeds dezelfde tekening, wast continu zijn handen of tikt urenlang met zijn vingers tegen de verwarming aan. Dit lijkt de dementerende een gevoel van rust te geven.

Persoonlijkheidsveranderingen
Vaak gaat de ziekte van Pick gepaard met persoonlijkheidsveranderingen. Deze kunnen twee in elkaar overgaande vormen aannemen : een ontremde, drukke vorm en een apathische, initiatiefloze vorm. Dit betekent dat de patiënt heel extravert (open) kan zijn of juist erg in zichzelf gekeerd. Hij is soms erg rusteloos, maar kan ook apathisch (onverschillig, sociaal teruggetrokken) zijn. Hij toont vaak geen interesse meer in zijn kinderen, naaste familieleden of bekenden. Hij heeft soms geen zelfbeheersing meer, wat kan leiden tot ruziënd of stokend gedrag. De dementerende is bovendien vaak erg ongeduldig, en kan door zijn veranderde gedrag erg egocentrisch overkomen.

Taalproblemen
Over het algemeen ontstaan in een gevorderd stadium van de ziekte taalproblemen. Deze zijn soms echter ook al in een vroeger stadium te zien. Er is een duidelijke afname van de woordproductie; dit betekent dat de patiënt steeds hetzelfde woord gaat gebruiken om allerlei verschillende dingen aan te duiden. Hij heeft ook moeite om losse woorden te ordenen tot een zin, hij maakt kortere zinnen en kan vaak moeilijk loskomen van een onderwerp. Hij praat mensen na (herhaalt wat er gezegd is) en gebruikt de taal niet meer als communicatiemiddel. Pick-patiënten gebruiken vaak hetzelfde woord om verschillende dingen aan te duiden of herhalen wat iemand anders zegt. Mensen met de ziekte van Alzheimer gebruiken eerder verkeerde woorden, of brabbelen.
Hoewel de Pick-patiënt moeite heeft zelf zinnen te vormen, begrijpt hij vaak nog wel wat gezegd wordt. Ook geschreven taal levert doorgaans geen problemen op. Dit in tegenstelling tot bij de ziekte van Alzheimer. Hoe verder de dementie vordert, hoe minder de patiënt gaat praten. Soms gaat de dementerende geluiden produceren. In het laatste stadium praat de patiënt meestal helemaal niet meer. Deze taalproblemen maken het moeilijk om met een patiënt in contact te komen. Hierdoor kan de dementerende in een isolement raken.

Geheugenproblemen
Aanvankelijk staan geheugenproblemen bij de ziekte van Pick niet op de voorgrond; het geheugen blijft bij de meeste patiënten nog lange tijd behouden. Pas als de ziekte ver is voortgeschreden, wordt ook het geheugen aangetast. Nog lang herkent de dementerende personen. In het eindstadium echter niet meer, ook de partner niet.
Ook ruimtelijke vaardigheid, zoals het vinden van de weg in een bekende omgeving, en het besef van tijd blijven vaak nog lang intact. Dit in tegenstelling tot andere vormen van dementie, zoals de ziekte van Alzheimer.

Het verloop

Fasen in dementie
Het voorstadium
Dementie begint met vergeetachtigheid. In de voorfase is het echter nog niet zeker of de betreffende persoon inderdaad zal dementeren. Vooral het uitvoeren van redelijk ingewikkelde taken zoals koken, huishoudelijke klussen, een feest organiseren, lukt niet echt meer. Men laat hier en daar steken vallen, maar men wil dit nog niet toegeven. We spreken vaak over camouflage-gedrag. Hij zal snel de –voor hem- moeilijke vragen weglachen of een excuus verzinnen. Vaak merken we in dit voorstadium gevoelens van ontkenning, rouw, verdriet en irritatie. We beginnen pas over dementie te spreken als er duidelijke stoornissen zijn in het sociaal functioneren.

Merkt iemand zelf dat hij dement wordt?
Ja, in de beginfase van het dementeringsproces merkt de dementerende persoon dat hij regelmatig vergeet. Vaak is hij daar verdrietig om. Er kunnen rouwgevoelens (bijvoorbeeld ‘ik heb geen probleem, met mij is er niet veel aan de hand’ tot gevoelens van agressie en intens verdriet) omwille van het verlies van de verstandelijke vermogens voorkomen, vooral bij de ziekte van Alzheimer. Later in het ziekteproces lijkt het ziektebesef verloren te gaan. Bij multi-infarct dementie is de dementerende persoon langer bewust van zijn achteruitgang. Ook hier merken we veel onzekerheid, angst, verdriet en opstandigheid.

Beginnende dementie
In deze fase kan de dementerende persoon niet verder leven zonder de steun van anderen. Hij heeft voor de meeste handelingen in het dagelijks leven begeleiding nodig. Vergeten wordt meer regel dan uitzondering en vaak wordt de dementerende persoon geconfronteerd met de omgeving die ‘anders’ denkt over de realiteit. Dit kan leiden tot ernstige conflicten. Het zijn de anderen die de schuldigen zijn voor alles wat er misloopt. In deze fase zien we ook dat de dementerende angstig wordt en houvast zoekt. Deze basisveiligheid zoekt men in voorwerpen (bv. een stok of handtas), situaties (herkenbare zaken van vroeger), personen (bv. de eigen kinderen) of rituelen (het belang van elke dag ongeveer op dezelfde manier te laten verlopen, slaaprituelen,…). Het gevoel zal het verstand gaan overheersen. Daardoor zal de dementerende persoon vaak erg impulsief reageren.

Milde of matige dementie
Het opslaan of onthouden van bepaalde informatie lukt nu helemaal niet meer. De dementerende persoon zal zich dan ook afsluiten van de informatie die hij binnenkrijgt: hij wordt apatisch en zal steeds minder uit zichzelf activiteiten gaan uitvoeren. Hij heeft steeds meer zorg nodig.
De persoon gaat steeds verder terug in zijn herinneringen. Ook pijnlijke ervaringen komen terug naar boven: onverwerkt verlies, diep-psychologische thema’s dus. Voor de vervulling van zijn behoeften is hij meer en meer op anderen aangewezen. Heden en verleden lopen door elkaar. Het wordt voor de dementerende persoon onmogelijk om zich een beeld te vormen van de werkelijkheid. Het is aan zijn omgeving om in zijn realiteit binnen te gaan en van daaruit contact te zoeken.

Ernstige of diepe dementie
In deze fase ligt het accent op verpleging en verzorging bieden. We merken dat de dementerende persoon volledig in zichzelf is gekeerd. Alles draait nu rond de primaire fysische behoeften: eten en drinken, rust, geborgenheid, warmte, veiligheid. In contact komen met de ernstig dementerende persoon lukt het best vanuit het vervullen van hun behoeften: eten geven, warmte beiden, nabijheid,… Het is belangrijk dat we de tijd geven aan de dementerende persoon om aan onze aanwezigheid te wennen. Rustige en trage bewegingen zijn essentieel.

Is dementie erfelijk?
In bepaalde families zie je dementie vaker voorkomen dan bij anderen. Moeten wij er dan ook vanuit gaan dat het dementiesyndroom erfelijk is? Hoewel niet helemaal onterecht, is de angst van familieleden vaak wat overdreven. Slechts heel zelden is dementie dominant erfelijk. De kans daarop is groter in families waar de ziekte vaak op jonge leeftijd voorkomt, zeg maar onder de leeftijd van 65 jaar. In dergelijke dominante families heeft elk kind van een demente patiënt ongeveer 1 kans op 2 om zelf ook ziek te worden. Als er in je familie echter af en toe dementie opduikt die op latere leeftijd begint (meestal de ziekte van Alzheimer), is je risico om zelf dement te worden enkel wat verhoogd.
Uit wetenschappelijk onderzoek blijkt dat bij de zeer zeldzame dominant erfelijke vormen van de ziekte van Alzheimer genen op de chromosomen 1, 14 en 21 betrokken zijn. Ook frontale kwab dementie en de ziekte van Creutzfeldt-Jakob zijn in zeldzame gevallen dominant erfelijk en worden dan soms verward met dominante Alzheimer dementie. Deze erfelijke niet-Alzheimer dementies kunnen veroorzaakt worden door gendefecten op chromosoom 17 (erfelijke frontale kwab dementie) en 20 (erfelijke ziekte van Creutzfeldt-Jakob). Een fout in één van deze genen kan aanleiding geven tot de vorming van een abnormaal eiwit dat de functie van de cel verstoort.
Als dementie vaak voorkomt binnen één familie is er een vermoeden dat erfelijke factoren een rol zouden kunnen spelen. In dat geval raden wij u zeker aan uw huisarts te raadplegen. Wanneer die duidelijke aanwijzingen vindt dat de dementie zo mogelijk een erfelijke oorzaak heeft, kan hij doorverwijzen naar een centrum voor menselijke erfelijkheid.


Dementie - Verwardheid - Depressie
Bij dementie of bij het vermoeden ervan is een vroege diagnose belangrijk. Zo kunnen zowel de dementerende persoon zelf als de familie tijdig de ernst van de situatie inschatten en gepaste maatregelen nemen.

De vroege vaststelling is niet gemakkelijk omdat het onderscheid met normale verouderingsprocessen niet altijd duidelijk is. Ook een aantal aandoeningen zoals gehoorproblemen of depressie vertonen symptomen die sterk lijken op die van dementie. Het is belangrijk deze eerst via medische en psychologische onderzoeken trachten uit te sluiten.

De diagnose 'dementie' kan enkel gesteld worden door een arts (huisarts, geriater, psychiater, neuroloog of internist). Hiervoor bestaan zowel psychologische als klinische onderzoeken. Dementie van het Alzheimertype kan slechts met zekerheid vastgesteld worden door een hersenbiopsie of door een autopsie van de hersenen na de dood. Vormen die het gevolg zijn van infarcten of infectieziekten kunnen met grotere zekerheid vastgesteld worden.
Dementie wordt vaak verward met goedaardige vergeetachtigheid waarbij de betrokkene onbelangrijke details vergeet en nog weet dat hij vergeet en zich daarvoor excuseert.
Ook depressie en acute verwardheid worden vaak met dementie verward.

Hieronder vind je de verschillen op een rij.

Dementie Acute verwardheid Depressie
Begin meestal onduidelijk moeilijk te achterhalen vrij plots dikwijls duidelijk aantoonbaar
Verloop geleidelijk erger verwisselend binnen dezelfde dag, verergering naar de avond toe soms snel, de verschijnselen zijn nog niet lang aanwezig
Bewustzijn meestal goed, de patiënt is wakker, niet slaperig gestoord helder
Aandacht de persoon dwaalt soms af met zijn gedachten en beseft dit zelf niet gestoord, snel afgeleid goed, kan wisselen
Geheugen algemene geheugenmoeilijkheden kan tijdelijk gestoord zijn, zich het gebeurde niet herinneren meestal goed maar erg vertraagd
Overige cogniteive functies stoornissen in taal, in doelgericht handelen, in herkenning kunnen globaal gestoord zijn meestal goed behouden, prestaties kunnen wisselend zijn
Emotionele beleving labiel, soms snel wisselend zeer wisselend sombere, gedrukte stemming
Ziektegevoel en ziekte-inzicht meestal afwezig, de patiënt klaagt meestal niet vaak aanwezig duidelijk aanwezig, de persoon klaagt over de verschijnselen
Lichamelijke verschijnselen staan zelden op de voorgrond frequent typische verschijnselen
Oorzaak onderscheid tussen primaire (Alzheimer) en secundaire (Multi-infarct) dementie zeer verscheiden, psychologisch, sociaal, lichamelijk zeer verscheiden, psychologisch, sociaal, lichamelijk
Prognose primaire dementie: onomkeerbaar; secundaire dementie: (deels) behandelbaar behandelbaar behandelbaar


DEEL 5: DE ZORG

5.1: Lichaamsverzorging
Dagelijkse hygiëne

Laat de dementerende persoon zelf doen wat hij zelf nog kan. Het is mogelijk dat hij bepaalde voorwerpen niet meer herkent. Misschien moet je hem zelf de zeep aanduiden. Wanneer de dementerende persoon zich niet wil laten wassen, wacht dan even en probeer het later nog eens opnieuw. Het geeft een aangenaam gevoel als je voorverwarmde handdoeken en ondergoed gebruikt.

Een bad geven

Dementerende personen hebben vaak schrik van water. Laat het water daarom lopen als de persoon er niet bij is. Controleer de temperatuur van het badwater en zorg voor een aangename temperatuur in de badkamer. Doe het bad niet te vol maar zorg toch voor meer dan een bodempje water. Het helpt om mensen minder snel kou te laten krijgen.

Ook schaamte zich naakt te tonen kan een rol spelen. Leg ook in bad een handdoek over de persoon.

Om vallen te voorkomen gebruik je best antislip onder alle matten en kan je antislipbloemen kleven in bad of douche.

Gebruik babyzeep of glycerine- of sunlightzeep. Vermijd badschuim omdat het de huid uitdroogt. Badolie of natuurlijke producten als lavendel (avond) en rozemarijn (ochtend) zijn aan te bevelen. Aantrekkelijke geuren en geliefkoosde washandjes en handdoeken kunnen het baden aangenamer maken.

Als de dementerende persoon jouw hulp niet accepteert, kan je misschien een thuisverpleegkundige inschakelen.

Het toilet gebruiken

Bij een te laag toilet kan je een toiletverhoog plaatsen. Dat vergemakkelijkt zitten en rechtkomen. Verschillende maten zijn beschikbaar.
Wanneer het toilet te ver van de slaapkamer verwijderd is, kan je een toiletstoel op de kamer plaatsen.

Het haar wassen

Dementerende personen vinden haar wassen vaak bedreigd wanneer ze over een wastafel moeten vooroverbuigen of als er water in hun gezicht komt. Zorg daarom voor een goede zithouding en gebruik bij voorkeur een haarwasbak die je achter de persoon plaatst zodat die op een vertrouwde stoel kan blijven zitten. Gebruik bij voorkeur een kindershampoo. De hoofdhuid masseren heeft een kalmerend effect.

De huid verzorgen

Verzorg alle huidplooien, vooral die liesplooi, de buikplooien, de streek onder de borsten, de knieholte en de huid tussen tenen en vingers. Spoel de huid na het wassen goed af. Zeepresten en vocht kunnen schimmels en wondjes doen ontstaan.
Pevaryl® is goed om de huidplooien droog te houden. Het is verkrijgbaar als spray, melk of crème. Op doktersvoorschrift is het heel wat goedkoper.

Voor een rode geïrriteerde huid kan je Eosine® gebruiken. Dat heeft een opdrogend effect.
Dermalex®, Dermalotion® of uiercrème is goed voor de droge huid. Uiercrème met kamille heeft een kalmerend effect.

Bij schimmelinfectie kan je zelf een oplossing maken of één deel azijn en twee delen water. Dit dep je op de schimmel. Azijn gaat schimmeluitbreiding tegen.

Mond en tanden verzorgen

Heeft de dementerende een kunstgebit, zorg er dan voor dat hij het dagelijks gebruikt. Poets het dagelijks met tandpasta en laat het regelmatig nakijken.
Om de mond te reinigen kan je muntwater gebruiken. Dat koop je in de apotheek of maak je zelf met muntbladeren en kokend water. Je drenkt een doekje in het muntwater en legt het rond een spateltje dat je in de mond brengt. Als er scheurtjes in de mond zijn, kan je nadien glycerine gebruiken. Dat voedt het mondslijmvlies. Bij bedlegerige mensen kan je de mond reinigen met glycerinestaafjes met citroensmaak.

Ogen en oren verzorgen

Om de dementerende persoon voor een aantal activiteiten te stimuleren zijn een goed zicht en een goed gehoor belangrijk. Laat regelmatig de oren op proppen controleren door een arts. Nazicht van een bril of hoorapparaat dient minstens jaarlijks te gebeuren.

Vanaf de leeftijd van 60 jaar hebben je ogen vier keer meer licht nodig om goed te zien. Zorg dus voor optimale verlichting. Je kan ook hulpmiddelen gebruiken zoals een leeslineaal of een vergrootglas met draagkoord.

Voeten en schoenen

Een pedicure die tweemaandelijks de voeten verzorgt, is geen luxe maar eerder een noodzaak. Toon wondjes aan de voet, hoe klein ook, aan de huisarts. Bij pijnlijke voeten gaat de dementerende persoon spontaan deze pijnlijke plek vermijden waardoor hij het evenwicht verliest en valt. Zorg voor degelijke schoenen of gesloten pantoffels. Lederen schoenen zijn niet aan te bevelen voor incontinente mensen.

Doorligwonden voorkomen en verzorgen

Doorligwonden ontstaan op plaatsen waarop voortdurend druk wordt uitgeoefend zoals de stuit, de hielen en de ellebogen. Het zijn pijnlijke wonden die langzaam genezen. Het is dus belangrijk ze te voorkomen. Wissel de dementerende daarom regelmatig van houding. Zorg voor een eiwitrijke voeding zoals vlees, vis, melk en peulvruchten. Verzorg de huid goed door na het wassen goed af te drogen en te controleren op roodheid. Wanneer je een crème gebruikt, wrijf je die in tot hij in de huid is ingedrongen.

Er bestaan speciale matrassen die kunnen helpen om doorligwonden te voorkomen. Een alternerende matras of luchtmatras ligt boven op een gewone matras en is verbonden met een motor die afwisselend de luchtbanen opblaast en neerlaat. Er bestaan ook luchtkussens waarbij de luchtkamertjes opgepompt worden, zoals het Roho-kussen. Deze zijn goed maar duur. Het Spenco-kussen is gevuld met een siliconenvulling. Een watermatras is een soort rubberen zak die met water gevuld wordt. Een vezelmatras ligt bovenop de gewone matras en is gevuld met holle vezels die hun natuurlijke vorm altijd opnieuw aannemen. Hiel- en elleboogbeschermers zijn voorgevormde kussentjes om hielen of ellebogen te beschermen.

Aan- en uitkleden

In de beginfase kan de persoon nog zelf kiezen wat hij aantrekt. Laat hem zijn keuze. Kies kledij met eenvoudige sluitingen, bv. velcrosluiting in plaats van kleine knoopjes. De fijne motoriek neemt immers geleidelijk af.

Als zelfstandig aankleden niet meer lukt, kan je de kleren uitgevouwen klaarleggen in de juiste volgorde. Beperk het aantal kleren om verwarring te vermijden. Kleren die moeten gewassen worden, neem je best onmiddellijk weg.

5.2: Voeding

Verandering in smaak, geur en voedingsbehoeften

Dementerende personen verbruiken zeer veel calorieën, vooral in perioden van onrust. Onrust laat op de avond of 's nachts kan voortkomen uit honger. Voor het slapengaan nog een glas warme melk en een boterham geven, kan voor een goede nachtrust zorgen.

Met het ouder worden verandert de smaakwaarneming. Ouderen kunnen moeilijk zout en zoet waarnemen. Daarom kiezen ze vaak extra zoete en extra pittige voeding.

Bij de ziekte van Alzheimer is de reuk één van de eerst verstoorde functies.

Adviezen bij het opdienen van eten

Een ontspannen en rustige sfeer is belangrijk. Kies voor gemakkelijk (af)wasbare tafelkleden, vloerkleden en slabben.

Laat de dementerende persoon vóór het eten naar het toilet te gaan. Een volle blaas zorgt immers voor onrust.

Neem een veilige en stabiele stoel en schuif die goed aan. Zorg dat het voedsel in het gezichtsveld van de dementerende persoon ligt. Herkenbaarheid van het voedsel en een mooie presentatie zetten gemakkelijker aan tot eten. Wacht daarom zo lang mogelijk om over te gaan op gemixte voeding.

Kauwproblemen

Op een bepaald ogenblik weet een dementerende persoon niet meer hoe hij moet kauwen. Maal daarom vlees voldoende fijn en kook groenten goed gaar. Geef brood zonder korsten met een zacht beleg. Je kan ook af en toe kiezen voor yoghurt of pap. Kies voor zacht fruit zoals banaan, kiwi, aardbei of een rijpe peer.

Slikproblemen

Voor wie zich gemakkelijk verslikt, kies je best fruitsap, thee, karnemelk of melk, soep of thee in plaats van water. Gemalen voedsel kan aangewezen zijn. Het moet wel voldoende vocht bevatten om het doorslikken te vergemakkelijken. Droge voeding zoals beschuiten kan je beter vermijden.

Vochtbehoefte en tips bij het drinken

Per dag is anderhalve liter water drinken een algemene regel. Breng structuur aan in de momenten om te drinken, bv. om de twee uur. Gebruik glazen met een brede bodem die niet tot de rand gevuld zijn. Een beker met een drinktuitje is vaak een handig hulpmiddel.

Toezicht op hoeveelheid en keuze van voeding

Dementerende personen gaan niet meer bewust om met wat en hoeveel ze eten. Vaak vergeten ze ook dat ze hebben gegeten en blijven om eten vragen. Houd de voedselinname onder controle en zorg voor gevarieerde voeding. Bij een eenzijdige voeding vraag je de arts best of voedingssupplementen noodzakelijk zijn.

Hulpmiddelen bij eten en drinken

Een bordrand, aangepast bestek, warmwaterbord, beker, antislip en een aangepast tafelkleed kunnen een goede hulp bieden. Kies een antislip in een contrasterende kleur met de borden zodat de bordrand goed opvalt.

Voedsel weigeren

Soms weigert de dementerende personen alle voedsel. Een beetje suiker of zoetstof toevoegen kan helpen omdat veel dementerende personen van een zoete smaak houden. Kijk de mond ook na op wondjes en blaasjes.

5.3: Incontinentie

Nut van vaste schema's

Mensen die zich niet meer zo vlot verplaatsen, komen dikwijls te laat bij het toilet. Kies daarom vaste tijdstippen om naar het toilet te gaan, bv. elke twee uur en zeker vóór het eten en vóór het slapen gaan.

De herkenbaarheid verhoogt wanneer je de deur van het toilet in fel contrast met de muur schildert of een bordje hangt met 'WC' of 'toilet', liefst in een rode kleur. Hangt het toiletpapier op een goed zichtbare plaats.

Incontinentiemateriaal

Er zijn inlegluiers en broekluiers. Inlegluiers, gedragen in een netbroekje, zijn aan te bevelen voor mensen die zelf nog naar het toilet kunnen gaan. Broekluiers zijn voorzien van kleefstrips. Vervang het verband regelmatig en kies voor degelijke kwaliteit om huidinfecties te voorkomen.

Voor mannen met druppelincontinentie bestaat een eenvoudig verband dat rond de penis bevestigd wordt.

In een zetel of bed kan je aanvullend beschermende onderleggers gebruiken. Vraag in de mediotheek of thuiszorgwinkel monsters om het meest geschikte materiaal te kunnen testen en informeer naar eventuele financiële voordelen.

Obstipatie vermijden

Laat de dementerende persoon voldoende drinken, bv. water, thee, koffie, bouillon, melk of fruitsap.
Zorg voor regelmatige lichaamsbeweging en een gevarieerde gezonde voeding. Geef een glas lauw water op de nuchtere maag. Gebruik nooit laxeermiddelen.

5.4: Veiligheid in en om het huis

Een onveiligheidsgevoel geeft vaak aanleiding tot agressief gedrag.
Volgende tips kunnen helpen om een gevoel van veiligheid te creëren.

Veiligheid in huis

• Vermijd matten als de dementerende persoon een looprek of rolwagen gebruikt.

• Zorg voor goede verlichting, vooral in de slaapkamer, keuken, badkamer, toilet en trap.

• Breng de postbus aan op ongeveer 70 cm hoogte zodat de dementerende persoon zich niet te diep moet bukken.

• Hang onderaan de trap een foto die de aandacht van de dementerende persoon trekt en op die manier de angst om de trap af te gaan, vermindert.

• Plaats geen voorwerpen op de treden.

• Plaats een degelijke trapleuning, liefst langs beide zijden.

• Geef alles een vaste plaats in huis en kies voor de dagelijks noodzakelijke voorwerpen een goed bereikbare plaats.

• Neem spiegels weg als ze de dementerende persoon angst inboezemen.

• Zorg voor tafels zonder scherpe hoeken.

• Kies makkelijk te reinigen zetels.

• Let op met apparaten in de keuken. Een dementerende persoon vergeet vaak hoe een apparaat werkt of dat de gaskraan moet dichtgedraaid worden. Elektrische kookplaten hebben het nadeel dat je niet ziet dat ze branden. Vergeten afzetten van de platen kan brandwonden tot gevolg hebben. Het verwarmde vlak van keramische kookplaten is goed zichtbaar maar sommige dementerenden schrikken van de hevig rode kleur.

• Kies voor steelpannen. Ze liggen steviger in de hand en er blijft één hand vrij. Een frietketel is af te raden.

• Laat geen scherpe voorwerpen liggen.

• Regel de temperatuur van het water zodat het warm maar niet heet is.

• Verwijder elektrische toestellen uit de badkamer.

• Voorzie een bed op goede hoogte en tracht hoeken aan het bed af te ronden.

• Richt het nachtlampje naar de grond zodat de pantoffels of een mat goed zichtbaar zijn.

Veiligheid in de tuin en de onmiddellijke omgeving

• Leg regenputten dicht en scherm vijvers af.

• Berg tuingereedschap op en bewaar ladders in afgesloten ruimten.

• Sluit de tuin af en voorzie een bel aan het tuinhek.

• Laat de dementerende persoon altijd een kaartje dragen met naam, adres en telefoon.

Algemene tips en voorzorgen

• Probeer vallen te voorkomen door losliggende tapijten van antislip te voorzien, kapotte traproeden te herstellen, wankel meubilair vast te zetten en losliggende snoeren of draden vast te maken. Dementie heeft immers verminderde coördinatie en een vertraagde reactiesnelheid tot gevolg zodat dementerende personen gemakkelijker vallen. Ook gladde schoenzolen en lange kledij vormen extra risico's.

• Laat de elektriciteitsinstallatie nakijken op aarding, verliesstroomschakelaar en automatische zekeringen.


• Houd toezicht op het gebruik van geneesmiddelen. Geef een dementerende persoon enkel de medicatie per dagdeel en bewaar de rest buiten zijn bereik.

• Berg gevaarlijke producten zoals schoonmaakproducten, waspoeder, onkruidverdelger en spuitbussen op in een afgesloten kast. Koop flessen met kindveilige doppen.


• Vermijd grendels langs de binnenzijde van deuren en maak sloten van binnendeuren onbruikbaar zodat de dementerende persoon zichzelf niet kan opsluiten. Bewaar dubbels van de sleutels en geef er ook één aan familieleden of buren. Sluit kamers die niet gebruikt worden af. Vergrendel de kelderdeur.

• Vermijd ramen tot tegen de grond. Ramen op de bovenverdieping zijn pas veilig als ze enkel in kipstand open kunnen.

DEEL 5: ZORGEN VOOR …

6.1: Grenzen aan Thuiszorg
Geen enkele thuiszorgsituatie is gelijk en toch wordt er graag en vaak vergeleken met anderen. De keuze om een dementerende persoon al dan niet thuis te verzorgen kent vele aspecten die voor de ruime omgeving niet altijd duidelijk zijn, maar voor de direct betrokkenen des te meer. In gesprekken over grenzen aan thuiszorg moeten we steeds voor ogen houden dat de eigen mening verband houdt met de eigen situatie of de rol die je binnen een zorgproces opneemt. Anderen kunnen bijgevolg anders denken en beslissen. Het is in alle omstandigheden belangrijk om respect te tonen voor de, vaak moeilijke, beslissingen van anderen.

Heel wat zorgprocessen bereiken een punt waarop de haalbaarheid, wenselijkheid en het al dan niet verantwoord zijn van de thuiszorg in vraag gesteld worden.

Vanuit het Expertisecentrum Dementie West-Vlaanderen Foton ontstond het boek: "Keuzewijzer, tussen thuiszorg en residentiële zorg" van Bart Deltour (1999).

Keuzeprocessen zijn nooit eenvoudig omdat beloftes, principes, emoties, tegenstrijdige meningen en negatieve ervaringen van anderen onbewust een rol gaan spelen. Deze elementen kunnen een beslissing in een bepaalde richting sturen waar niemand zich nog goed bij voelt.

Zowel bij de familieleden als bij de professionele hulpverleners is grenzen aan thuiszorg een emotioneel geladen problematiek en heeft men de neiging om in zwart-wit termen te spreken over thuiszorg en residentiële zorg.

Daarom het boek Keuzewijzer. Het doel is een individueel en gezamenlijk bewustwordingsproces op gang te brengen en te ondersteunen voor iedereen die bij de problematiek betrokken is. Aan de hand van checklists kan men aanstippen welke elementen meespelen in de concrete situatie. Er wordt stilgestaan bij 4 aspecten: de feiten, de mogelijkheden of alternatieven, de motieven en gevoelens die meespelen en het afwegen van onderliggende waarden. In de bijhorende handleiding worden de nodige instructies gegeven voor het gebruik van het boek. Er is tevens een hoofdstuk opgenomen i.v.m. de vragen die men bij een verkennend contact met een rusthuis kan stellen.

6.2: Mantelzorg aan dementerende personen
In het boek "Als je thuis zorgt voor een chronisch ziek familielid" van Nele Spruytte, Chantal Van Audenhove en Frans Lammertyn (2000) gaan de onderzoekers dieper in op de huidige tendensen in de mantelzorg aan dementerende personen.

Enkele belangrijke vaststellingen vinden wij hierin terug:

Hoewel de mantelzorg stoelt op 'vrijwillige bereidheid' zijn er een aantal tendensen te onderkennen. De zorg voor dementerende personen komt nagenoeg volledig bij de partner en de kinderen te liggen, en dan voornamelijk bij de (schoon)dochters. Inwonen bij de dementerende of in de omgeving wonen, verhoogt de kans om centrale mantelzorger te worden.

Mantelzorgers voor dementerende personen zijn - zo blijkt uit dit onderzoek - in hoofdzaak vrouwen. Mannen en vrouwen zouden de zorgtaken ook kwalitatief anders aanpakken. Bij vrouwen gebeurt het zorgen vanuit een verbondenheid waardoor ze eerder emotionele steun bieden, terwijl bij mannen het accent op taakgericht werken ligt.

In vele Europese landen is het ontwikkelen van nieuwe initiatieven in de thuiszorg voor ouderen een prioritair beleidsthema.

In Vlaanderen zag men de ontwikkeling van tussenvormen zoals serviceflats en dagverzorgingscentra, een herdefiniëring van de toelatingscriteria voor de residentiële voorzieningen en de uitvaardiging van het thuiszorgdecreet.

Mantelzorg wordt beschouwd als een onmisbare schakel in de opvang van dementerende personen. De inbreng van mantelzorgers in de thuiszorg overschrijdt sterk de bijdrage van professionele hulpverleners.

De onheilspellende prognoses als zou de toekomstige beschikbaarheid en bereidwilligheid van de mantelzorgers gevoelig dalen, worden tegengesproken door het onderzoek van de Boer et al. (1994). Zij stelt dat de wil om de zorg op te nemen voornamelijk rust in persoonlijke en daardoor onvoorspelbare omstandigheden. Feit is dat er historisch gezien nog nooit zo veel en zo lang zorg verleend werd aan ouderen (Dooghe, 1994).

6.3: Rouw en verlies bij familieleden van dementerende personen

Een proces van dementie kan een mens emotioneel heel diep raken. Dat geldt ook voor de naaste familie en in het bijzonder voor de partner en de kinderen. Het dementeren van een familielid betekent voor de directe omgeving steeds een verliessituatie: het verlies van een "gezonde" partner, van een "gezonde" ouder. De ander wordt meer en meer geestelijk onbereikbaar. Dit wordt des te scherper aangevoeld wanneer de patiënt een uitgesproken persoonlijkheidsverandering ondergaat, wanneer een echt diepgaand gesprek niet langer mogelijk is of wanneer hij/zij (in een ver gevorderd stadium van de ziekte) de naaste familieleden niet meer herkent.

Het dementeringsproces is eigenlijk een aanhoudende opeenstapeling van verschillende soorten van verlies: verlies van het vertrouwde gedragspatroon van de naaste, verlies van decorum bij de dementerende, verlies van het vertrouwde rolpatroon, verlies van wederkerigheid, van onderlinge steun, verstoring van het evenwicht binnen een familie, verlies van sociale contacten, verlies van een gezamenlijke thuissituatie bij opname van de dementerende, en uiteindelijk verlies van de persoon bij overlijden.

Verlies aanvaarden gebeurt niet meteen. Daar is meestal veel tijd voor nodig. Het proces van afscheid nemen waar partner en kind doorheen moeten, is te vergelijken met een rouwproces en verloopt volgens dezelfde fasen. Hier gaat het enerzijds om een rouwen over het verlies van de gezondheid van de partner of de ouder, anderzijds om een rouwen over de dood die in het vooruitzicht wordt gesteld. Dit verwerkingsproces dat voorkomt vóór het verlies van een geliefde persoon wordt in de literatuur vaak anticiperende rouw genoemd. Deze term op zich duidt op een specifiek rouwproces. Maar men anticipeert niet alleen op het definitieve verlies; men rouwt NU en TELKENS OPNIEUW. Misschien kunnen we dan ook beter spreken van een chronische rouw of beter nog van een rouw ten gevolge van een chronische ziekte.
Vele elementen van dit rouwen blijken dezelfde te zijn als bij de normale rouw na een overlijden. Toch zijn er een aantal duidelijke verschillen. De partner of ouder is hier nog in leven en beschikt dikwijls nog over een goede lichamelijke conditie. Soms is de dementerende zelfs erg mobiel, levendig en opgewekt. Dit staat dan ver af van het beeld van de somatisch zieke en bedlegerige bejaarde. Een ander belangrijk verschil is dat men hier door anderen niet wordt beschouwd als iemand die rouwt. Veelal vindt men geen steun en begrip in de omgeving. Verder gebeurt het verlies niet plots. Men merkt zeer geleidelijk de verminderde mogelijkheden van de bejaarde.

Uit ervaringsgegevens weet men dat de duur van de "normale" rouw na een overlijden ongeveer één jaar bedraagt. Het 'anticiperend' rouwen daarentegen kan verschillende jaren duren.

Iedereen beleeft het verlies op een andere manier, mede afhankelijk van:
• de aard van de relatie die men had met de dementerende
• soort persoon die men verliest
• vader/moeder, partner, zus,...
• aard van de familiebanden
• moment in de levensloop
• ernst van de ziekte
• ernst en frequentie van gedrags- en stemmingsproblemen

Typische kenmerken van het rouwen.

Het rouwproces kent een cyclisch verloop, van crisis naar crisis, met sterk wisselende gevoelens van ontkenning, verdriet, agressie, schuld en berusting.

Niet alle elementen hieronder beschreven, zullen bij één persoon aanwezig zijn. Bepaalde kenmerken zullen bij de ene rouwende erg op de voorgrond treden, terwijl ze bij een ander slechts in mindere mate voorkomen. Iedereen doorleeft een eigen rouwreactie. Toch worden enkele typische belevingsreacties weergegeven, die kunnen worden opgedeeld in drie fasen.

Ontkenning, vermijding

Het familielid gedraagt zich alsof de dementerende persoon niet lijdt aan dementie. Men kan en wil het niet onder ogen zien en vaak zal men een afstandelijke houding aannemen. Men zet zich af tegen de diagnose van de arts en een bezoek aan moeder/vader wordt uitgesteld. Men stelt zich op alsof men te doen heeft met iemand die nog over al zijn mentale mogelijkheden beschikt. Van de dementerende wordt dan ook een "gezond" gedrag geëist. Men roept de dementerende tot de orde en wijst hem/haar op de onverantwoordelijkheid of op de vreemdheid van het gedrag. Soms kan dit voor de dementerende persoon een extra belasting betekenen. Het voortdurend wijzen op de tekortkomingen confronteren de dementerende met zijn/haar aftakeling. Hij/zij wordt dan ook meestal onrustig of droevig.

Deze ontkenning bij familieleden mag niet worden aanzien als onverschilligheid, maar kan worden gezien als een zich afschermen tegen te intense pijnlijke gevoelens, als een bescherming tegen het verdriet en de machteloosheid. Deze fase geeft het individu de tijd om dingen op een rijtje te zetten vooraleer het verlies ten volle wordt ervaren.
Ontkenning treedt vooral op in het begin van het dementeringsproces. Wanneer de dementie vordert, wordt het volhouden van deze ontkenning vanzelfsprekend minder en minder haalbaar. Toch blijft bij sommige familieleden de ontkenning erg lang bestaan of duikt ze geregeld terug op.


Confronterende fase

In deze fase is het leed het meest intens. De ontkenning neemt af en emoties zoals angst, woede, schuld, eenzaamheid, diep verdriet, pijn, depressie... volgen.

• Gevoelens van machteloosheid en verdriet
Men voelt een diepe wanhoop, een immens verdriet. Dit gaat soms gepaard met slaapstoornissen en een gebrek aan eetlust. Er kunnen ook lichamelijke verschijnselen optreden: hoofdpijn, hartkloppingen, een gevoel van beklemming in de borststreek,... Gevoelens van ontkenning en depressie, van hoop en wanhoop, kunnen elkaar geregeld afwisselen.

• Schaamtegevoelens
Gevoelens van schaamte werken vaak erg isolerend. Sommige mensen sluiten zich volledig af van de buitenwereld. Niemand mag weten wat er aan de hand is en ze hebben de neiging hun ziek familielid te verbergen voor anderen.
• Schuldgevoelens
Gevoelens van schuld zijn meestal aanwezig. Men is ervan overtuigd dat de arts er te laat is bijgeroepen en dat men niet tijdig de ernst van de ziekte heeft ingezien. De rouwende voelt zich schuldig over ruzies die men in het verleden met de bejaarde heeft gehad, op het moment dat die laatste wellicht reeds ziek was. Het familielid heeft het gevoel dat hij nooit genoeg voor de zieke heeft gedaan, en dat hij ook nu nog steeds tekort schiet. Men verwijt zichzelf dat men niet meer geduld heeft opgebracht.

Het spreekt voor zich dat deze schuldgevoelens het omgaan met de dementerende persoon in grote mate kunnen beïnvloeden. Sommigen zullen zoveel mogelijk in de plaats van de patiënt gaan doen. Er is dan een overbetrokkenheid. Dit kan aanleiding geven tot ernstige conflicten, zeker in het stadium van een beginnende dementie, waarbij de dementerende zich overdreven "bemoederd" of geïnfantiliseerd voelt. Soms kunnen de acties die de zorgdrager vanuit zijn schuldgevoelens onderneemt, de therapeutische inspanningen van professionele hulpverleners (vb. werken aan zelfstandigheid e.d.) bemoeilijken.

• Schuldgevoelens hebben ook vaak een verlammende uitwerking. Ze maken het moeilijk de juiste beslissingen te nemen. De huidige situatie kan niet realistisch worden ingeschat omdat er teveel wordt gekeken naar de gemaakte fouten en naar situaties waarin men tekort geschoten is. Men wil vanalles goedmaken, terwijl men aan het einde van zijn krachten is.

• Het is heel gewoon dat personen die zich nauw verbonden voelen met de dementerende vroeg of laat schuldgevoelens krijgen. Het geeft aan dat men het familielid graag ziet.

• Agressieve gevoelens, opstandigheid
De agressie van de familieleden, die onder meer kan voortkomen uit de onvermijdelijke gevoelens van machteloosheid, kan zich richten naar zichzelf, maar soms ook naar de huisarts of naar andere professionele hulpverleners. Dit kan zich dan uiten in allerlei opmerkingen omtrent de behandeling en de verzorging.

Ook tegenover de dementerende zelf kunnen agressieve gevoelens optreden. De patiënt kan immers beleefd worden als verantwoordelijk voor de pijnlijke situatie waarin men zich nu bevindt. Dergelijke bij zichzelf waargenomen agressieve gevoelens kunnen op hun beurt aanleiding geven tot ernstige schuldgevoelens.
Het is belangrijk als familielid, vriend of hulpverlener deze opstandigheid te erkennen als een normaal onderdeel van een rouwproces.

• Angstgevoelens
De naaste familie van de dementerende kent vele angsten: separatieangst, angst voor verdere dementering, angst voor het onbekende, angst voor erfelijkheid, angst voor agressie,...

Samengaand met de psychologische kenmerken, kunnen in deze fase verschillende fysiologische symptomen optreden, zoals verminderde energie, verminderde eetlust, maag- en darmklachten, slapeloosheid, vermoeidheid, hartkloppingen, duizeligheid, hoofdpijn, rusteloosheid, kortademigheid...

Aanvaarding, herstel

Na verloop van tijd komen vele familieleden tot een zekere vorm van acceptatie of aanvaarding van de toestand. Dit betekent dat men het bestaan van de ziekte, met alle beperkingen die erbij horen, onder ogen ziet zonder daarom in diepe wanhoop te verzinken. Gevoelens van pijn en verdriet zullen aanwezig blijven, maar de schuldgevoelens en agressie spelen een minder grote rol. Aanvaarding betekent ook dat men zowel voor de patiënt als voor zichzelf de meest haalbare oplossing kan kiezen. Men kan dan rekening houden met het welzijn van de patiënt en met de eigen draagkracht bij de keuze van de verschillende alternatieven: zelf de zorg volledig op zich nemen, ondersteuning door professionele hulp in de thuissituatie, opname in een RVT,...

Aanvaarding betekent ook dat de familie de dementerende heeft leren accepteren als een veranderende persoon, een persoon die niet meer dezelfde is als voorheen. En deze persoon heeft in zijn anders-zijn toch een plaats gekregen in hun wereld. De dementerende blijft een belangrijke rol spelen in het emotionele leven van de familie.
Niet iedereen komt even snel tot een zekere acceptatie. Een volledige aanvaarding wordt, zolang de dementerende leeft, wellicht door niemand bereikt. Sommigen zullen het verlies echter pas aanvaarden wanneer ze, na het overlijden van het familielid, het rouwproces volledig hebben doorgemaakt. Maar ook bij een goede aanvaarding kunnen elementen van het anticiperend rouwen zich opnieuw manifesteren, bijvoorbeeld bij een plotse versnelling in het aftakelingsproces.

Besluit

Er is nood aan herkenning en erkenning van dit rouwproces. Familieleden kunnen steun vinden bij lotgenoten (die zij bijvoorbeeld kunnen ontmoeten in een praatgroep van de Alzheimer Liga of in het praatcafé dementie), bij professionelen en ervaringsdeskundigen.
Ons inziens lijkt het daadwerkelijk rouwen essentieel om tot een nieuwe relatie, een nieuwe verbinding te komen. Doorheen het rouwen komt men tot een zekere rust, tot een goed evenwicht tussen afstand en betrokkenheid. Dit lijkt ons noodzakelijk om tot een gezonde communicatie met de dementerende persoon te komen, om te komen tot een samenleven waarbij men er als familie niet onderdoor hoeft te gaan.

6.4: Thuis zorgen voor een dementerend familielid

Individuele verschillen

Door het ziekteproces verminderen de mogelijkheden van de dementerende persoon, verdwijnt de vertrouwde persoonlijkheid en verandert de relatie. Dementie beïnvloedt het ganse gezin. Iedere betrokkene voelt de invloed van de zorg voor de dementerende persoon echter anders. Dit komt onder meer omdat men in een andere fase van de verwerking en aanvaarding zit. Sommige kinderen bijvoorbeeld hebben al veel langer door dat moeder dement is terwijl anderen hier nog lang niet aan toe zijn. Het heeft ook te maken met karaktereigenschappen en met welke relatie men vroeger had met het dementerend familielid. Deze onderlinge verschillen zijn vaak oorzaak van veel misverstanden en conflicten.


Tegenstrijdige gevoelens

Mantelzorgers ervaren heel wat tegenstrijdige emoties. Enerzijds is er liefde en loyaliteit voor de dementerende persoon en de voldoening die men haalt uit het zorgdragen, anderzijds zijn er ook negatieve gevoelens vanuit een gebrek aan privacy en de frustratie omdat men geen controle hebt over wat er gebeurt. De balans tussen positieve en negatieve gevoelens hangt af van verschillende factoren: je voorgaande relatie met de dementerende persoon, de duur van de zorgperiode, de verschillende verantwoordelijkheden, de vooruitzichten, het begrip vanuit de omgeving en de tijd die men voor zichzelf durft te nemen.

Heel wat mantelzorgers proberen de negatieve gevoelens te onderdrukken omdat deze naar hun eigen aanvoelen niet aanvaardbaar zijn. Het is echter normaal dat waar mensen geconfronteerd worden met hun eigen grenzen, zij soms heimelijk de wens koesteren de zorg te kunnen stoppen, te kunnen doorgeven aan anderen of de dementerende persoon weg te willen. Het hebben van dergelijke gedachten gaat meestal gepaard met schuldgevoelens. In lotgenotencontacten merken we dat voornamelijk het delen van deze emoties, bevrijdend kan werken. Het idee dat zorgen iets vanzelfsprekend is, kan dan even worden weerlegd.

Toenemende belasting

De toenemende zorgbehoefte maakt dat de dementerende persoon steeds meer afhankelijk wordt van de omgeving, De druk op de centrale zorgdrager neemt toe. Het appèl dat op hem/haar wordt gedaan, gaat verder dan het zuivere verzorgingsaspect.

De partner van een ernstig dementerende man verwoordde de zorg als volgt:

"Mijn man is mijn kind geworden. Ik ben de hele dag bezig met het vervullen van zijn noden: zit hij goed, heeft hij het warm genoeg, heeft hij voldoende gegeten, neemt hij voldoende vocht,... daar waar wij vroeger onze levens samen leefden, leven wij nu het zijne."

De zorg voor een dementerende persoon brengt stress met zich mee

We onderscheiden verschillende vormen van stress:

Fysieke stress: Weinig slaap, veel extra werk in het zorgen voor de dementerende persoon maar ook binnen de andere rollen die men opneemt, minimaliseren van eigen lichamelijke klachten, ...

Psychische stress: Verantwoordelijkheid niet meer kunnen delen, beslissingen moeten nemen in de plaats van de dementerende persoon, onmacht en verdriet om de toenemende afhankelijkheid, onbegrip uit de omgeving, angst om de toekomst, schuldgevoelens,...

Sociale stress:Isolatie, druk van de omgeving om bepaalde beslissingen te nemen, onopgeloste conflicten tussen kinderen onderling of tussen ouders en kinderen kunnen terug aan de oppervlakte komen en leiden tot frustratie en woede...

Financiële stress: De zorg voor dementerende personen heeft zware financiële gevolgen zowel binnen de thuiszorg als binnen de (semi)residentiële zorg. Deze zijn vaak de oorzaak van onderhuidse spanningen of ruzies binnen de familie.

Voor mantelzorgers kunnen deze stress resulteren in gevoelens van angst, afkeer, verbittering en het stopzetten van de hulp.

Spanning tussen zorgen voor jezelf en zorgen voor de ander:

Door de toenemende belasting zal het succes van de thuiszorg voor een groot deel afhangen van een goed evenwicht tussen zorgdragen en het alledaagse leven: zorg voor de kinderen of kleinkinderen, privacy, contact met vrienden, even binnenspringen bij de buren, een vereniging, huishoudelijk werk of een carrière.

Waar men vroeger perfect in staat was om de verschillende aspecten van het eigen leven in evenwicht te houden, kan de dementie van een geliefde daar verandering in brengen. Dementie eist immers veel van de tijd en van de aandacht van de centrale mantelzorger. Meestal voelen mantelzorgers zich volledig in beslag genomen. Ze hebben nog maar weinig tijd voor zichzelf of voor kleine dingen, zoals een bezoekje brengen aan de kinderen of zelfs maar naar toilet gaan. Deze voortdurende claim gaat verder dan de fysische zorg.
Daar de taak van een mantelzorger zo stressvol is, is de tijd die ze voor zichzelf nemen noodzakelijk. Deze tijd kan gebruikt worden voor de kleine alledaagse dingen die blijven liggen of enkel om slaap in te halen. Zorgen voor jezelf als mantelzorger is minstens even belangrijk voor de dementerende persoon. Enkel als de mantelzorger zich goed blijft voelen, zal de dementerende zich geliefd en veilig weten. De noden van de mantelzorg zijn vaak rechtstreeks verbonden met de zorg aan de dementerende persoon. Zelfzorg kan voorkomen dat men psychisch en emotioneel verdrinkt. Het is absoluut noodzakelijk dat zorg wordt gedragen voor de eigen gezondheid en dat manieren worden gevonden om met de zorgsituatie om te gaan.

Zorg kunnen ontvangen. Zorg vragen:

Het lijkt soms alsof de dementerende persoon en zijn mantelzorger(s) samen op een sneltrein zitten die dreigt te ontsporen. De snelheid dient afgeremd te worden opdat de trein op de rails blijft. Dementerende personen in de thuissituatie hebben hulp nodig. Niet alleen van de centrale hulpverlener maar van een zorgend netwerk van mensen die elk op hun terrein een steentje bijdragen. De mantelzorger blijft de spreekbuis maar heeft nood aan bondgenoten om de zorg en de zorg om de zorg mee te delen. Mantelzorgers hebben met andere woorden nood aan anderen die mee de verantwoordelijkheid opnemen. Ze zoeken mensen die hen ondersteunen in de beslissingen die ze moeten maken, die meedenken over praktische problemen, die respect tonen voor de zorg, die onzekerheden wegnemen, die mogelijke oplossingen (bvb. hulpmiddelen) aanreiken en die hen wijzen op de noodzaak ook voor zichzelf te zorgen.

Er zijn heel wat mantelzorgers die ervoor kiezen om de zorg voor de dementerende persoon alleen te dragen. Ze wijzen elke vorm van hulp, ook die van andere familieleden en vrienden resoluut van de hand. Deze weigering van hulp kan heel wat oorzaken hebben: de mantelzorger beschouwt de hulp van anderen als inbreuk op zijn privacy, de dementerende laat hulp van buitenaf niet toe, mantelzorgers willen anderen niet belasten met de zorg of gaan er vanuit dat anderen de zorg niet zullen aankunnen.

Bij deze zorgdragende familieleden hebben hulpverleners vaak het gevoel dat ze op een muur botsen. De aangeboden hulp wordt afgewezen of beleefd naast hen neergelegd. Het is echter belangrijk voor zowel de dementerende persoon als de mantelzorger dat de omgeving blijft zoeken naar mogelijkheden om in contact te treden.

Isolatie

Praten over dementie is niet evident. Er zijn vaak misverstanden en reacties van onbegrip. Vaak hebben mantelzorgers het gevoel dat ze beter niet spreken over de moeilijkheden die ze ervaren. Isolatie is een vaak geuit probleem. Een aantal oorzaken spelen hier een rol:
De centrale mantelzorger wil de dementerende persoon niet verraden door de problemen met de zieke naar buiten de brengen. Ze vermijden gesprekken waarin gevraagd wordt naar de toestand van de zieke of vervallen in standaardantwoorden.

Een dementerende persoon heeft goede en slechte momenten. Als er bezoek komt lijken de dementerenden plots "normaal" te functioneren. Buitenstaanders hebben dan de indruk dat het allemaal nog meevalt. Ze verwijten de centrale mantelzorger te overdrijven en hechten geen geloof aan de moeilijkheden die door hem / haar worden gesignaleerd.

Het taboe rond dementie vormt een belemmering om moeilijkheden naar buiten te brengen en mensen uit te nodigen. Er is vaak een gebrek aan kennis over dementie, over de symptomen eigen aan de ziekte, over het verloop van dementeringsprocessen, over het omgaan met dementerende personen. Daardoor worden dementerenden vaak misbegrepen of als kinderen behandeld, wat kan lijden tot moeilijkheden die de mantelzorger kost wat kost wil voorkomen.

Voor kennissen en vrienden van een dementerende kan de confrontatie met een dementieproces te veel emoties oproepen waar ze niet mee omkunnen, waardoor dezen een gesprek over de dementerende vaak vermijden.

We zijn ervan overtuigd dat de draagkracht van zorgende familieleden versterkt wordt door ontmoetingen met mensen die weten wat dementie betekent, die oog hebben voor de dementerende persoon als individu en die ook blijven stilstaan bij moeilijkheden die door de mantelzorger ervaren worden.

6.5: Zoeken naar een geschikt rusthuis

Bij het voortschrijden van het dementieproces kunnen mantelzorgers zich op een bepaald moment genoodzaakt zien, om welke reden dan ook, de stap te zetten naar een residentiële zorgvoorziening. Het is een beslissing die zelden zomaar genomen wordt. Meestal wachten familieleden tot het echt niet anders kan. Vaak zijn ze de wanhoop en de uitputting nabij.
Bij de keuze van een rusthuis geldt in België het principe van keuzevrijheid. De praktijk leert ons echter dat de meerderheid van de toekomstige bewoners en/of hun familieleden nauwelijks stilstaan bij hun keuzemogelijkheden. Een keuze maken in verband met een nieuwe woon- en leefomgeving voor een dementerende persoon vraagt heel wat tijd en energie. Twee zaken die niet evident zijn in de zorg voor dementerende personen. Veel te vaak worden dergelijke beslissingen dan ook op de lange baan geschoven en wordt in crisis vlug vlug een keuze gemaakt. Niet zelden voelt men zich verplicht akkoord te gaan met het voorstel van een maatschappelijk werker of huisarts zonder de instelling en de geboden zorg te kennen.

Om crisisbeslissingen en onnodige ziekenhuisopnames te voorkomen pleiten wij ervoor om veel vroeger - op een moment dat opname nog niet aan de orde is - op zoek te gaan naar een mogelijke nieuwe thuis voor de dementerende persoon. Deze voorzorgsmaatregel hoeft geen voorbode te zijn voor opname, maar kan een antwoord zijn op de vraag 'wat als er mij iets overkomt'. In geval van crisis kan de zorg voor de dementerende persoon, al dan niet tijdelijk, overgedragen worden in een omgeving die uw voorkeur geniet. De naam van een dementerende persoon op een wachtlijst laten zetten, houdt geen enkele verplichting in. Men heeft het recht om aan te geven dat men de opname wenst uit te stellen tot een latere datum.
De zoektocht naar een geschikte thuis voor een geliefd persoon is een niet te onderschatten opdracht. Voor meer informatie is het raadzaam contact op te nemen met een maatschappelijk dienst of thuiszorgcentrum.

6.6: Familieleden betrokken bij een dementieproces

Dement worden betekent vroeg of laat zorg- en hulpbehoevend worden. De hulpvraag bereikt het eerst diegenen die het dichtst bij de dementerende persoon staan. De verantwoordelijkheid voor de dagelijkse zorg voor een dementerende persoon meestal blijkt meestal bij één persoon te liggen. Deze persoon wordt de centrale mantelzorger genoemd. Op het moment van de diagnose heeft de centrale mantelzorger, zeker als die in hetzelfde huis woont als de dementerende persoon, al heel wat taken overgenomen.

Andere familieleden, buren of vrienden die een rol gaan spelen in het zorgdragen voor de dementerende persoon worden de ruimere mantel of secundaire mantelzorgers genoemd. Mantelzorgers zijn enorm belangrijk voor de dementerende persoon. Zonder hen valt elke veiligheid weg en kan de dementerende persoon geheel ontredderd zijn. Weinigen echter zijn voorbereid op de grote verantwoordelijkheid, de vele extra taken en de zware emoties die zorgen voor een dementerende persoon inhouden. Om hen bij deze zware taak te helpen is voldoende en correcte informatie erg belangrijk. Met vragen over thuiszorg kan men terecht bij de maatschappelijke dienst van de mutualiteit of bij een thuiszorgcentrum uit de eigen regio. Zij beschikken over de adressen van hulpverlenende instanties uit de eigen regio. Voor praktische vragen betreffende thuiszorg kan men eveneens terecht bij de Werkgroep Thuisverzorgers vzw. (e-mail: werkgroep.thuisverzorgers@skynet.be) Zij geven de "Gids in de thuiszorg" uit, een handig boekje met veel bruikbare tips voor mantelzorgers. Daarnaast kan het helpen om de zorg in kaart te brengen: Wie doet wat, wie is betrokken bij de zorg, wat zijn de mogelijkheden en de beperkingen van de dementerende persoon. Het boek "24 op 24" van Johan Van Oers kan hierbij een handige hulp zijn.....

Werkstuk Duits Duitsland

Algemeen.

Duitsland , officieel: Bondsrepubliek Duitsland (Duits: Bundesrepublik Deutschland; afgekort: BRD), is een federale republiek in Midden-Europa. De totale oppervlakte is sinds de Duitse hereniging op 3 oktober 1990 356.970 km2, en Duitsland is daarmee na Rusland, de Oekraïne, Frankrijk, Spanje en Zweden qua omvang het zesde land van Europa. Duitsland is 8,7 maal zo groot als Nederland.
Duitsland ligt centraal op het Europese continent en grenst aan maar liefst negen landen: Denemarken (68 kilometer) in het noorden, Nederland (577 km), België (167 km), Luxemburg (135 km) en Frankrijk (451 km) in het westen, Zwitserland (334 ekm) en Oostenrijk (784 km) in het zuiden, en Tsjechië (646 km) en Polen (456 km) in het oosten. Ongeveer een derde van het tegenwoordige Duitse grondgebied wordt gevormd door de voormalige Deutsche Demokratische Republik (DDR).
Duitsland strekt zich geografisch uit van het waddeneiland Sylt in het noorden tot Oberstdorf in het zuidelijke Beieren, en van Görlitz in het oosten aan de Poolse grens tot het uiterste westen van Nordrhein-Westfalen. De langste afstand van noord naar zuid bedraagt 876 km en van het westen naar het oosten 640 kilometer. De grenzen van Duitsland hebben een gezamenlijke lengte van 3618 kilometer.
Grote eilanden zijn o.a. Rügen (930 km2), Usedom (Duitse gedeelte 373 km2), Fehmarn (185 km2), Sylt (99 km2), Borkum en Norderney.

Landschap

Duitsland bestaat uit drie grote geografische landschappen: vanuit het noorden verandert het landschap geleidelijk van vlak laagland via middelgebergte naar het hooggebergte van de Alpen.

Het Noord-Duitse laagland maakt onderdeel uit van het Oost-Europese laagland, dat zich uitstrekt van de Baltische staten, langs de kusten van Polen en Duitsland tot de noordelijke provincies van Nederland.
Het over het algemeen vruchtbare Noord-Duitse laaglandlandschap (0-200 meter) is gevormd in de ijstijden van het pleistoceen, heeft een zacht golvende bodem en is hier en daar geheel vlak. De noordelijkste bodemverheffing, ten zuiden van de Oostzee, wordt de Baltische landrug genoemd en is rijk aan meren en bossen. De tweede bodemverheffing ligt zuidelijker vanaf de Beneden-Elbe tot het Katzengebergte. Parallel met deze gebieden loopt ten noorden ervan een zacht golvend, lemig gebied en in het zuiden een brede strook onvruchtbare zandgrond, gedeeltelijke bedekt met heide (zoals o.a. de Lüneburger Heide). In dezelfde noord-zuid richting lopen enkele oerstroomdalen, 20 kilometer brede, vroeger uit veen bestaande stroken, die een gevolg van de ijstijd zijn. Dit waren vroeger de rivierbeddingen die het smeltwater van de ijskap afvoerden. Ze zijn nu slechts zichtbaar als iets lager liggende stroken in het landschap. Meer naar het zuiden dringt de Noordduitse Laagvlakte met diepe bochten het middelgebergte binnen, o.a. de Middenrijnse laagvlakte en de Saksische laagvlakte.

Het Duitse middelgebergte (200-1500 meter) vormt een natuurlijke scheiding tussen het noorden en het zuiden van de Bondsrepubliek en is geologisch een zeer gecompliceerd gebied. In het westen begint het bergland met een aantal ketens die door de Rijn vrijwel onder een rechte hoek worden doorsneden: Rijns Leisteengebergte, Eifel, Westerwald (tot 657 m hoog), overgaand in Rothaargebergte, Hunsrück en Taunus (hoogste punt: Grosse Feldberg 881 m), waarbij aansluiten de Vogelsberg (hoogste punt: Taufstein 772 m) en het Rhörgebergte (tot 950 m hoog). Verder naar het noorden ligt de Harz (hoogste punt: Brocken 1142 m), met ten westen daarvan het Weser Bergland en het Teutoburgerwoud (hoogste punt: Völmerstod 408 m) en ten noordoosten de Fläming. Ten oosten van de Rhön ligt het Thüringer Woud (hoogste punt: Grosser Beerberg 982 m) en ten zuidoosten daarvan vormt het Fichtelgebergte een knooppunt met het Ertsgebergte naar het noordoosten, het Oberpfalzerwoud-Bohemerwoud naar het zuidoosten en de Fränkische Alb naar het zuidwesten. De Fränkische Alb vormt geologisch één geheel met de Schwäbische Alb en beiden worden ten zuiden begrensd door de Donau.
In het hele middelgebergtegebied hebben rivieren diepe dalen uitgesneden in de bergketens. De Rijn is hierboven al genoemd en verder zijn nog te noemen de Main, de Moezel en de Neckar. De meeste dorpen en steden zijn in deze rivierdalen gebouwd en de hellingen zijn zeer geschikt voor wijnbouw.

De Alpen is een jonger gebergte dan de middelgebergten in Duitsland. Hierdoor zijn de toppen van de Alpen spitser dan die van b.v. het Zwarte Woud of het Erz-gebergte.
Ten zuiden van de Donau gaat het middelgebergte langzaam over in de Alpen. Het land stijgt daar geleidelijk en gaat over in het morenegebied van de Voor-Alpen, met een gemiddelde hoogte van 500 meter, een bosrijke omgeving met zowel heuvels als veel meren. In het uiterste zuiden ligt het vrij kleine Duitse aandeel in de Alpen dat tevens de grens vormt met Oostenrijk, de zogenaamde Kalkalpen.
Van west naar oost liggen hier de Allgäuer Alpen (hoogste punt: Nebelhorn 2224 meter), de Ammergauer Bergen, de Berchtesgadener Alpen (hoogste punt: Watzmann 2713 meter) en als hoogste het steile Wettersteingebergte met als hoogste punt van Duitsland de Zugspitze (2962 meter).

Hoogste bergen van Duitsland:

Zugspitze 2962 meter
(Wettersteingebirge)
Hochwanner 2746 meter
(Wettersteingebirge)
Höllentalspitze 2745 meter
(Wettersteingebirge)
Watzmann 2713 meter
(Berchtesgadener Alpen)
Plattspitze 2679 meter
(Wettersteingebirge)
Hochfrottspitze 2649 meter
(Allgäuer Alpen)
Mädelegabel 2645 meter
(Allgäuer Alpen)
Dreitorspitze 2633 meter
(Wettersteingebirge)
Alpspitze 2628 meter
(Wettersteingebirge)
Hochkalter 2607 meter
(Berchtesgadener Alpen)

Rivieren, kanalen en meren
Duitsland kent enkele zelfstandige, van noord naar zuid stromende rivierstelsels waarvan de voornaamste de Elbe (1112 kilometer; 700 kilometer in Duitsland), de Weser en de Rijn (865 kilometer in Duitsland) zijn. Deze rivieren stromen naar de Noordzee, de Donau (2842 km waarvan 686 km in Duitsland) mondt uit in de Zwarte Zee. De Weser (440 km) is de enige van genoemde rivieren die in zijn geheel door Duits grondgebied stroomt.
Andere belangrijke rivieren zijn de Oder, met de zijrivier de Neisse, de Ems, de Isar, de Neckar, de Ruhr, de Spree (382 km), de Lahn en de Moezel en de Main (524 km), zijrivieren van de Rijn.

Langste rivieren van Duitsland:

lengte waarvan bevaarbaar
Rijn 865 km 778 km
Elbe 700 km 700 km
Donau 647 km 387 km
Main 524 km 384 km
Weser 440 km 440 km
Eems 371 km 238 km
Neckar 367 km 201 km
Havel 343 km 243 km
Moesel 242 km 242 km
Elde 208 km 180 km
Oder 162 km 162 km

Bijna alle rivieren zijn genormaliseerd en door van west naar oost lopende kanalen onderling verbonden. De voor de scheepvaart belangrijke kanalen zijn: het Mittellandkanal (321 km), het Dortmund-Ems-Kanal (269 km), het Nord-Ostsee-Kanal, het Oder-Spree-Kanal, het Ems-Jade-Kanal, het Oder-Havel-Kanal, het Küstenkanal, het Elbe-Lübeck-Kanal, het Wesel-Datteln-Kanal, het Elbe-Havel-Kanal en het Rhein-Herne-Kanal. In 1999 werd het Main-Donau-Kanal geopend (153 km).
Vooral in het Alpenvoorland (oude gletsjerbeddingen) en het Mecklenburgs Merenplateau komen meren voor. De grootste meren zijn de Müritzsee (na de Bodensee het grootste meer van Duitsland met 110 km2) in Mecklenburg-Vorpommern, de Chiemsee (het grootste meer van Beieren: opp. 80 km2), de Schweriner See, de Starnberger See, de Würmsee, de Ammersee en natuurlijk het grootste meer van Duitsland, de Bodensee bij de Oostenrijk/Zwitserse grens. Dit meer is maximaal 15 kilometer breed en 74 kilometer lang en de totale oppervlakte is 571,5 km2. Het ligt op een hoogte van 395 meter en het diepste punt ligt op 252 meter. De meeste meren liggen in het noorden van Duitsland en dan met name in Mecklenburg.

Grootste meren van Duitsland:

Bodensee 571,5 km2
Müritz 110,3 km2
Chiemsee 79,9 km2
Schwerinersee 60,6 km2
Starnbergersee 56,4 km2
Ammersee 46,6 km2
Plauer See 38,0 km2
Kummerower See 32,2 km2
Steinhuder Meer 29,1 km2
Grosser Plöner See 29,0 km2
Schaalsee 23,3 km2
Selentersee 22,4 km2

Kust

In het noordwesten vormt de Noordzeekust met de Oost-Friese eilanden een voortzetting van het Nederlandse Waddengebied. De eigenlijke Noordzeekust is geleed: de getijstroom dringt ver in de riviermondingen en heeft die trechtervormig uitgeschuurd, waardoor de havens van o.a. Bremen en Hamburg respectievelijk 70 en 100 kilometer landinwaarts liggen. De Noordzeekust is een vlak gebied met kanalen, dijken en eilanden. Het eiland Sylt voor de kust van Schleswig-Holstein is door een brug met het vasteland verbonden.
De Oostzeekust is in het westen geleed met fjorden en zanderige boggen, in het oosten daarentegen vlak: hier komen ook strandmeren voor. Steile kusten komen bijna niet voor maar zijn wel te vinden op de eilanden Rügen (122 meter hoge krijtrotsen), Helgoland (met torenhoge rode rotsen) en Samland.

Oost-Friese eilanden
Borkum 30,7 km2
Norderney 26,3 km2

Noord-Friese eilanden
Sylt 99,2 km2
Föhr 82,9 km2
Nordstrand 50,4 km2
Pellworm 37,4 km2
Amrum 20,4 km2

Schleswig-Holstein eilanden
Fehmarn 185,4 km2

Mecklenburgse eilanden
Poel 34,3 km2

Vorpommernse eilanden
Rügen 930,0 km2
Usedom 373,0 km2 (Duitse gedeelte; totaal 445 km2)
Klimaat
Duitsland ligt in een gematigde klimaatzone en het klimaat wordt behalve door de geografische breedte in hoofdzaak bepaald door de landinwaarts afnemende invloed van de zee en de hoogte boven zeeniveau. De gemiddelde windsnelheid en de neerslag nemen landinwaarts geleidelijk af, maar in alle jaargetijden kan het overal regenen. Over het algemeen komen extreme weersituaties of grote temperatuurschommelingen in Duitsland nauwelijks voor. Januari is de koudste maand met gemiddelde temperaturen van -6°C tot -1°C. Juli is de warmste maand met gemiddelde temperaturen van 17-20°C.
De Noordduitse Laagvlakte heeft een klimaat dat overeenkomt met dat van Nederland en Engeland, met milde, regenrijke winters en soms warme zomers. In het middelgebergte hangt het klimaat af van het lokale reliëf, waarbij de lage beschutte delen koude winters en zeer warme zomers hebben. De neerslag varieert van 500-700 mm in de Laagvlakte tot 700-1500 mm in het middelgebergte en meer dan 2000 mm in de Alpen. Verder naar het oosten en zuiden wordt het klimaat steeds continentaler, met strenge winters en hete droge zomers.
In Beieren waait regelmatig de föhn, een vanuit het zuiden waaiende warme bergwind.
In West-Duitsland ligt ongeveer 25 dagen per jaar sneeuw, naar het oosten neemt dit aantal dagen toe tot ongeveer 40 in Berlijn.

Planten en dieren

Planten

De Duitse flora behoort tot twee plantengeografische provincies van de Eurosiberische regio: in het uiterste noordwesten tot de Atlantische provincie en in de rest van Duitsland tot de Midden-Europese provincie. De alpine plantengroei van het hooggebergte vormt een afzonderlijke sector.
De natuurlijke begroeiing bestaat overwegend uit bos, met uitzondering van een zilte strook langs de kust, stuifduinen, levende hoogvenen en het gebergte boven de boomgrens. Bij het begin van onze jaartelling was Duitsland nog voor ca. 75% met bos bedekt, ca. 1800 nog slechts voor ca. 20% en op dit moment door herbebossing weer voor ca. 30%. Tweederde van de bossen bestaat uit naaldhout, met name dennen en sparren.
Het loofbos bestaat voornamelijk uit eikenhaagbeukenbos (met eik, haagbeuk, beuk, wilde kers, es, esdoorn) op voedselrijke gronden in de laagvlakte; beukenbos in het Atlantische en Baltische laagland, in het heuvelgebied en de onder de sparrengordel gelegen beukengordel der gebergten; eikenberkenbos op voedselarme gronden in de laagvlakte; elzen- en wilgenbos in de moerassen; wilgenbos en essen-iepen-vogelkersbos in de overstromingsgebieden van de rivieren. Duitsland bestaat verder voor ca. 14% uit natuurgebieden met als vegetatietypen o.a. heiden in vooral het noordwesten, hoogvenen vooral in de gebergten. Moerassen vooral in het zuiden van Beieren en Württemberg en in het noordoosten, rotsbegroeiingen, struwelen en lokaal de merkwaardige schrale vegetatie van bodems rijk aan zink of lood.

Tot begin 20ste eeuw hadden de halfnatuurlijke landschappen, zoals schrale en extensief beweide graslanden, heiden en hooimoerassen, nog een belangrijk aandeel in de plantengroei van Duitsland. Door revolutionaire wijzigingen in de agrarische cultuur zijn deze eeuwenlang stabiel gebleven levensgemeenschappen tot op enkele resten teruggedrongen en overigens herontgonnen of verwilderd, wat tot een aanzienlijke verarming van flora en fauna heeft geleid.

In moerasgebieden, op veengronden en in de vochtige bosgebieden van Noord-Duitsland komt veel dopheide voor.
Lamsoor is goed bestand tegen het zilte kustmilieu en groeit vooral langs de Duitse Noordzeekust. In de duinen is de zeedistel een veel voorkomende plant.
De met uitsterven bedreigde gele plomp komt voor in het stroomgebied van de Rijn en aan de benedenloop van de Elbe. Waterlelies drijven op meren en waterspaarbekkens.
Ook de gele lis is een beschermde plantensoort die meestal groeit tussen het riet of in vochtige bosgebieden. In beuken- en dennenbossen vinden we de bekende hulst, veelvuldig gebruikt met kerstmis.
In de Alpen is de gentiaan een van de fraaiste verschijningen. Hoog in de Alpen groeit de beroemde edelweiss.

Dieren

De dierenwereld lijkt veel op die van Nederland en België althans wat het noorden en westen betreft; in het oosten sluit de fauna aan bij die van Oost-Europa en in het zuiden (Beieren) bij die van de Alpen.
De hier en daar nog uitgestrekte bossen bieden schuilplaats aan o.a. herten, talrijke wilde zwijnen en wilde katten, grotendeels te danken aan een goed jachtbeheer.
De vos, de das, de marter en de otter komen voor in daartoe geschikte biotopen. Het edelhert en het ree hebben zich dankzij uitstekende jachtwetten kunnen handhaven. De eland is in enkele Oostzeegebieden weer ingevoerd en dit is elders ook het geval voor damhert, sikahert en moeflon. Haas en konijn zijn algemeen, net als veel andere kleine knaagdieren, waaronder de eekhoorn, de hamster, en de zogenaamde slaapmuizen (o.m. de relmuis). De muskusrat is vanuit Bohemen in Tsjechië binnengedrongen en heeft zich sterk in noordwestelijke richting uitgebreid. De bever heeft zich o.a. in de Elbe kunnen handhaven.
Aan de Noordzeekust leeft de gewone zeehond, aan de Oostzeekust de stinkrob. Bruinvis en tuimelaar zijn vrij gewone verschijningen in de kustgebieden. De vogelwereld is een typische Westeuropese met enkele alpine soorten (b.v. alpenkauw, rotskruiper en sneeuwhoen). Bijzondere vogelsoorten zijn o.a. het auerhoen, het hazelhoen, de raaf, de grote trap, de kraanvogel, de zwarte ooievaar, de steenarend, de zeearend en de oehoe. Van de reptielen kunnen genoemd worden de Europese moerasschildpad, vele soorten hagedissen en slangen waaronder de esculaapslang en de dobbelsteenslang. Bijzondere amfibieën zijn de alpen- en vuursalamander. De zalm is uit de Rijn vrijwel verdwenen ten gevolge van de watervervuiling.
Toename van de bevolking, urbanisatie en industrialisatie hebben de fauna sterk teruggedrongen.

Bevolking.

In Duitsland woonden in 2002 ca. 83.250.000 inwoners, waarvan 7,4 miljoen buitenlanders. Duitsland heeft daarmee de grootste bevolking van de landen van de Europese Unie. Duitsland is één van de meest dichtbevolkte landen van Europa, met meer dan 230 inwoners per km2. Alleen België, Nederland en het Verenigd Koninkrijk hebben een hogere bevolkingsdichtheid.
De dichtstbevolkte gebieden zijn de miljoenensteden (Berlijn, Hamburg en München), het industriegebied Rheinland-Westfalen, het Rijn-Main-gebied, het Rijn-Neckar-gebied en de omgeving van Stuttgart, het industriegebied Leipzig-Halle, het gebied Chemnitz-Zwickau en de omgeving van Dresden. Ruim 87% van de totale bevolking woont in de steden of in stedelijke gebieden.
De grootste bevolkingsconcentratie, ca. 11 miljoen mensen, bevindt zich in het Ruhr-gebied, waar steden als Essen, Duisburg en Dortmund zo dicht bij elkaar liggen dat ze zonder duidelijke grens in elkaar overlopen. Van de meer dan 83 miljoen inwoners wonen er ongeveer 15 miljoen mensen in het voormalige Oost-Duitsland en nog eens bijna 3,5 miljoen in Berlijn.
Er wonen relatief veel mensen in kleine dorpen van minder dan 5000 inwoners en in de vele middelgrote steden van 100.000-500.000 inwoners.

Duitse steden met meer dan 300.000 inwoners:

Berlijn 3.426.000 Hannover 521.000
Hamburg 1.705.000 Nürnberg 490.000
München 1.206.000 Dresden 460.000
Keulen 965.000 Leipzig 447.000
Frankfurt 644.000 Bochum 396.000
Essen 609.000 Wuppertal 377.000
Dortmund 595.000 Bielefeld 324.000
Stuttgart 586.000 Mannheim 311.000
Düsseldorf 571.000 Bonn 305.000
Bremen 547.000
Duisburg 530.000

In het noorden van Sleeswijk-Holstein wonen ca. 60.000 Deens sprekende Duitsers van Deense oorsprong. Eenzelfde aantal heeft de Slavische Sorbische minderheid in het oosten (Lansitz). Ca. 30% van de buitenlanders zijn Turken, en verder Joegoslaven, Italianen, Grieken, Polen, Bosniërs en Kroaten. Door de grote stroom vluchtelingen naar Duitsland vanaf het einde van de jaren tachtig, afkomstig uit de Oostbloklanden, m.n. Oost-Duitsland, Joegoslavië, Rusland, maar ook uit Afrika en Azië, werd in 1993 het asielrecht ingeperkt.

De bevolkingsopbouw, de bevolkingsgroei en het migratiesaldo hebben na de Duitse eenheid in 1991 een totaal andere ontwikkeling doorgemaakt in Oost- en West-Duitsland. Ten eerste kwam er door de val van de Muur een grote stroom migranten van Oost- naar West-Duitsland op gang. Verder groeide de bevolking na de eenwording sterk door de instroom van buitenlandse migranten. Van de totale bevolking hebben naar schatting 7,3 miljoen inwoners een buitenlandse nationaliteit.
Als laatste daalde het geboortecijfer in Oost-Duitsland sterk. Zo werden er in 1991 45% minder kinderen geboren dan in 1988. Sinds 1994 is dit aantal weer stijgende. Toch zet de vergrijzing in Oost-Duitsland nog steeds door en is er nog steeds sprake van een bevolkingsafname. In 1997 woonden er 1 miljoen mensen minder dan in 1989.

Aantal allochtonen naar herkomst in 2001
Turkije 1.947.900
Servië-Montenegro 627.500
Italië 616.300
Griekenland 362.700
Polen 310.400
Kroatië 223.800
Oostenrijk 189.000
Bosnië-Herzogewina 159.000
Verenigde Staten 113.500
Macedonië 56.000
Slovenië 19.400

Bevolkingsgegevens Duitsland en Nederland (2002)

Duitsland Nederland

Geboortecijfer 8,99% 11,58%
Sterftecijfer 10,36% 8,67%
Gemiddelde levensverwachting 74,64 75,7
mannen
Gemiddelde levensverwachting 81,09 81,59
vrouwen
Bevolkingsgroei 0,26% 0,53%
Bevolkingsopbouw
0-14 jaar 15,4% 18,3%
15-64 jaar 67,6% 67,9%
65+ 17% 13,8%
Zuigelingensterfte per 4,65 4,31
1000 levendgeborenen

Oost-Duitsland
De bevolkingsopbouw in het vroegere Oost-Duitsland of de “neue Länder” is zeer onevenwichtig. Door de twee wereldoorlogen zijn de leeftijden rond de 50 en 80 jaar ondervertegenwoordigd. Er is ook een terugval in geboorten in de leeftijden van 30 tot 40 jaar te zien als gevolg van de invoering van de anticonceptiepil.
Rond 1975 daalde het aantal geboorten aanzienlijk door het toestaan van abortus. Hierop volgde van overheidswege een geboortestimulerend beleid waardoor het aantal geboorten weer steeg en de 10- tot 20-jarigen sterk vertegenwoordig zijn in de Oost-Duitse bevolking.

West-Duitsland
Uiteraard zijn de invloeden van de beide wereldoorlogen ook in het vroegere West-Duitsland terug te vinden. De verschillen in bevolkingsopbouw zitten vooral in de periode na 1975. Geboorteregulering was in West-Duitsland veel minder dan in Oost-Duitsland dus de leeftijden tussen 10 en 20 jaar zijn in West-Duitsland veel beter vertegenwoordigd en de bevolkingspiramide kent een regelmatiger verloop.
Taal
Verspreiding
Het Duits is een Germaanse taal die vooral gesproken wordt in de Midden-Europese landen Duitsland, Oostenrijk, Liechtenstein en Noord-Zwitserland. Verder zijn er in de volgende landen en streken nog minderheden die ook Duits spreken: Zuid-Tirol, Elzas-Lotharingen, België, Tsjechië, Polen, Roemenië, Hongarije en Rusland (Wolgaduitsers).
Het Duits is de zevende taal op aarde en wordt door ca. 120 miljoen mensen gesproken. Verwant met het Duits zijn ook het Jiddisch, het Letzeburgs in Luxemburg, het Pennsilvaans in de Verenigde Staten en het Schwyzerdütsch in Zwitserland. Het Duits is sterk verwant met o.a. het Deens, Zweeds, Noors, Nederlands, Vlaams en Engels.
Het Hoog-Duits is de taal van de gehele bevolking. In Sleeswijk wordt ook Deens gesproken en een klein gedeelte van het land, rondom Cottbus en Bautzen, is tweetalig; behalve het Hoog-Duits wordt hier ook het West-Slavische Sorbisch gesproken.
Het Neder-Duits of Plat-Duits, dat nog in het noordwesten wordt gesproken, kent veel overeenkomsten met de streektalen in Oost-Nederland.

Geschiedenis

In de eerste eeuw na Christus vormden de verschillende West-Germaanse dialecten nog geen hechte taalkundige eenheid. Aangenomen wordt dat binnen het Karolingische rijk alle Germaanse stammen taalkundig wel als bij elkaar horend werden beschouwd. In het zuiden van Duitsland ontstonden langzamerhand de Hoog-Duitse dialecten die door taalveranderingen en klankverschuivingen een grote eenvormigheid vertoonden.
In het noorden breidden de Saksen hun macht steeds verder uit en daar kwam een Neder-Duits (Oud-Saksisch) taalgebied tot stand. Beide talen ondervonden sterke invloeden van het christendom en van de antieke Latijnse cultuurtraditie, met name bij de woordvorming en de woordbetekenis.
In de periode 800-1100 breidde het Duitse taalgebied zich verder uit naar het oosten en zuidoosten. Tussen 1170 en 1250 werd het Duits sterk beïnvloed door het Frans en ontstond het klassieke Middel-Hoog-Duits, een hoofse literatuurtaal.
Vanaf 1250 werd het Hoog-Duits steeds vaker gebruikt in ambtelijke stukken. Het Neder-Duitse taalgebied breidde zich vanaf 1100 uit tot aan de Oder, de Weichsel en ook naar Noordoost-Nederland. Ten oosten van de Elbe en de Salle ontstond een zogenaamde koloniale Oost-Middel-Duitse taal met elementen van verschillende geografische afkomst.
Vooral door de bijbelvertaling van Maarten Luther werd de Oost-Middel-Duitse schrijftaal de grondslag van de Duitse “Schriftsprache”. Deze ontwikkeling werd ook nog bevorderd door het humanisme en opkomende nationale gevoelens. De definitieve vestiging van de hedendaagse grammaticale en lexicale normen gebeurde met name door de invloed van grammatici in de 17e en 18e eeuw. Eind 18e, begin 19e eeuw beleefde de klassieke literatuurtaal een bloeiperiode. Het bleef echter een schrifttaal die vaak sterk verschilt van de gesproken dialecten. De spelling van deze schrijftaal werd rond 1900 vastgelegd.
Naast deze schrijftaal bestaat er een omgangstaal die regionaal wordt gekenmerkt door sterke klank- en woordvarianten. Door politieke, sociale en culturele ontwikkelingen worden de regionale verschillen tussen schrijftaal en omgangstaal steeds kleiner.

Godsdienst

Algemeen
Artikel 4 van de grondwet garandeert de Duitse bevolking vrijheid van godsdienst: “Die Freiheit des Glaubens, des Gewissens und die Freiheit des religiösen und weltanschaulichen Bekenntnisses sind unverletzlich. Die ungestörte Religionsausübung wird gewährleistet”.
In 1919 werd de feitelijke scheiding tussen kerk en staat uitgeroepen.

In 2002 behoorde ca. 34% van de bevolking tot de protestantse, voornamelijk Lutherse kerken en eveneens 34% tot de rooms-katholieke kerk; 3,7% behoorde tot het islamitische geloof.
De joodse gemeenschap telde in 1995 72 gemeenten met in totaal bijna 54.000 leden. In 1933, voordat Hitler de macht overnam, woonden er in Duitsland nog ca. 530.000 joden. De grootste joodse gemeenschap bevindt zich in Berlijn en daarna volgen de gemeenschappen van Frankfurt am Main en München. Traditionele joodse gemeenschappen in Leipzig en Dresden kunnen na de hereniging weer actief hun geloof belijden.

Protestantse kerken
Er zijn in totaal 18 lutherse en gereformeerde (reformierte) kerken in West-Duitsland die zijn verenigd in de Evangelische Kirche in Deutschland (EKD). De EKD heeft zich in 1991 verenigd met de Bund der Evangelischen Kirchen uit de voormalige DDR.
De evangelische kerken in Duitsland behoren tot de Wereldraad van Kerken en met de rooms-katholieke kerk wordt nauw samengewerkt.
De protestantse kerken organiseren tweejaarlijkse landelijke bijeenkomsten: de zogenaamde kerkdagen.

Rooms-Katholieke Kerk
Tot 1994 was de rooms-katholieke kerk in 23 bisdommen verdeeld, waarvan vijf aartsbisdommen. Na een herschikking vanwege de Duitse eenheid heeft Duitsland op dit moment 20 bisdommen en zeven aartsbisdommen, Bamberg, Keulen, Freiburg, München en Freising, Paderborn, Hamburg (nieuw) en Berlijn (was vroeger een bisdom). Het aartsbisdom Keulen is het rijkste ter wereld, mede dankzij de kerkbelasting (“Kirchensteuer”).
De rooms-katholieke kerk organiseert tweejaarlijkse bijeenkomsten: de zogenaamde katholiekendagen.

Samenleving

Staatsinrichting

De grondwet van 23 mei 1949 verklaarde de Bondsrepubliek tot een “federatieve, democratische, parlementaire en sociale rechtsstaat”.
In Duitsland zijn de drie machten bij de centrale regering als volgt verdeeld:
- wetgevend: de Bondsdag en de Bondsraad
- uitvoerend: de Bondsregering en de bondskanselier
- rechtsprekend: het Bundesverfassungsgericht en de rechterlijke macht in het algemeen

De Bondsdag, het parlement, is het hoogste orgaan en oefent de wetgevende macht uit. De Bondsdag is te vergelijken met de Nederlandse Tweede kamer. De Bondsdag wordt voor vier jaar door het volk gekozen via algemeen direct kiesrecht, volgens een stelsel dat een compromis vormt tussen de evenredige vertegenwoordiging en het meerderheidsstelsel. In bepaalde gevallen kan hij ontbonden worden.
De belangrijkste taken zijn: wetgeving, het controleren van de regering en het kiezen van de bondskanselier. Op dit moment telt de Bondsdag 672 afgevaardigden die in 1999 van Bonn naar Berlijn verhuisd zijn.

De Bondsraad bestaat uit 69 leden van de zestien Duitse deelstaatregeringen (drie, vier, vijf of zes naar gelang het aantal inwoners van de desbetreffende deelstaat). De Bondsraad heeft o.a. een opschortend vetorecht tegen de meeste wetten die door de Bondsdag zijn aangenomen.
De Bondsraad is enigszins te vergelijken met de Nederlandse Eerste Kamer. Het grote verschil is dat de Bondsraad een grote stem heeft bij de totstandkoming van wetten die de deelstaten betreffen.
De politieke machtsverhoudingen in de Bondsraad zijn afhankelijk van de partijsamenstelling van de deelstaatregeringen. Het kan zo zijn dat de Bondsraad een andere meerderheid heeft dan de Bondsdag.

De Bondsregering bestaat uit de bondskanselier (de voorzitter van de regering), en de bondsministers. De bondskanselier wordt door de Bondsdag benoemd op voordracht van de bondspresident; de bondsministers worden door de bondspresident benoemd op voordracht van de bondskanselier. De bondskanselier heeft een grote persoonlijke macht want stippelt bijvoorbeeld de richtlijnen voor het regeringsbeleid uit, waardoor hij grote achting binnen het kabinet heeft.
Hoewel alle ministers verantwoording schuldig zijn aan de Bondsdag, kan alleen tegen de kanselier een zogenaamde “constructieve motie van wantrouwen” worden aangenomen, aangezien hij het enige kabinetslid is dat door het parlement gekozen is. Hij hoeft dan slechts af te treden indien de meerderheid het eens is over de keuze van een opvolger.
In de Duitse naoorlogse geschiedenis is het tot nu toe één keer gebeurd dat een kanselier door zo’n motie naar huis werd gestuurd (Helmut Schmidt in 1982).

Naoorlogse bondskanseliers:

1949-1963 Konrad Adenauer (CDU)
1963-1966 Ludwig Erhard (CDU)
1966-1969 Kurt Georg Kiesinger (CDU)
1969-1974 Willy Brandt (SPD)
1974-1982 Helmut Schmidt (SPD)
1982-1998 Helmut Kohl (CDU)
1998- Gerhard Schröder (SPD)

De bondspresident is het staatshoofd maar heeft slechts zeer beperkte bevoegdheden en het is dan ook voornamelijk een representatieve functie. De president ondertekent nieuwe wetten, waarna ze in functie treden. Hij wordt voor vijf jaar gekozen door de bondsvergadering, een college bestaande uit de Bondsdag en een gelijk aantal afgevaardigden, gekozen door de parlementen van de deelstaten en kan één keer herkozen worden.
De functie van bondspresident is te vergelijken met die van de Nederlandse koningin. Het grote verschil is dat de Duitse president op eigen titel gevoelige thema’s mag aansnijden, terwijl de Nederlandse koningin geen politieke uitspraken mag doen.

Naoorlogse bondspresidenten:

1949-1959 Theodor Heuss (FDP)
1959-1969 Heinrich Lübke )CDU)
1969-1974 Gustav Heinemann (SPD)
1974-1979 Walter Scheel (FDP)
1979-1984 Karl Carstens (CDU)
1984-1994 Richard von Weiszäcker (CDU)
1994-1999 Roman Herzog (CDU)
1999- Johannes Rau (SPD)

De hoogste rechtsprekende macht in Duitsland is het constitutioneel gerechtshof of Bundesverfassungsgericht, en samengevat kan men stellen dat het waakt over de grondwet. Het bestaat uit twee senaten van elk acht rechters die voor de helft gekozen worden door de Bondsraad en voor de andere helft door een kiescommissie van de Bondsdag.
Zowel deelstaten als individuen die het niet eens zijn over de interpretatie van de grondwet kunnen het Bundesverfassungsgericht vragen een oordeel te vellen. Ook kan elke Duitse staatsburger een klacht bij het gerechtshof neerleggen en de uitspraak van het hof is bindend voor alle staatsorganen, partijen en personen.

De deelstaten of Länder hebben elk hun eigen volksvertegenwoordiging, de Landtag. De Landtag kiest een minister-president, die de andere leden van de regering benoemt. In Hamburg en Bremen heeft men in plaats van de Landtag de Bürgerschaft en in plaats van de regering de Senat.
De grondwet bakent de bevoegdheden van Bond en de deelstaten af. Buitenlandse zaken, nationaliteit, geldwezen, maten en gewichten, spoorwegen, luchtverkeer, octrooi- en auteursrecht zijn aan de Bond voorbehouden, en verder geldt: “Bondsrecht breekt deelstaatrecht”.

Kiesstelsel

Het Duitse kiessysteem verschilt sterk van en is ingewikkelder dan het Nederlandse systeem. Zo kan de Duitse kiezer twee keer haar of zijn stem uitbrengen. Met de eerste stem of “Erststimme” kiest een kiezer een kandidaat in haar of zijn district volgens het meerderheidsprincipe of “Mehrheits/Persönlichkeitswahl”. Met de tweede stem of “Zweitstimme” kan er op een partijlijst gestemd worden volgens het principe van evenredige vertegenwoordiging of “Verhältniswahl”.
De zetels worden verdeeld aan de hand van de op de lijsten van partijen of “Landeslisten” uitgebrachte stemmen (Zweitstimme). Aan de hand van deze stemmen wordt berekend hoeveel zetels een partij heeft gekregen op nationaal niveau, die daarna worden verdeeld per deelstaat.
Pas daarna wordt er gekeken naar het aantal Erststimmen. Het aantal “Direktmandaten” wordt vervolgens afgetrokken van het aantal mandaten waarop een partij in een deelstaat recht heeft volgens de tweede stem. Het aantal zetels dat overblijft wordt verdeeld onder de kandidaten die het hoogst op een Landesliste staan maar geen Direktmandat hebben behaald. Kort gezegd geeft de tweede stem de doorslag voor de zetelverdeling in de Bondsdag.
Normaal gesproken kan een politieke partij pas toe treden tot de Bondsdag als zij minstens 5% van de stemmen behaald heeft. Ook wanneer een partij in drie of meer kiesdistricten de meeste stemmen krijgt kan zij toetreden tot de Bondsdag. Zo’n partij krijgt de status van “Gruppe” en dan heeft men niet zoveel rechten als van een direct gekozen fractie. Een beperking is bijvoorbeeld dat een “Gruppe” niet in alle commissies is vertegenwoordigd.
De Bondsrepubliek is opgedeeld in 328 kiesdistricten of “Wahlkreise” en elke kiezer mag een stem uitbrengen op een kandidaat binnen zijn of haar kiesdistrict (Erststimme). De kandidaat die de meeste stemmen wint binnen een district, wordt direct gekozen in de Bondsdag (Direktmandat).

Administratieve indeling

Duitsland is onderverdeeld in 16 Länder, elk met een eigen grondwet en een direct gekozen parlement en regering. De deelstaten zijn veel zelfstandiger dan de Nederlandse provincies en mogen o.a. op het gebied van onderwijs, natuurbescherming, waterhuishouding en gezondheidszorg een eigen beleid bepalen, mits ze binnen de kaders van de wetten die de Bondsregering heeft opgesteld.
Op buitenlandse politiek, defensie, spoorwegen, en een deel van de belastingen hebben de deelstaten geen invloed. Op het gebied van strafrecht, vreemdelingenbeleid, woningbouw en milieuwetgeving zijn de bondsregering en de regeringen van de deelstaten samen verantwoordelijk.
Conflicten tussen de deelstaten en de federale regering worden vaak opgelost door het Bundesverfassungsgericht.

Overzicht:

Naam oppervlakte aantal inwoners hoofdstad
Baden-Württemberg 35.751 km2 10.000.000 Stuttgart
Freistaat Bayern 70.553 km2 11.600.000 München
Berlin 889 km2 3.450.000 n.v.t.
Brandenburg 29.053 km2 2.670.000 Potsdam
Bremen 404 km2 680.000 n.v.t.
Freie und Hansestadt 755 km2 1.690.000 n.v.t.
Hamburg
Hessen 21.114 km2 5.900.000 Wiesbaden
Mecklenburg-Vorpommern 23.170 km2 1.850.000 Schwerin
Nieder-Sachsen 47.343 km2 7.480.000 Hannover
Nordrhein-Westfalen 34.070 km2 17.690.000 Düsseldorf
Rheinland-Pfalz 19.846 km2 3.880.000 Mainz
Saarland 2.570 km2 1.080.000 Saarbrücken
Sachsen 18.338 km2 4.600.000 Dresden
Sachsen-Anhalt 20.443 km2 2.800.000 Magdeburg
Schleswig-Holstein 15.731 km2 2.700.000 Kiel
Thüringen 16.251 km2 2.540.000 Erfurt

Korte beschrijving alle deelstaten van Duitsland:

Baden-Württemberg

Baden-Württemberg is de derde grootste deelstaat van Duitsland en qua oppervlakte even groot als België en Luxemburg samen. Het land staat bekend als het belangrijkste hightechgebied van Duitsland en zelfs van Europa! Ondernemingen als Mercedes Benz, Bosch, Porsche en Zeiss zijn van oorsprong allemaal ondernemingen uit deze deelstaat. Verder is Baden-Württemberg het land van de kuuroorden en baden. De deelstaat ontvangt elk jaar miljoenen gasten.
De belangrijkste industrieën zijn de elektrotechniek, machinebouw en de automobielindustrie.
Ook jonge industrieën als de biotechnologie, ICT-sector, medicijntechniek en microtechnologie worden in Baden-Württemberg steeds belangrijker. Er bestaan onder andere biotechnologieparken in Heidelberg, Freiburg, Ulm en Karlsruhe en er zijn circa 2.200 software ondernemingen in de deelstaat gevestigd. Ongeveer een derde van alle goederen en diensten die in de deelstaat zijn geproduceerd is bestemd voor de export. Het exportvolume van Baden-Württemberg is groter dan die van Spanje, Zwitserland of Zweden. Groeisectoren zijn delen van de dienstverlening en de bouwnijverheid.
Ongeveer 70 procent van de bevolking is woonachtig in de stedelijke gebieden en de grootste steden zijn: Stuttgart, Mannheim, Karlsruhe en Freiburg.

Beieren (Bayern)

Beieren is de grootste deelstaat van Duitsland en qua oppervlakte net zo groot als de Benelux of Ierland. De deelstaat stond bekend als een economisch achtergebleven gebied met een sterk agrarisch karakter, maar heeft zich sinds de Tweede Wereldoorlog sterk ontwikkeld tot één van de meest ontwikkelde deelstaten op het gebied van industrie en dienstverlening. Het aandeel van landbouw aan het BBP is nu nog maar 1,3%.
In Beieren zijn meer dan 600.000 midden en kleinbedrijven (MKB) gevestigd. Meer dan 77% van de Beierse werknemers is werkzaam in het MKB. Vooral de bedrijfsgerichte dienstverlening heeft zich in de afgelopen jaren positief ontwikkeld. Deze sector laat tussen 1996 en 1999 een groei zien van 12.400 ondernemingen tot een totaal van 127.000. Het is vooral aan het MKB te danken dat de deelstaat Beieren het laagste percentage werklozen in de Bondsrepubliek heeft. De laatste vier jaar heeft het MKB voor 144.000 nieuwe arbeidsplaatsen gezorgd waar het verlies aan arbeidsplaatsen bij grote ondernemingen mee gecompenseerd is.
Beieren heeft ook grote multinationals op haar grondgebied zoals Dasa-Aerospace, BMW, Adidas, Siemens en Audi. Beieren heeft ook veel technologische sectoren zoals informatie- en communicatietechnologie, geneesmiddelenindustrie, biotechnologie en ruimetvaarttechnologie. Op het gebied van dienstverlening is Beieren vestigingsplaats nummer één en voor banken nummer twee in Duitsland. De regio München telt meer dan 10.000, veelal jonge, mediaondernemingen (gedrukte media, audiovisuele media, multimedia, reclame en informatiediensten).
De zes belangrijkste industrieën naar omzet zijn:
1. Automobielindustrie
2. Machinebouw
3. Elektrotechniek
4. Voedingsindustrie
5. Chemische industrie
6. Radio-, TV- en perstechniek

Berlijn

Berlijn is de hoofdstad van Duitsland en wordt ook beschouwd als één van de zestien deelstaten. In Berlijn wonen ongeveer evenveel mensen als in heel Ierland. De kleine deelstaat ligt midden in de deelstaat Brandenburg.
De dienstverlening is de grote motor achter de economie van Berlijn. Ongeveer een half miljoen mensen zijn werkzaam in de dienstverleningssector (handel, kredietinstellingen, verzekeringsmaatschappijen, verkeer).
Belangrijke kernsectoren in Berlijn zijn verkeerstechniek, biotechnologie, media en communicatie, milieutechniek en de farmaceutische industrie.
De mediasector in Berlijn is één van de belangrijkste in Duitsland. Berlijn heeft 7.700 ondernemingen en ongeveer 70.000 werknemers die actief zijn in de media- en communicatiesector. In de stad concurreren 20 radiostations en 7 televisieomroepen produceren in Berlijn hun programma’s.
Berlijn is ook de tweede uitgeversstad van Duitsland. Er verschijnen in Berlijn meer lokale publicaties dan waar ook in Europa. Er verschijnen onder andere 7 dagbladen, 4 zondagskranten, 1 weekkrant en 11 stadsmagazines.

De industrie in Berlijn wordt gekenmerkt door kleine en middelgrote ondernemingen. Van de 2.200 ondernemingen heeft 94 procent minder dan 200 werknemers in dienst. De grootste werkgevers in Berlijn zijn Deutsche Bahn AG, Siemens AG, Bankgesellschaft Berlin. Belangrijke productiebedrijven in Berlijn zijn: BMW (motorfietsen), Mercedes (automotoren), Ford, DaimlerChrysler, Gilette, Philip Morris en Samsung. Enkele ondernemingen met een (Europees) hoofdkantoor in Berlijn zijn: Siemens, Deutsche Bahn, Debis, IBM Deutschland en Coca-Cola. Ook zijn de medische en biotechnologie belangrijke sectoren met groeipotentieel. Berlijn is op dit moment de belangrijkste biotechniekregio met meer dan 120 bedrijven.

Brandenburg

Brandenburg grenst aan Polen en dit maakt de deelstaat interessant voor ondernemers die ook geïnteresseerd zijn in Oost-Europa als afzetgebied. De deelstaat is qua oppervlakte te vergelijken met België en de grootste steden van Brandenburg zijn Potsdam, Cottbus en Brandenburg.
De deelstaat blijft samen met Mecklenburg-Vorpommern het zorgenkindje van de Neue Bundesländer. De economische groei blijft achter bij de andere deelstaten en het werkloosheidspercentage is nog steeds hoog (17,9 procent in juli 2000).
Het opleidingsniveau is Brandenburg is hoog want meer dan 80 procent van de bevolking heeft een opleiding genoten en één op de drie mensen bezit een hogeschool- of universiteitsdiploma.
Belangrijke industrietakken zijn energie, chemie, spoorwegbouw en houtverwerking, maar ook nieuwe industrieën als verkeerstechniek (lucht- en ruimtevaart), biotechnologie, media en communicatie en elektrotechniek komen sterk op. De grootste branche in Brandenburg is nog steeds de voedingsmiddelenindustrie die goed is voor een omzet van ongeveer 4 miljard mark.
Verder is Brandenburg bestemmingsland nummer één van de nieuwe deelstaten met betrekking tot toerisme. Er zijn circa 7.000 horecabedrijven die 45.000 mensen in dienst hebben en voor een omzet zorgen van ca. 909 miljoen euro.
Grote ondernemingen die zich in Brandenburg gevestigd zijn onder andere BMW/Rolls-Royce, Mercedes-Benz, ABB, Bosch-Siemens en BASF.
In Brandenburg zijn meer dan twintig Nederlandse ondernemingen actief.

Bremen

De kleinste deelstaat van Duitsland is Bremen en bestaat uit de stad Bremen en de havenstad Bremerhaven. Het gebied tussen Bremen en Bremerhaven (65 km) behoort niet tot de deelstaat Bremen maar tot de deelstaat Niedersachsen.
Er zijn meer dan 20.000 bedrijven in Bremen gevestigd. Transport, logistiek, scheepvaart en handel zijn de belangrijkste economische sectoren voor Bremen. Maar ook de automobielindustrie en de voedingsindustrie (bier, vis, koffie, chocolade) zijn in Bremen goed vertegenwoordigd. Enkele grote producenten zijn Beck & Co (Beck's Bier), Kellogg's, Kraft Jacobs Suchard en Nordsee.
Verder wordt Bremen ook wel aangeduid als call-center-city van Duitsland. Er zijn in Bremen ongeveer 40 call-centers met in totaal 2.000 werknemers.
Andere belangrijke industrieën zijn: staalproductie, elektrotechniek en vliegtuigbouw.

Hamburg

De stadstaat Hamburg is na Berlijn de stad met de meeste inwoners in Duitsland. De 1,7 miljoen inwoners zorgen voor 4 procent van het totale bruto binnenlands product van Duitsland. De stad beschikt over één van de grootste havens van de wereld en ligt centraal tussen Scandinavië, Oost- en West-Europa.

Handel en dienstverlening zijn belangrijke economische sectoren in Hamburg, en ongeveer 75 procent van de beroepsbevolking is werkzaam in de dienstverlening. Met name verzekeringsmaatschappijen, banken, softwareontwikkelaars, consultants, advocaten, brancheorganisaties en handelsondernemingen zijn in Hamburg goed vertegenwoordigd. Verder is Hamburg samen met het Franse Toulouse toonaangevend op het gebied van de civiele luchtvaartindustrie in Europa. In Hamburg zijn de belangrijke ondernemingen Airbus en Lufthansa Technik gevestigd en de stad beschikt over een internationale luchthaven. Verschillende uitgeverijen, televisieomroepen, PR- en reclamebureaus en filmbedrijven hebben Hamburg als vestigingsplaats gekozen.
Van de 500 omzetsterkste ondernemingen in Duitsland zijn er 41 gevestigd in Hamburg en er zijn ongeveer 2.300 buitenlandse ondernemingen in Hamburg actief.

Hessen

De deelstaat Hessen is het verkeers- en dienstverleningscentrum van Duitsland. Het economische zwaartepunt is de Rhein-Main Region met als voornaamste stad Frankfurt. Frankfurt am Main is de grootste stad van Hessen en een van de belangrijkste financiële- en handelsplaatsen van Europa. Er hebben zich meer dan 400 financiële instellingen gevestigd, waarvan ruim tweederde buitenlandse banken zijn. Verder beschikt Frankfurt over het grootste station en de één na belangrijkste luchthaven (na Londen Heathrow) van Europa.
Naast de financiële dienstverlening en de transportsector staat Hessen ook bekend als beursland. Ongeveer 41 procent van alle Duitse beurzen vinden in Hessen (Frankfurt) plaats. Hessen heeft niet alleen maar dienstverlenende bedrijven, maar ook de industrie is in Hessen vertegenwoordigd. De grootste industriële sector is de chemische/farmaceutische industrie, de auto-industrie, de machinebouw, softwarebedrijven en de kunststof/gummi-industrie.
Enkele belangrijke ondernemingen in Hessen zijn: Opel, AEG, Deutsche Bank AG, Deutsche Bundesbahn, Mannesmann, Siemens, Linde, Hoechst, Lufthansa, FedEx, UPS, EMS en DHL.
De grootste steden van Hessen zijn: Frankfurt am Main, Wiesbaden, Kassel, Darmstadt en Offenbach am Main.

Mecklenburg-Vorpommern

Mecklenburg-Vorpommern is de meest noordoostelijke deelstaat van Duitsland en ligt centraal gelegen tussen Hamburg, Berlijn en het Poolse Szczecin. Mecklenburg-Vorpommern is de dunst bevolkte deelstaat van Duitsland en heeft een zeer hoog werkloosheidscijfer. In 1999 bedroeg het gemiddelde werkloosheidscijfer 19,4 procent. Het land is nog steeds in opbouw en investeringen door de overheid zijn nog steeds noodzakelijk.
De deelstaat heeft een maritiem karakter. Dit komt niet alleen door de kustlijn die een lengte heeft van 354 kilometer maar ook door de verschillende binnenmeren. Het grootste meer van Duitsland, Müritz, ligt in Mecklenburg-Vorpommern. De scheepsbouw is dan ook een belangrijke sector in Mecklenburg-Vorpommern.
In 2002 plaatste de UNESCO de Hanzesteden Stralsund en Wismar op de lijst van Werelderfgoederen. De steden staan bekend als vertegenwoordigers van de zogeheten Duitse "baksteengotiek".

Nedersaksen (Niedersachsen)

Niedersachsen is de op één na grootste deelstaat van Duitsland en is groter dan bijvoorbeeld Nederland, België of Denemarken. De meeste inwoners en industrie zijn te vinden in het zuidelijke gedeelte van de deelstaat in de gebieden rond Hannover, Braunschweig en Hildesheim.
Meer dan 60% van het land in wordt voor landbouwactiviteiten gebruikt en toch is Niedersachsen geen agrarische deelstaat meer. Minder dan 4 procent van de beroepsbevolking is namelijk werkzaam in de landbouw. De meeste arbeidskrachten (39 procent) zijn actief in de dienstverlening. Ongeveer 30 procent van de beroepsbevolking is werkzaam in de industrie en 20 procent in de handel en transportsector.
Transport en logistiek zijn belangrijke factoren in Niedersachsen doordat belangrijke Noord-Zuid en Oost-West verbindingen dwars door de deelstaat lopen. Niedersachsen beschikt over een uitgebreide en kwalitatief hoogstaande verkeersinfrastructuur. Verder zijn ook de verzekeringssector, automobielsector en hoogwaardige industrieën, zoals de ICT sector en de biotechnologie, in Niedersachsen aanwezig.
Enkele grote ondernemingen in Niedersachsen zijn Volkswagen, Continental, Polygram, AEG, IBM, Minolta, Toshiba en Solvay. Verder zijn ook TUI, Duitsland grootste touroperator, en natuurlijk Deutsche Messe AG gesitueerd in Niedersachsen. In totaal zijn er 243.000 bedrijven in Niedersachsen gevestigd.

Noordrijn-Westfalen (Nordrhein-Westfalen)

Noordrijn-Westfalen is de belangrijkste deelstaat van Duitsland. Hier wonen de meeste inwoners en ongeveer 22 procent van het bruto binnenlands product wordt hier gegenereerd. Noordrijn-Westfalen is even groot als België en Luxemburg samen en heeft meer inwoners dan heel Nederland. Ook voor Nederland is dit een belangrijke deelstaat. Van de totale Nederlandse export naar Duitsland gaat er ruim 30% naar deze Duitse deelstaat.
Bijna alle industrieën zijn hier vertegenwoordigd en belangrijke sectoren zijn de technologie en de dienstverleningssector. De belangrijkste subsectoren zijn chemie, machinebouw, staalindustrie, voedingsmiddelenindustrie, metaalverwerking/automobielindustrie, elektronicasector en de papier-, uitgevers- en drukindustrie. 20 van de 40 grootste bedrijven van Duitsland zijn in NRW gevestigd waaronder VEBA, Deutsche Telekom, RWE, Bayer, Thyssen, Mannesmann, Ford, Krupp-Hoesch, Bertelsmann en Henkel.
Wat Nederland betreft: ons land is de eerste exporteur naar Noordrijn-Westfalen en de tweede importeur van Noordrijn-Westfalen.

Rijnland-Pfalz (Rheinland-Pfalz)

Rijnland-Pfalz heeft een mooi en afwisselend landschap waadoor de Rijn en de Moezel zich een weg banen. Rijnland-Pfalz is het grootste wijnbouwland van Duitsland.
Het grootste chemieconcern van Europa, BASF, zetelt in Rijnland-Pfalz. BASF is met 44.850 werknemers de grootste werkgever in Rijnland. Verder is Rijnland de vestigingplaats van onder andere de glasfabriek Schott, Mercedes, Boehringer, Opel, IBM en de RTV-zenders ZDF, SAT1, 3sat en SWR.
De chemische industrie is de belangrijkste industrie in Rijnland-Pfalz met een omzet van meer dan 30 miljard mark. Verder zijn de machinebouw en de auto-industrie ook hier motoren achter de economie van het land. Andere grote industrieën zijn de kunststofindustrie, glasindustrie, metaalverwerking en de papier- en drukindustrie.
In 2002 plaatste de UNESCO het 65 kilometer lange Mittelrheintal tussen de steden Bingen en Koblenz op de kijst van Werelderfgoederen. In het Rijndal ligt onder meer de rots waarop volgens de legende de verleidelijke Loreley voorbijvarende schippers in het verderf stortte met haar gezang.

Saarland

Saarland is de kleine deelstaat van Duitsland en is net zo groot als de provincie Drenthe.
De dienstverlening is een belangrijke motor achter de economie in Saarland en daaronder vallen toerisme, softwareontwikkeling, telecommunicatie en consultancy. Vooral het toerisme is in de afgelopen sterk gestegen. Sinds 1986 is het aantal overnachtingen in Saarland verdubbeld en er werken circa 20.000 mensen in deze sector.
De grootste groeisectoren in de industrie zijn de machinebouw, de automobielindustrie, de kunststofverwerkende industrie en de metaalverwerkende industrie geconstateerd. Twee grote ondernemingen in Saarland zijn Ford en Villeroy & Boch.

Saksen (Sachsen)

Sachsen grenst aan Tsjechië, Polen en enkele andere Duitse deelstaten. Door deze gunstige geografische ligging vervult Sachsen een belangrijke brugfunctie tussen Oost- en West-Europa. Qua inwoners is het land even groot als Denemarken en daarmee de grootste Oost-Duitse deelstaat. De deelstaat heeft een jonge bevolking met een gemiddelde leeftijd van 35 jaar. Het gemiddelde ligt hiermee een jaar lager dan in de andere nieuwe deelstaten en drie jaar lager dan in de oude deelstaten.
Van alle Oost-Duitse deelstaten gaat het relatief het beste met Sachsen. Weliswaar is de economische groei zeker niet overweldigend te noemen (1,3 procent in 1999); de exportquote neemt daarentegen gestaag toe (24,4 procent in 1999). De deelstaat is zeer populair bij nieuwe investeerders vanwege goede vestigingsplaatsfactoren zoals een uitstekend communicatienetwerk en infrastructuur, goed opgeleid personeel, goede investeringsregelingen en de nabijheid van hogescholen en universiteiten.
De werkloosheid is net als in de andere Oost-Duitse deelstaten vrij hoog. In 1999 bedroeg het werkloosheidscijfer 18,6 procent, iets onder het gemiddelde van alle Oost-Duitse deelstaten (19,1 procent).
Bijna alle industrieën zijn in Saksen vertegenwoordigd. Een belangrijke industrie in Saksen is de micro-elektronica en verder traditionele industrieën als de textielindustrie, de machinebouw en de auto-industrie. Enkele grote bedrijven in Saksen zijn Audi, Melitta, Stabag, Wella en de Dresdner Bank.

Saksen-Anhalt (Sachsen-Anhalt)

Saksen-Anhalt is ongeveer net zo groot als Hessen en ca. 25% van de bevolking woont in de steden Halle, Magdeburg en Dessau. Rond Saale en Unstrut liggen de meest noordelijke wijngebieden van Duitsland.
Chemie, machinebouw en de voedingsindustrie zijn de belangrijkste industrieën. Coca Cola, Nestlé, Erasco, Elf, Akzo Nobel, Dow Chemical en Bayer hebben veel geïnvesteerd in deze regio.

Sleeswijk-Holstein (Schleswig-Holstein)

Sleeswijk-Holstein is de meest noordelijke deelstaat van Duitsland en grenst onder andere aan Denemarken en aan de Noord- en Oostzee. Sleeswijk-Holstein verbindt Scandinavië met West-Europa en de deelstaat vormt dan ook een distributieschakel tussen deze twee gebieden. Het kanaal tussen de Noord- en Oostzee is één van de drukste (aangelegde) kanalen van de wereld.
Hamburg ligt vlakbij Sleeswijk-Holstein en de deelstaat profiteert daar behoorlijk van. Veel industrieën liggen in de buurt van Hamburg, maar nog net op het grondgebied van Sleeswijk-Holstein. In totaal zijn er ongeveer 100.000 bedrijven in de deelstaat gevestigd.
Belangrijke sectoren in Sleeswijk-Holstein zijn de machinebouw (Krupp Maschinebau), de voedingsindustrie, meet- en regeltechniek, chemische industrie en de uitgeverijbranche (Axel Springer Verlag). Omdat de deelstaat van oudsher erg sterk was in de landbouwsector heeft de voedingsindustrie zich hier zeer goed kunnen ontwikkelen.

Thüringen

Thüringen ligt centraal in Duitsland en de belangrijkste steden zijn de hoofdstad Erfurt en de steden Gera, Jena en Weimar. Samen met het aangrenzende Saksen is Thüringen het meest geïndustrialiseerd van de Neue Bundesländer.
De industrie is de grootste motor van de economische groei in de deelstaat en wordt zeer sterk gedomineerd door het midden- en kleinbedrijf.
De elektrotechniek, optische industrie, fijnmechanica, machinebouw en de automobielindustrie zijn de industrieën die kenmerkend zijn voor Thüringen, naast handel en logistiek. Ikea heeft bijvoorbeeld in Saksen haar distributiecentrum staan en ook Otto en METRO zijn in Thüringen gevestigd. Andere industrieën die in Thüringen aanwezig zijn: voedingsindustrie, metaalindustrie en de glas- en keramische industrie.
Erfurt is, behalve regeringscentrum van de deelstaat, standplaats voor micro-elektronica, machinebouw en meubelindustrie.
De optische industrie, fijnemechanica en de medische techniek bevinden zich onder andere in de buurt van Jena. Jena probeert zich net als veel andere Duitse steden te profileren als een hightech vestigingsplaats voor startende ondernemers. Een van de bekendste starters is Intershop. Dit bedrijf is in 1994 opgericht en is in 6 jaar tijd uitgegroeid tot een van de belangrijkste software-specialisten op het gebied van e-commerce. De onderneming telt inmiddels meer dan 500 werknemers en is beursgenoteerd.
In Eisenach is vooral de automobielindustrie geconcentreerd. Hier produceert Opel bijvoorbeeld de Corsa en de Astra. Bosch is in Eisenach actief op het gebied van sensoren voor de automobielindustrie.
In Schwarza/Rudolstadt bevindt zich de grootste kunstvezelindustrie van Oost-Duitsland en Saalfeld is het centrum van de Thüringse staalindustrie.
Enkele andere ondernemingen die in Thüringen zijn gevestigd: BMW, Fujitsu, IBM, AlliedSignal, Lear Corporation.

Onderwijs

Kleuter- en basisonderwijs

Het kleuteronderwijs omvat Kindergarten en zogenoemde voorbereidingsklassen. “Kindergarten” is de traditionele vrijwillige vorm van kleuteronderwijs voor kinderen van 3 tot 6 jaar. De eveneens vrijwillige voorbereidingsklassen of “Vorklassen” zijn verbonden aan een basisschool, en bestemd voor kinderen van 5 jaar die nog niet schoolplichtig zijn, maar waarvan de ouders willen dat ze speciale begeleiding en voorbereiding voor de basisschool ontvangen.

Vanaf de leeftijd van zes jaar zijn alle Duitse kinderen leerplichtig. Deze leerplicht duurt gewoonlijk 12 jaar, waarvan negen jaar volledig dagonderwijs en drie jaar gedeeltelijk verplicht onderwijs. In sommige deelstaten moeten de kinderen tien jaar volledig dagonderwijs volgen.
In de meeste deelstaten kunnen leerlingen vrijwillig een tiende schooljaar volgen om een diploma te behalen waarmee ze toegang krijgen tot het voortgezet middelbaar onderwijs.
De leerplicht omvat de basisschool (Grundschule) voor kinderen van 6 tot 10 jaar en de eerste fase van het secundair onderwijs voor 10 tot 15-jarigen. Na de basisschool kunnen in het voortgezet onderwijs diverse richtingen gekozen worden:
Hauptschule: algemeen vormend onderwijs van het vijfde tot het negende leerjaar.
Realschule: algemeen vormend onderwijs van een hoger niveau van het vijfde tot en met het tiende leerjaar. Met hun diploma kunnen leerlingen doorgaan naar een beroepsopleiding en naar schooltypes die worden afgesloten meteen VWO-diploma.
Gymnasium: hoogste niveau van middelbaar onderwijs en gaat meestal van het vijfde tot en met het dertiende leerjaar. Het “Abitur” geeft toegang tot de universiteit.
Gesamtschule (Middenscholen): dezelfde vakken als in bovengenoemde schooltypes, maar het leerprogramma van Gesamtschulen omvat ook alle vakken die in andere schooltypen worden onderwezen. In het vijfde en zesde leerjaar krijgen alle leerlingen gezamenlijk les. De einddiploma’s worden onder dezelfde voorwaarden uitgereikt als op de traditionele schooltypes.
In de afgelopen jaren zijn in een aantal deelstaten nieuwe soorten scholen ingevoerd, waarin het onderwijsprogramma van de Hauptschule en de Realschule samengevoegd zijn.

Middelbaar onderwijs

Het hoger secundair onderwijs is facultatief. De tweede fase van het secundair voor de leeftijdsgroep van 16 tot 19 jaar biedt scholieren de volgende mogelijkheden:

Algemene vorming: het algemeen vormend onderwijs wordt gegeven in de hoogste klassen van het “Gymnasium”, meestal van het 11e tot en met het 13e leerjaar.
Beroepsonderwijs op basis van volledig dagonderwijs wordt gegeven aan de volgende scholen: Berufsaufbauschulen, Fachoberschulen, beruflichen Gymnasien/Fachgymnasien en Fachschulen.
Verder bestaan er nog combinaties van algemene vorming en beroepsonderwijs.

De schoolprestaties worden beoordeeld met cijfers tussen de 1 en de 6, waarbij de 1 te vergelijken is met de Nederlandse 10.

Hoger onderwijs

Het hoger onderwijs in Duitsland kan zowel universitair als niet-universitair zijn. Tot het hoger onderwijs behoren:

Universiteiten en geïntegreerde universiteiten: op universiteiten bestaan diverse studierichtingen en kunnen studenten promoveren. Geïntegreerde universiteiten vormen een combinatie van universiteiten, hoger beroepsonderwijs en deels ook muziek- en kunstacademies.
Academische en gespecialiseerde instellingen voor hoger onderwijs zijn gecombineerd in de Gesamthochschulen.
Hoger beroepsonderwijs biedt vooral praktijkgerichte opleidingen voor ingenieurs in economie, landbouw, de sociale sector, bibliotheek- en documentatiewezen en informatica.
Pedagogische academies leiden op tot onderwijzers op basisscholen en leraren voor bepaalde schooltypes van de eerste fase van het middelbaar onderwijs; alle andere leraren worden opgeleid aan de universiteit.

Meestal zijn de studies onderverdeeld in een “Grundstudium”, dat wordt afgesloten met een tussenexamen, en een “Hauptstadium”, dat wordt afgesloten met een academische graad.
Verder kunnen zogenaamde “Hochschulprüfungen” worden afgenomen waartoe de volgende examens behoren:
De “Diplomführung” waarmee de titel van doctorandus wordt verkregen.
De “Magisterprüfung” die de titel meester verstrekt.
De promotie die recht geeft op de titel doctor.
Enkele studies worden afgesloten met de “Staatsprüfung”. Het zijn de studies medicijnen, tandheelkunde, diergeneeskunde, farmacie, rechten en de academische lerarenopleiding.

Economie.

Algemeen
Duitsland heeft zich na de Tweede Wereldoorlog in snel tempo ontwikkeld tot een van de belangrijkste industrielanden ter wereld. Het bruto nationale product (bnp) per hoofd van de bevolking behoort met o.a. dat van de Verenigde Staten en Japan tot de hoogste ter wereld en de Duitse Mark (nu: euro) behoorde tot de meest waardevaste valuta ter wereld.

Duitsland heeft een sociale markteconomie waarin de staat in grote lijnen leiding geeft, maar geen directe bemoeienis heeft met zaken als de loon- en prijsvorming. Door het Kartellgesetz uit 1957 wordt de concurrentie beschermd tegen onderlinge afspraken tussen ondernemingen. Door een veelomvattende sociale wetgeving is de arbeidsvrede goeddeels bewaard gebleven. De leiding door de staat komt o.a. tot uiting in de Konzertierte Aktion, een tripartite-overleg tussen de overheid, werkgevers- en werknemersorganisaties om conjunctuurbeleid te voeren. In de tweede helft van de jaren negentig kreeg Duitsland te kampen met grote werkloosheid, stagnatie van de groei en hoge begrotingstekorten, mede als gevolg van het snelle proces van eenwording en de enorme kostenpost die dat opleverde.

Het bnp steeg van 163,5 miljard euro in 1960 tot 1761 miljard euro in 1995. Ondanks de prijsstijgingen bleef de productie stijgen. Bijna de helft van het bnp was afkomstig van industrie en mijnbouw, terwijl het aandeel van de agrarische sector de afgelopen tientallen jaren sterk terug liep. De dienstensector daarentegen vervijfvoudigde.
Het inkomen per hoofd van de bevolking steeg van 2215 euro in 1960 tot 23.110 euro in 1994. De miljoenen vluchtelingen uit de Duitse Democratische Republiek (DDR) droegen wezenlijk bij tot het “Wirtschaftswunder”. De economische hervormingen verlopen echter moeizaam. Duitsland kampt o.a. met een dure verzorgingsstaat, hoge loonkosten en grote uitgaven aan het achtergebleven oosten. Na de inzinking van 1996 groeide de economie in 1997 echter weer met ruim 2% en bleef de inflatie daaronder. De werkloosheid bleef echter stijgen en bereikte eind 1997 een naoorlogs record van 11,8%. Het cijfer in het oosten, met 20%, ligt bijna tweemaal zo hoog lag als in het westen.

Aandeel sectoren in bruto binnenlands product (BBP) in 2001:

Landbouw en visserij 1,2%
Industrie, mijnbouw, energie 25,2%
Bouw 4,7%
Financiële en zakelijke dienstverlening 30,0%
Distributie, catering, transport en telecommunicatiw 17,8%
Publieke en overige private diensten 21,1%

Landbouw, veeteelt, bosbouw en visserij

Hoewel de agrarische sector nog maar iets meer dan 1% bijdraagt aan het Duitse nationale product dekt de productieve, sterk gemechaniseerde landbouw meer dan driekwart van de binnenlandse behoefte aan agrarische producten. Het totale aantal landbouwbedrijven neemt in Duitsland af terwijl de gemiddelde bedrijfsgrootte in het hele land toeneemt. Op dit moment zijn er nog meer dan 400.000 landbouwbedrijven waarvan ca. 95% eenmanszaken zijn. In 1999 bedroeg de bedrijfsomvang gemiddeld 46,8 hectare. De kleinste bedrijven (33,2 ha) zijn te vinden in Zuid-Duitsland en dan met name in Beieren. De grootste bedrijven bevinden zich in de Oost-Duitse deelstaat Mecklenburg-Vorpommern met een gemiddelde omvang van 220 ha. De belangrijkste landbouwdeelstaat is Nedersaksen. Op dit moment zijn er nog ca. 1,4 miljoen mensen werkzaam in de landbouw en samen produceerden zij in 1999 voor ongeveer 43,5 miljard euro.
De hoofdproducten van de akkerbouw zijn granen (vooral in het laagland in het noorden, Münsterland, Oberpfalz en Beieren), aardappelen, suikerbieten (in de driehoek Hannover-Brunswijk-Kassel), en fruit, groente en wijn.

Driekwart van de landbouwbedrijven is georganiseerd in coöperaties en gespecialiseerde kippen-, varkens- en rundermesterijen worden zeer rationeel gedreven. Ondanks herverkaveling overheerst nog het kleinbedrijf en de grote bedrijven liggen vooral in het noordwesten.

De belangrijkste Duitse deelstaten voor de bosbouw zijn Beieren, Baden-Württemberg, Hessen, Rheinland-Pfalz, Pommeren, Thüringen en het Saksische bergland. Bijna eenderde deel van Duitsland (10,3 miljoen ha) is met bos bedekt en behalve voor de houtwinning is het bos van groot belang voor de recreatie en de milieubescherming.
Op plaatsen waar men bomen kapt is men wettelijk verplicht nieuwe bomen te planten. In de jaren tachtig constateerde men steeds meer schade aan de bossen ten gevolge van de zure regen. Met behulp van nationale en internationale maatregelen probeert Duitsland tot vermindering van de luchtvervuiling te komen.

De visserij is de laatste jaren sterk gemoderniseerd maar o.a. door de vangstbeperkingen, opgelegd door de EG, worden zowel de diepzee-, kotter-, als kustvisserij in hun voortbestaan bedreigd. Ook de import van zeer goedkope vis uit de voormalige Oostbloklanden bemoeilijkt de Duitse afzet.
De Duitse vissersvloot van meer dan 2000 schepen ving in 1998 ca. 270.000 ton vis met een omzet van 188 miljoen dollar. De Noordzee is met 36% van de totale vangst de belangrijkste zee voor Duitse vissers. Andere belangrijke visgebieden zijn de Oostzee, de kust van Groenland en de gebieden rond Groot-Brittannië. De belangrijkste afzetlanden zijn Nederland, Spanje, IJsland en Denemarken.

Mijnbouw en energievoorziening

De Duitse bodem is uitgesproken arm aan grondstoffen en kent bijvoorbeeld zeer bescheiden hoeveelheden ijzererts, aardolie en aardgas. Daarentegen zijn de voorraden steenkool, bruinkool en zout overvloedig aanwezig, maar de winning daarvan is vanwege de hoge loonkosten nauwelijks of niet rendabel.
Steenkool wordt vooral gedolven in het Ruhrgebied en het Saarland, bruinkool bij Helmstedt en Keulen en rond de Oost-Duitse steden Leipzig, Halle, Dresden en Cottbus. De winning en het gebruik van bruinkool als brandstof heeft in die gebieden voor ernstige milieuproblemen gezorgd. Gelukkig voor het milieu neemt aardgas in de nieuwe bondslanden de functie van bruinkool over. Zout wordt gewonnen bij o.a. Fulda.

In de energiebehoefte wordt door aardolie, aardgas, steenkool en kernenergie voorzien. Rijke aardgasvondsten werden gedaan in Oost-Friesland. Het aardgas dekte in 1987 15% van de totale energiebehoefte, waarvan 28% uit binnenlandse bronnen. Ca. 30% van het geïmporteerde aardgas komt uit Nederland. Het gebruik van kernenergie neemt nog steeds toe, ondanks opslag-, veiligheidsproblemen en politieke tegenstand. De opslag van het radioactieve afval in Noord-Duitsland heeft tot omstreden transporten geleid.

Industrie

West-Duitsland

Opmerkelijk is de geconcentreerde structuur met sterke horizontale en verticale vervlechtingen van bedrijven, waardoor grote concerns ontstonden. Meer dan de helft van de industriële bedrijven heeft minder dan 50 werknemers en maar 5% bestaat uit bedrijven met meer dan 500 werknemers. Meer dan de helft van alle werknemers werkt in deze grootbedrijven en die leveren ook ruim de helft van de totale industriële productie. Het grootbedrijf komt vooral voor in de steenkool-, staal-, aardolie-, chemische en automobielindustrie. De belangrijkste primaire bedrijfstak is de chemische industrie (Hoechst, BASF en Bayer) met ca. 500.000 werknemers. Zeer belangrijk zijn verder de machine- en apparatenfabricage en de productie van transportmiddelen.

Na de Verenigde Staten en Japan is Duitsland wereldwijd de derde producent van personenauto's. De elektrotechnische industrie en de productie van bureaumachines en computers staan op een hoog peil en in deze bedrijfstak werken meer dan een miljoen mensen. Van de verbruiksgoederenindustrie zijn vooral de textiel en bekleding van belang. Duitsland is West-Europa's grootste producent van o.a. ruw ijzer en ruw staal, walserijproducten en van katoenen garens en weefsels. In het Ruhrgebied domineert de zware industrie, en dit gebied is al vele decennia lang het zwaartepunt van de West-Duitse economie.

Nog voor de hereniging van de beide Duitslanden waren al diverse samenwerkingsverbanden tussen de West- en Oost-Duitse industrie tot stand gekomen. In maart 1990 werd de Treuhandanstalt, de organisatie die de privatisering van de Oost-Duitse staatsbedrijven zou coördineren, opgericht.

Oost-Duitsland

Eisenhüttenstadt is de belangrijkste zetel van de zware industrie. De stad ligt aan de Oder, waardoor veel van de ruwe grondstof over water kan worden aangevoerd en het gietijzer kan worden afgevoerd. Een ander centrum van gietijzerproductie is Calbe aan de Saale, waar de ijzerertsen (met een laag gehalte) van het Harzgebergte en cokes van bruinkool worden verwerkt. In weerwil van de bereikte resultaten blijft het grote manco dat de metaalverwerkende industrieën geen eigen grondstoffenbasis hebben, waardoor zij in een kwetsbare positie verkeren. Machinebouw, metaalindustrie, chemische industrie en textielnijverheid zijn de belangrijkste bedrijfstakken. De geografische spreiding van de industrie is in grote lijnen als volgt:
machinebouw en metaalindustrie voornamelijk in Saksen en Thüringen (Chemnitz, Magdeburg, Leipzig, Weimar, Dresden);
automobielindustrie in Eisenach, Zwickau en Brandenburg;
scheepsbouw in Rostock;
lichte metaalindustrie in Thüringen;
optische industrie in Jena en Dresden;
elektrotechnische industrie in Leipzig, Erfurt en Dresden;
chemische industrie vooral in het gebied van Leuna-Schkopau-Bitterfeld, in Berlijn en Dresden;
textielindustrie in het gebied (Chemnitz)-Zwickau-Plauen;
rubberindustrie te Gotha, Leipzig en Riesa;
voedings- en genotmiddelenindustrie in Thüringen (vleeswaren) en Saksen-Anhalt (conserven).

Diverse economische sectoren

Bouw en infrastructuur

Begin jaren negentig profiteerde deze sector van de vele wederopbouwprojecten in het oosten van Duitsland. Ook de grotere vraag in het westen naar woningen door de migranten uit het oostelijke deel van Duitsland zorgde voor veel bouwactiviteiten. Sinds 1995 bevindt de bouwsector zich echter in een dip, met name de woningbouwsector. In 2000 bedroeg de omzet in de branche 98,6 miljard euro, een daling van 5% t.o.v. 1999.
In totaal zijn er ca. 80.000 ondernemingen actief in de bouwsector, waarvan driekwart bestaat uit kleine ondernemingen met minder dan 20 werknemers. In totaal werken er nog ca. 1 miljoen mensen in de bouwsector. Sinds begin jaren negentig is het aantal arbeidsplaatsen sterk gedaald. Een van de oorzaken zijn de hoge lonen waarmee de Duitse bouwsector werkt. Bij grote bouwprojecten wordt nu veel gewerkt met buitenlandse aannemers die werken met goedkope Oost-Europese bouwvakkers.

Chemie en kunststoffen

Duitsland staat na de Verenigde Staten en Japan op de derde plaats van grootste chemieproducenten van de wereld. De chemische industrie behaalde in 2000 een omzet van bijna 109 miljard euro, en dat was een groei t.o.v. 1999 van 12,3%. De productie van chemische grondstoffe neemt in Duitsland met bijna 50% de eerste plaats in. Daarna komen de farmaceutische producten met bijna 20% en verven, kitten en inkt met 8%.
De branche telt ca. 470.000 werknemers en is daarmee de op vijf na grootste werkgever in Duitsland. In totaal zijn er ongeveer 1750 bedrijven, waarvan maar ca. 10% meer dan 500 werknemers heeft. De belangrijkste chemiebedrijven zijn BASF, Bayer, Degussa-Hüls, Celanese en Procter & Gamble.

Levensmiddelendetailhandel

In vergelijking met de rest van Europa heeft deze branche zich afwijkend ontwikkeld. Bijna alle grote bedrijven richten zich namelijk op het lagere segment van de markt. Discountzaken en dan met name de komst van Aldi op de Duitse markt heeft een grote invloed gehad op de levensmiddelendetailhandel, die daardoor een zeer hoge prijsconcurrentie kent.
In 2000 bedroeg de omzet meer dan 185 miljard euro voor zowel levensmiddelen (127 miljard) als de non-foodsector (58 miljard). De Duitse top-5 had in 2000 een marktaandeel van ongeveer 65% en door een verdere concentratie zal dit naar verwacht in 2010 oplopen naar 82%.

Banksector

De Bundesbank is de centrale bank van Duitsland en onder andere verantwoordelijk voor de afwikkeling van het binnen- en buitenlandse betalingsverkeer, de voorziening van bankbiljetten en muntgeld en is de huisbank van de staat en de Bundesländer. De negen Landeszentralbanken treden op als hoofdvestigingen van de Bundesbank met verregaande zelfstandigheid en een eigen verantwoordelijkheid.
Verder zijn er nog:
- Privaatrechtelijke grote banken die op alle terreinen van de financiële dienstverlening actief zijn.
- Publiekrechtelijke spaarbanken kennen de grootste spreiding in Duitsland en richten zich vooral op de dienstverlening aan zowel particulieren als het midden- en kleinbedrijf.
- De Volks- und Raiffeisenbanken (zgn. coöperatieve banken) richten zich vooral op het platteland.
- Kleinere en middelgrote handelsbanken; Bausparkassen; gespecialiseerde instellingen als investeringsbanken, hypotheekbanken en scheepshypotheekbanken.

De top-5:
1. Deutsche Bank AG
2. Hypo- und Vereinsbank AG
3. Dresdner Bank AG
4. West LB
5. Commerzbank AG

Elektronica-industrie

In 2000 groeide de omzet van de elektrotechniek- en elektronicabranche met 15% tot 161 miljard euro en de productie steeg met 11%. De export naar Zuidoost-Azië, Midden- en Oost-Europa en de Verenigde Staten nam het grootste deel van de groei voor zijn rekening. Tot de groeisegmenten behoren de elektronische componenten, halfgeleiders, producten en systemen voor automatisering, aandrijvingssystemen, schakelapparatuur, schakelsystemen en industriële besturingssystemen.

Top 10 Duitse elektronica-industrie:
1. Siemens
2. Bosch
3. Philips Duitsland
4. ABB Duitsland
5. Alcatel Duitsland
6. Hella
7. Miele
8. Electrolux Duitsland
9. Braun
10.Grundig

Energiesector

De belangrijkste energiedragers voor het opwekken van elektriciteit zijn kolen en bruinkool. Meer dan de helft van de primaire energie moet echter ingevoerd worden, waaronder vrijwel alle olie. Het elektriciteitsgebruik bedraagt jaarlijks 500 miljard kWh, waarvan 40% door aardolie wordt gedekt, 20% door gas en ongeveer 10% door kernenergie. Het Duitse gasverbruik groeit nog steeds tot naar verwachting ca. 84 miljoen ton in 2010 (1998: 77,8 miljoen ton). De belangrijkste gasleveranciers voor Duitsland zijn Rusland, Noorwegen en Nederland.
Op dit moment zijn er ongeveer 150.000 werknemers werkzaam in deze branche.

Machine-industrie

De machine- en apparatenbouw telde in 1999 meer dan 900.000 werknemers en er waren toen ca. 6000 bedrijven actief. Deze sector is daarmee de grootste deelsector in de verwerkende industrie. De totale omzet ligt rond de 250 miljard mark waarvan ca. 160 miljard mark in het buitenland gegenereerd wordt.
In 1999 had Duitsland een wereldmarktaandeel van 20,8% en stond daarmee op de eerste plaats. De belangrijkste exportlanden zijn de Verenigde Staten, Frankrijk, Groot-Brittannië, Italië en Nederland.

Mijnbouw

Duitsland heeft grote voorraden steen- en bruinkool en is met ca. 150 miljoen ton de grootste bruinkoolproducent ter wereld. De steenkoolbekkens liggen vooral in het noordelijke Ruhrgebied en in Saarland. Er zijn nog 15 mijnen in operatie en rond 2005 zullen er nog ongeveer 10 mijnen open zijn. Op dit moment zijn er nog ca. 170.000 arbeiders werkzaam in de mijnbouw.
De dure, sterk gesubsidieerde kolenproductie loopt de laatste jaren sterk terug en ook voor de komende jaren wordt met een verdere vermindering van de productie rekening gehouden. In de kolenindustrie is zowel het private bedrijfsleven als de overheid actief. De situatie voor de bruinkoolindustrie is wat gunstiger omdat de winning en de productie goedkoper en dus rendabeler is. De dagbouwproductie van de bruinkool veroorzaakt echter enorme schade aan het landschap en is aan sterke kritiek onderhevig.
Verder is Duitsland arm aan delfstoffen.

Automobielindustrie

De Duitse automobielindustrie is de grootste van Europa met een marktaandeel van ca. 17%. In 2000 telde deze industrietak meer dan 740.000 werknemers en zijn meer dan 5 miljoen mensen direct of indirect professioneel betrokken bij de automobielindustrie. De Duitse automobielindustrie is vooral geconcentreerd in de deelstaten Hessen, Beieren, Baden-Württemberg, Noordrijn-Westfalen, Thüringen en Saksen.
In 2000 behaalde men een wereldwijde omzet van 188 miljard euro, waarvan 110 miljard euro in het buitenland verdiend werd. De voornaamste exportlanden zijn Italië, Groot-Brittannië, Verenigde Staten en Frankrijk.

Top-5 Duitse automobielindustrie naar omzet:
1. DaimlerChrysler
2. Volkswagen
3. BMW
4. Adam Opel
5. Ford

Biotechnologie

De biotechnologie is een belangrijke groeimarkt, maar heeft nog geen 1% van de totale omzet in de chemische industrie. Toch is de Duitse biotechnologiesector de op twee na belangrijkste in de wereld na de Verenigde Staten en Groot-Brittannië.
In 1999 waren er 279 Duitse biotechbedrijven, ongeveer 50 meer dan in 1998. De belangrijkste biotechnologiecentra in Duitsland zijn te vinden in de regio’s rond München, Berlijn, Heidelberg en Mannheim.

ICT-sector (informatie-communicatie-telecommunicatie)

De Duitse ICT-sector is de derde grootste markt in de wereld na de Verenigde Staten en Japan, met een aandeel van 5,7%. De totale omzet van de sector bedroeg in 2000 ca. 115 miljard euro. Er werken ca. 750.000 mensen in de ICT-sector.
Het aantal internetgebruikers steeg in Duitsland explosief van 12,2 miljoen in 1999 naar 22,9 miljoen in 2000.
In bijna 1 op de 2 Duitse huishoudens staat een computer (totaal 28 miljoen pc’s).
Duitsland heeft de grootste telecommunicatiemarkt van Europa en is de derde grootste markt ter wereld. Er zijn in Duitsland ca. 55 telefoonlijnen per 100 inwoners en het land is koploper in Europa op het gebied van ISDN-aansluitingen. De mobiele telefonie is een van de snelst groeiende deelsectoren; eind 2000 bezat 58% van de Duitse bevolking een mobiele telefoon. Men verwacht dat in 2003 bijna alle Duitsers minimaal één mobiele telefoon bezitten.

Handel

De gezamenlijke waarde van in- en uitvoer steeg van 19,7 miljard DM in 1950 tot meer dan 1764 miljard DM in 1998, daarmede de tweede plaats bereikend in de wereldhandel, na de Verenigde Staten. De handelsbalans vertoont een aanzienlijk overschot; tot 1991 was het zelfs groter dan dat van Japan (134,7 miljard in 1989; sinds de hereniging teruggevallen op 22 miljard in 1991, opgeklommen naar 136 miljard in 1998). De dienstenbalans vertoont daarentegen een groot negatief saldo, vooral door het Duitse toerisme in het buitenland en de export van DM door buitenlandse werknemers. Geëxporteerd worden vooral machines, auto's, elektrotechnische en chemische producten. Bij de invoer spelen vooral voedings- en genotmiddelen, aardolie en aardgas een rol. Binnen de Europese Gemeenschappen is de handel sterk toegenomen.
De belangrijkste handelspartners van Duitsland zijn westelijke, vaak Europese industrielanden. Meer dan de helft van de opbrengst van de buitenlandse handel is afkomstig uit handel met EU-lidstaten. Ook de handel met Midden- en Oost-Europese landen als Rusland, de Baltische staten, Polen en Tsjechië nemen steeds meer toe. Buiten Europa zijn de Verenigde Staten en Japan de belangrijkste handelspartners en ook de handel met andere Aziatische landen en landen rond de Stille Zuidzee wordt steeds intensiever. De waarde van de Duitse handel met Nederland bedroeg in 2001 85,6 miljard euro.

Import uit Nederland naar Duitsland in miljarden euro’s (2001):

1998 35,5
1999 36,1
2000 44,7
2001 46,3

Export vanuit Duitsland naar Nederland in miljarden euro’s (2001):

1998 35,2
1999 34,4
2000 39,0
2001 39,3

Voornaamste handelspartners in 2001 in miljarden euro’s:

Uitvoer Invoer
Frankrijk 70,7 Frankrijk 51,7
Verenigde Staten 67,3 Nederland 46,3
Verenigd Koninkrijk 53,3 Verenigde Staten 45,5
Italië 47,5 Verenigd Koninkrijk 45,5
Nederland 39,3 Italië 35,7
Oostenrijk 32,6 België 28,4

Verkeer

De grootste transportonderneming is de Deutsche Eisenbahn A.G. (DEAG), sinds 1994 geprivatiseerd. In 2002 beschikte Duitsland over 41.8100 kilometer rail, waarvan bijna 20.000 kilometer is geëlektrificeerd.
In 1999 werden ruim 1,9 miljard reizigers vervoerd en het totale aantal afgelegde personenkilometers bedroeg 73,6 miljard. Slechts 20% van het personenverkeer geschiedt met openbaar vervoer.
In 1999 werd er bijna 290 miljoen ton goederen vervoerd, een daling van 6,8% ten opzichte van 1998. In het algemeen is er een tendens dat er steeds minder goederen per spoor vervoerd worden. Dit komt vooral door de daling van transportopdrachten uit de mijnbouw.

De vrachtwagen is het belangrijkste transportmiddel voor het binnenlands transport. In de jaren vijftig was de spoorwegen nog de belangrijkste vervoerder, gevolgd door de binnenvaart en dan pas het wegtransport. Het vrachtautovervoer verzorgt nu 80% van alle goederentransport met een jaarlijkse capaciteit van 3 miljard ton goederen. Het wegennet meet ca. 321.000 km, waarvan ruim 11.309 km Autobahn.

De zeescheepvaart, met als belangrijkste havens Hamburg, Wilhelmshaven, Bremen, Bremerhaven, Lübeck, Kiel, Rostock, Wismar en Stralsund is van groot belang voor de Duitse economie. In 1999 werd er 217 miljoen ton omgeslagen via de Duitse zeehavens (138 miljoen ton uit het buitenland), 1,4% meer dan in 1998. Belangrijke ontvangst- en bestemmingslanden zijn Groot-Brittannië, Denemarken, Noorwegen, Zweden en Nederland. De Duitse koopvaardij beschikt over ca. 1400 schepen met een laadvermogen van ongeveer 7 miljoen ton bruto registerton.

De binnenvaart op rivieren en kanalen (2002: 6500 km bevaarbaar) is zeer druk; ruim 60% van de binnenvaart geschiedt over de Rijn, het drukste binnenwater in Europa. De belangrijkste havens zijn hier Duisburg, Keulen, Mannheim, Karlsruhe en Ludwigshafen. Duisburg is de grootste binnenhaven van Europa. In 2000 werd er door de binnenvaart bijna 230 miljoen ton goederen vervoerd (1999: 236,3 miljoen ton) Aarde, stenen en steenkool zijn de belangrijkste producten voor de binnenvaart. Het vervoer per container wordt steeds belangrijker (1999: 750.000 containers).

Top-10 Duitse binnenhavens naar goederenomslag:
Duisburg
Keulen
Hamburg
Mannheim
Ludwigshafen
Karlsruhe
Heilbronn
Berlijn
Frankfurt am Main
Neuss
De binnenvaart beschikt over een vloot van ca. 3000 schepen en is een relatief goedkoop en milieuvriendelijk transportmiddel. Na het wegvervoer en spoorwegvervoer neemt de binnenvaart de derde plaats in bij het goederenvervoer.

De luchtvaart wordt verzorgd door de Deutsche Lufthansa A.G. (opgericht in 1953) te Keulen. De belangrijkste luchthaven is Frankfurt am Main, gevolgd door Düsseldorf, Hamburg, München, Hannover, Stuttgart, Keulen, Neurenberg en Bremen. Er zijn drie luchthavens te Berlijn, Tegel in het westen, Schönefeld in het oosten en Tempelhof in het zuiden van de stad.
Het luchtvervoer wordt in Duitsland steeds belangrijker. Het aantal luchtpassagiers stijgt nog steeds fors, in 1999 waren er 92 miljoen internationale luchtreizigers die in Duitsland landden of vertrokken. De belangrijkste vliegbestemmingen van de Duitsers waren in 1999 Spanje (Mallorca en de Canarische eilanden), Groot-Brittannië, Verenigde Staten, Turkije, Griekenland, Italië en Frankrijk.
Verder werden er in 1999 ook nog 17,7 miljoen binnenlandse luchtreizigers geregistreerd. De belangrijkste binnenlandse luchtverbindingen zijn Frankfurt-Berlijn (Tegel), München-Düsseldorf, Frankfurt-Hamburg, Frankfurt-München en München-Berlijn.

Belangrijkste luchthavens van Duitsland in 1999:
Luchthaven starts en landingen passagiers vracht (x1000 ton)
Frankfurt am Main 426.000 45.349.000 1399,4
München 277.000 20.983.000 114,9
Düsseldorf 178.000 15.815.000 60,9
Hamburg 130.000 9.340.000 35,5
Keulen/Bonn 130.000 5.882.000 387,1
Berlijn (Tegel) 118.000 9.515.000
Stuttgart 118.000 7.568.000 20,3

Toerisme

Duitsland is een zeer populaire vakantiebestemming en de toeristische sector boekt elk jaar weer nieuwe records. In 1999 bedroeg het aantal overnachtingen (géén campingovernachtigingen) 308 miljoen, bijna 5% meer dan in 1998. Van deze 308 miljoen overnachtingen werd ca. 9% geboekt door buitenlanders. De belangrijkste herkomstlanden van de buitenlandse reizigers zijn Nederland, de Verenigde Staten en Groot-Brittannië.
Beieren blijft qua overnachtingen de Duitse topbestemming, op grote afstand gevolgd door Baden-Württemberg. De belangrijkste vliegbestemmingen voor de Duitsers zelf zijn Spanje (in 1998 totaal negen miljoen Duitsers; vooral Mallorca en de Canarische eilanden), Groot-Brittannië en de Verenigde Staten.
De TUI-groep (onderdeel van Preussag) is de grootste touroperator van Europa met in 1999 een omzet van meer dan 7 miljard euro en 12 miljoen klanten.

Overnachtingen naar herkomst in 2001:
Nederland 5,53 miljoen
Verenigde Staten 4,20 miljoen
Groot-Brittannië 3,52 miljoen
Italië 2,10 miljoen
Zwitserland 2,15 miljoen
Frankrijk 1,68 miljoen
Oostenrijk 1,65 miljoen
België 1,54 miljoen
Japan 1,34 miljoen
Zweden 1,23 miljoen
Denemarken 1,19 miljoen

Geschiedenis

Prehistorie en oudheid

Sommige in Duitsland gevonden menselijke resten behoren tot de oudste die in Europa gevonden zijn. Toch zijn artefacten van vóór de Riss/Saale ijstijd, ca. 150.000 jaar v.Chr. heel erg zeldzaam. Uit de tijd van de Neanderthalers zijn voorwerpen gevonden in zowel grotten als openluchtkampplaatsen. Uit het Magdalénien (18.000-10.000 v.Chr.) stammen unieke kampplaatsen waar leisteenplaten met afbeeldingen van mensen en dieren te zien zijn. Uit dezelfde periode stammen overblijfselen van de Hamburg-cultuur. Dit waren rendierjagers die de oudste bewoners waren van de Noord-Duitse laagvlakte.
Op het einde van de periode 8200-5300 v.Chr., het vroegste Neolithicum, komen we de eerste agrariërs tegen van de bandkeramiek-cultuur (5300-4800 v.Chr.). Hierna volgen nog de Rössen-cultuur (4800-4400 v.Chr.) en de Michelsbergcultuur (4400-3600 v.Chr.)
In het noorden zijn vuurstenen bijlen gevonden uit het mesolithicum en er zijn bewijzen dat er ca. 4500 v.Chr. contacten zijn tussen het noorden en het zuiden van Duitsland. Deze contacten leiden tot de Erteb?llecultuur die ca. 3800 v.Chr. wordt opgevolgd door de trechterbekercultuur. Vanaf 3100 v.Chr. tot aan het begin van de bronstijd kwamen in geheel Duitsland verschillende bekerculturen voor.
Zowel in het zuiden als in het noorden van Duitsland zijn centra van bronsindustrieën gevonden met grafheuvels en wapenuitrustingen. Vorstengraven met rijkdommem laten voor het eerst zien dat er sociale lagen in de bevolking te onderscheiden zijn.
De ijzertijd, vanaf 750 v.Chr., wordt verdeeld in de Hallstatt-cultuur en de La Tènecultuur met vondsten van zeer rijke vorstengraven en vorstenburchten. De La Tènecultuur wordt verder nog gekenmerkt door de prille vorming van steden. Overal waar de Romeinen zich niet vestigden duurde de ijzertijd voort tot aan de tijd van de volksverhuizingen, ca. 375 n.Chr.

Duitsland tot 843 n.Chr.

Het huidige Duitse grondgebied werd rond het begin van de jaartelling bevolkt door Germaanse volken en ten oosten daarvan door Slavische volken. Van echte staatsvorming was nog geen sprake, maar soms werden enkele groepen aangevoerd door wat je een koning zou kunnen noemen. De Romeinse legioenen van Julius Caesar onderwierpen ten zuiden en ten westen van de Rijn enkele Germaanse volken. Uit deze tijd stamt ook de Romeinse naam Germania.
Tijdens de periode van keizer Augustus werd Duitsland tot aan de Elbe bezet door de Romeinen. Dit duurde echter niet lang want na de verloren Slag in het Teutoburger Woud in het jaar 9 n.Chr., werd de Rijn weer de uiterste noordgrens en in het zuiden de Donau.
Uiteindelijk werden de Franken de leidende macht in deze regio. Onder Karel de Grote behoorde Duitsland, ten westen van de Elbe en langs de Donau tot aan het huidige Hongarije, tot het Frankische Rijk.

Het Duitse Rijk in de middeleeuwen

Het Duitse Rijk ontstond eigenlijk na het Verdrag van Verdun in 843 en het Verdrag van Meerssen in 870. In Verdun werd het Frankische rijk verdeeld onder de drie zonen van Lodewijk de Vrome. Lotharius werd keizer en regeerde over Italië, de Provence en een lange strook van Bourgondië over Lotharingen en Brabant richting Friesland. Karel de Kale kreeg het oude Gallië in het westen en Lodewijk de Duitser kreeg enkele gebieden op de linkeroever van de Rijn. Het rijk van Lotharius werd na diens dood in 855 verdeeld onder zijn drie zonen.
Lodewijk II kreeg Italië met de keizerskroon; Karel ontving het zuidelijk deel van de zich van de Middellandse Zee tot de Noordzee uitstrekkende middenzone en Lotharius II het noordelijk deel daarvan.
De grens tussen het noordelijke en zuidelijke deel werd gevormd door het Plateau van Langres. Dit noordelijk deel kreeg de naam van zijn heerser: Lotharingen (Regnum Lotharii). Na de dood van Lotharius II werd zijn rijk verdeeld tussen Karel de Kale en Lodewijk de Duitser (Verdrag van Meerssen, 870). De grens tussen het Franse en het Duitse Rijk kwam hierbij ongeveer samen te vallen met de rivieren de Saône en de Maas. In 880 kwam Lotharingen geheel aan Lodewijk de Jonge, zoon en opvolger van Lodewijk de Duitser en de Schelde werd en bleef vele eeuwen de grensstroom.
Het keizerlijke gezag had in deze tijd weinig te betekenen. De Karolingische troonpretendenten streden onderling om de macht en de stamhertogen werden steeds machtiger. De laatste Duitse Karolingische koning zou Lodewijk het Kind blijken te zijn. Hij gaf zijn kroon over aan de hertog van Frankenland, Koenraad I. Deze werd in 919 opgevolgd door Hendrik I en met hem begon de grote tijd van het Duitse Rijk, dat tot 1250 zou duren. Achtereenvolgens regeerden koningen en keizers van het Saksische Huis, het Salische Huis en het Huis der Hohenstaufen. De politiek van de Duitse koningen is in drieën te verdelen: de centrale keizerlijke macht mocht niet verloren gaan; men wilde het rijksgebied ten oosten van de Elbe vergroten en men streed tegen de pausen om de heerschappij van de kerk, de zogenaamde investituurstrijd. Otto I was een van de grote keizers die in 962 als eerste niet-Karolingische Duitse koning tot keizer gekroond werd en hij slaagde erin om zijn gezag nog uit te breiden, zowel ten opzichte van de wereldlijke rijksvorsten als van de pausen en bisschoppen.
Sinds die tijd spreekt men van het Duitse Rijk of het Heilige Roomse Rijk der Duitse natie. Ten tijde van de regering van Hendrik IV en zijn opvolgers woedde de Investituurstrijd die eindigde met het Concordaat van Worms in 1122, waarin vastgelegd werd dat de keuze van de bisschoppen aan de geestelijkheid werd overgedragen. Onder Frederik I stond het Duitse Rijk op het toppunt van haar macht.
Na de dood van Koenraad IV in 1254 braken er roerige tijden aan, het zogenaamde Interregnum. De keurvorsten kozen Rudolf Van Habsburg tot koning waarna de keurvorsten ca. 150 jaar lang eigenlijk konden doen wat ze wilden en er geen sterk centraal gezag was. Duitsland versplinterde tot een federatie met grote vorstendommen, vrije steden en vele heerlijkheden. Met Albrecht II ging de Duitse kroon definitief naar de Habsburgers.

Het Duitse Rijk onder de Habsburgers

Onder het bewind van Maximiliaan I (1493-1519) probeerde men nog enige staatkundige hervormingen door te voeren, maar het kwaad was allang geschied. De staatkundige desintegratie was al niet meer te stoppen en uiteindelijk zouden er rond de tijd van de Reformatie ca. 2500 staatjes ontstaan. Het keizerschap werd steeds verder uitgehold en ook de Rijksdag, die de drie rijksstanden in zich verenigde, keurvorsten, vorsten en vrije steden, kon geen centrale rol spelen in de politieke verhoudingen. In de streken die protestants werden wisten de stadsbesturen en de vorsten hun machtspositie nog verder te versterken. Er werd zelfs een eigen kerkelijke organisatie ingesteld, het “Landeskirchentum”.
De godsdienstige verdeeldheid leidde vooral aan rooms-katholieke zijde tot veel onrust en leidde ten slotte tot de Dertigjarige Oorlog. De katholieke Habsburgers hoopten door middel van deze oorlog ook het keizerlijk gezag weer te herstellen.
Op het hoogtepunt van de katholieke successen kondigde Ferdinand II in 1629 het Restitutie-edict af, dat indirect ook zijn keizerlijk gezag moest schragen. Toen bleek evenwel dat zelfs de Duitse bondgenoten van het Habsburgse Huis de onbeperkte handhaving van de liberteit der rijksstanden boven het belang van de katholieke zaak stelden, zodat het hele streven op niets uitliep. In de latere fase van de Dertigjarige Oorlog, toen duidelijk was dat op Duitse bodem in feite Europese machtsconflicten werden uitgevochten, vond weliswaar een toenadering plaats tussen de keizer en de overige Duitse vorsten, doch het was al te laat om de noodlottige ontwikkeling tegen te gaan.
De Vrede van Westfalen (1648), die de godsdienstige verhoudingen in het Heilige Roomse Rijk definitief geregeld heeft en zodoende aan het langdurige conflict een eind heeft gemaakt, is in andere opzichten voor de Duitse natie funest geweest. Het Rijk, dat gedurende die oorlog de zwaarste beproevingen had moeten doorstaan, boette thans voor zijn machteloosheid met het verlies van uitgestrekte gebieden, met name in het westen, en verzwakte wat zijn staatkundige structuur betrof steeds meer. Van het keizerschap bleef nauwelijks meer over dan een lege titel, en de afzonderlijke Duitse staten die het “Ius foederationis” hadden verworven, mochten voortaan nagenoeg zonder beperkingen een eigen buitenlands beleid voeren.
Met de opkomst van Brandenburg-Pruisen werd in de rijkspolitiek het tijdperk van het Oostenrijks-Pruisische dualisme ingeluid. Dit betekende de laatste fase van het staatkundige verval van het Heilige Roomse Rijk. Beide grootmachten beschouwden de rest van het Rijk als speelruimte voor hun belangenpolitiek en werden daarin gevolgd door kleinere landen als Saksen, Beieren en Hannover. Het was tekenend voor deze situatie dat het volk ten slotte nog maar de versnipperde gebieden aan de Midden-Rijn het Rijk noemde.

Franse overheersing

De tijd van de revolutionaire en Napoleontische oorlogen in de periode 1792-1815 zou grote gevolgen hebben op politiek gebied. Zo lijfde Frankrijk al het land aan de linker Rijnoever in en kregen de grote Duitse staten als compensatie wat kleine dwergstaatjes. Napoleon zorgde er zo voor dat de Franse invloed in Duitsland steeds sterker werd. In 1806 stichtten zestien Duitse vorsten de Rijnbond, wat het definitieve einde van het Heilige Roomse rijk betekende. De laatste keizer, Frans II, sinds 11 augustus 1804 ook keizer van Oostenrijk, legde op 6 augustus 1806 onder Franse druk het keizerschap neer.
Niet lang daarna raakte Pruisen in oorlog met Frankrijk en verloor daarbij haar halve grondgebied. Het Pruisische gebied dat overbleef kreeg echter zware materiële lasten opgelegd, en was daardoor met handen en voeten gebonden aan Frankrijk. De vroegere Pruisische gebieden werden verdeeld onder de Rijnbondsstaten. In 1810 werd er een brede kuststrook in Noordwest-Duitsland door de Fransen ingelijfd waar de belangrijke havensteden Bremen, Hamburg en Lübeck lagen.
De Rijnbond was intussen, met uitzondering van Pruisen en Oostenrijk, uitgebreid met alle bestaande Duitse staten. Deze bond was echter geheel afhankelijk van Frankrijk en een instrument van Franse politiek.
De meeste Duitsers leden niet erg onder het feite dat de Duitse natie min of meer onder Franse heerschappij was geraakt. Alleen in Pruisen was sprake van sterke anti-Duitse sentimenten. Dit leidde zelfs tot een bevrijdingsoorlog van 1813-1815, waarvan de bevolking echter nauwelijks onder de indruk was.

Op weg naar de Duitse eenheid

Pas na het Congres van Wenen in 1815 kwamen de nationale gevoelens weer opborrelen. Duitsland bleef namelijk verdeeld in 39 staten van verschillende grootte en betekenis met vaak een versnipperd grondgebied. Samen vormden deze staten de Duitse Bond. Pruisen was ontevreden omdat het in de Duitse politiek op de tweede plaats terechtkwam. Dit kwam o.a. omdat de Berlijnse bewindslieden samen met Klemens Metternich optrokken, die in zijn eentje de koers van de Duitse Bond bepaalde.
Hij was een verklaard tegenstander van alle nationale en liberale stromingen en probeerde de ontwikkeling naar het constitutionalisme af te remmen. Ook de Duitse staten die al een grondwet hadden werden belet in hun streven naar een liberaal bewind. De Bond greep steeds vaker in, maar met name in Pruisen werd een steeds hechtere eenheid, vooral uit economisch eigenbelang. Het riep zelfs een “Zollverein” in leven die in 1834 al de meeste Duitse staten omvatte.
Na de Maartrevolutie van 1848 kwamen in Duitsland alle nationalistische en radicale stromingen samen en in Frankfurt kwam de eerste gekozen nationale vergadering bij elkaar. Deze vergadering had als taak om het toekomstige Duitse Rijk een vrijzinnige grondwet te geven en tevens werd er een provisorisch Rijksbewind ingesteld onder leiding van aartshertog Johan. Door grote politieke meningsverschillen liep deze poging op niets uit.
In 1849 trad de grondwet eindelijk in werking en werden de Duitse landen, behalve Oostenrijk, in een erfelijk keizerrijk onder Pruisische leiding verenigd. De Pruisische koning weigerde het keizerschap echter en hiermee leed het liberale nationalisme een zware nederlaag. Pruisen probeerde nog een Duitse Unie op te richten maar dat mislukt door tussenkomst van Oostenrijk en Rusland, en in 1850 werd de oude Duitse Bond weer in ere hersteld.
Oostenrijk verloor in de Duitse politiek veel gezag door o.a. een nederlaag in Italië. Daardoor werd Pruisen steeds machtiger, zowel op militair als op economisch gebied. In 1862 kwam de conservatieve Otto von Bismarck in Berlijn aan het bewind, en al snel ontstond er een grote interne crisis binnen de Duitse Bond. Bismarck lag in zijn eigen Pruisen overhoop met de liberalen en probeerde met behulp van liberalen en radicale nationalisten in andere Duitse landen de Oostenrijkse hegemonie te bestrijden. Dit leidde uiteindelijk tot een Duitse broederoorlog in 1866, waarin Oostenrijk en zijn bondgenoten een zware nederlaag leden.
Als gevolg hiervan viel de Duitse Bond uit elkaar en de Vrede van Praag zorgde ervoor dat Oostenrijk definitief uit de Duitse politiek verdrongen werd. Pruisen werd steeds sterker en richtte met de Duitse staten ten noorden van de rivier de Main de Noord-Duitse Bond op, een veel sterker lichaam dan zijn voorganger met zelfs een gekozen parlement. De Zuid-Duitse staten werden formeel onafhankelijk en sloten alliantieverdragen met de Noord-Duitse Bond, waadoor met name de economische banden verstevigd werden.
Door deze verdragen mislukte ook het streven van Oostenrijk en Frankrijk om de Zuid-Duitsers tegen Pruisen uit te spelen. In 1871 zorgde een oorlog tussen de Noord-Duitse Bond en de Zuid-Duitse staten enerzijds en Frankrijk anderzijds ervoor dat de Duitse eenheid een feit werd.

Het rijk der Hohenzollern

Op 18 januari 1871 werd te Versailles door Bismarck het Duitse keizerrijk gesticht. De Pruisische koning Wilhelm I werd de Duitse keizer, alleen het Habsburgse Rijk werd uitgesloten en er kon van een Groot-Duits rijk voorlopig nog geen sprake zijn. Tegenvallend was verder nog dat het in feite een vorstenbond onder Pruisisch leiding betrof en niet de gewenste liberale constitutionele monarchie. Hierdoor bleef Bismarck een grote invloed uitoefenen op het nieuwe rijk en bleven de kroon en de oude feodale bovenlaag de dienst uitmaken en werd de invloed van de burgers beknot.
Bovendien bleven de afzonderlijke staten, met name Beieren, met hun vorsten en eigen regeringen gewoon voortbestaan en viel het ambt van Rijkskanselier meestal samen met dat van Pruisisch minister-president. Hierdoor ontstond er een ingewikkelde twee-eenheidsverhouding tussen het Rijk en tussen Pruisen, waarbij het buitenlandse beleid en de belangrijkste zaken op binnenlands gebied werden bepaald door de rijksregering. Bismarck wist op een handige manier voor een meerderheid in de Rijksdag te zorgen en speelde daarmee de partijen tegen elkaar uit.
Hij had zich eerst met de liberalen verbonden door zijn eenheidspolitiek. Samen met de liberalen probeerde hij de culturele invloed van het internationaal georiënteerde katholicisme te breken om daardoor van cultureel en religieuze zaken een exclusieve staatsaangelegenheid te maken. Deze zogenaamde “Kulturkampf” werd pas rond 1878 beëindigd na een reeks van zeer omstreden antikerkelijke maatregelen. Daar kwam nog bij dat de gematigde Leo XIII paus werd en Bismarck de katholieke centrumpartij weer hard nodig had.
Ondertussen was Duitsland van een overwegend agrarisch land in een industriële maatschappij omgevormd. De industrie en de nijverheid werden door Bismarck zozeer beschermd via een protectionistische politiek dat hij in conflict kwam met de liberalen en hun vrije economische ideeën. Vooral steunend op de agrarische conservatieven kwam hij ook steeds meer in conflict met de socialisten, wat hij door middel van sociale verzekeringen weer trachtte te maskeren. In 1888 aanvaardde Wilhelm II de kroon, en zijn vooruitstrevende plannen leidden al snel tot conflicten met de kanselier, met als uiteindelijk gevolg dat Bismarck in 1890 ontslagen werd.
Het buitenlandse beleid van Bismarck was erop gericht dat de vrede gehandhaafd moest blijven en daartoe werden er allerlei allianties aan te gaan. Een belangrijk doel was om Frankrijk te isoleren in de wereldpolitiek. Via het Congres van Berlijn in 1878 kon een aankomend conflict in de Balkan in de kiem gesmoord worden. Ook de tegenstanders Oostenrijk en Rusland wist hij aan Duitsland te binden. Toch bleek de sterke positie van Duitsland maar schijn te zijn en werd de positie van Duitsland in de internationale verhoudingen sterk overschat. In 1892 sloten de Fransen en de Russen een bondgenootschap en in 1904 de Engelsen en de Fransen. Deze gedachten werden nog gevoed door de geweldige vooraanstaande economische positie op de wereldmarkt van de economie na de Verenigde Staten en Groot-Brittannië.
Onder Bismarck was er al een koloniaal rijk ontstaan in Afrika en Oceanië en dit imperialistische streven werd steeds sterker (o.a. China en Nabije-Oosten). Dit imperialistische gedrag en de uitdagende houding bij veel internationale spanningen dreven Duitsland in een isolement, zozeer zelfs dat het op een gegeven moment alleen nog gesteund werd door de verdeelde Habsburgse monarchie.
In de Eerste Wereldoorlog stond het militaire krachtige Duitsland samen met Oostenrijk dan ook tegen een Brits-Frans-Russisch bondgenootschap. Duitsland werd alleen gesteund door Turkije en Bulgarije. De fronten lagen in Frankrijk en Polen en men slaagde erin om de oorlogshandelingen buiten Duitsland te houden. De bevolking van Duitsland toonde een opmerkelijke eensgezindheid en zelfs de socialisten steunden de grote uitgaven die met de oorlog gepaard gingen.
De oorlog vergde echter steeds meer slachtoffers, de bondgenoten werkten niet goed mee en de tegenstanders groeiden uit tot ongeveer dertig staten, en een snelle overwinning bleek onmogelijk. Hierdoor ontstond onrust onder de bevolking die weer constitutionele hervormingen wilde om zo een einde te maken aan de machtige positie van de oude elite. In 1918 werd vrede gesloten met Rusland, maar o.a. door de deelname van de Verenigde Staten aan de oorlog streed Duitsland aan het Westfront een verloren strijd en volgde de totale ineenstorting. Op 9 november 1918 kwam er een einde aan de monarchie en werd de Republiek uitgeroepen.

De Weimar-republiek

De nieuwe republiek had aanvankelijk de moeilijke taak om een wapenstilstand te sluiten en daarna vrede met de overwinnaars te sluiten. Op 28 juni 1919 werd de Vrede van Versailles gesloten en moest Duitsland Elzas-Lotharingen, andere grensgebeiden en alle koloniën afstaan. Verder werd de oostgrens opnieuw vastgesteld met als gevolg dat Oost-Pruisen bij Polen gevoegd werd en dit werd door de Duitsers als zeer vernederend ervaren. Het leger werd sterk ingekrompen en er moesten hoge herstelbetalingen betaald worden. In Weimar was inmiddels een democratische grondwet uitgewerkt met nog wel vrij grote bevoegdheden voor de president. Eerste rijkspresident werd de socialist Friedrich Ebert.
De eerste jaren van de Weimar-republiek kenmerkten zich door economische ellende en politieke chaos. In 1923 werd het voorlopige dieptepunt bereikt door de Franse Ruhrbezetting en de inflatie die de hele economie ontwrichtte. Rechtse en linkse radicale bewegingen bedreigden de eenheid. De jaren hierna zorgden voor een normalisering en verbetering van de toestand in het land. Internationale spanningen verminderden door het Pact van Locarno in 1925. In 1929 brak de wereldwijde economische crisis uit en ook Duitsland werd zwaar getroffen. De werkloosheid groeide enorm en dat was een prima voedingsbodem voor allerlei radicale groeperingen om zich steeds nadrukkelijker te manifesteren, met name de Nationalsozialistische Deutsche Arbeiterpartei (NSDAP) van Adolf Hitler profiteerde daarvan en behaalde in 1930 107 zetels in de Rijksdag en werd daardoor de tweede partij van Duitsland na de SPD. Tussen 1930 en 1933 probeerden enkele buitenparlementaire kabinetten de economische en politieke toestand de baas te worden. De socialisten werden echter al snel uitgeschakeld en in 1932 kwam de NSDAP als sterkste partij uit de bus. Onder de voortdurende dreiging van een militaire staatsgreep en de massale aanhang van de NSDAP was er geen regering die iets durfde te ondernemen tegen de nationaal-socialisten en fascisten van Hitler. Op 30 januari 1933 werd hij zelfs rijkskanselier van een kabinet met nationaal-socialisten, Duits-nationalen en partijloze conservatieven.

Het Derde Rijk

Op een ingenieuze, niets ontziende manier wist Hitler binnen enkele maanden alle coalitiepartners uit te schakelen en er ontstond een dictatoriaal eenpartij-regime gebaseerd op terreur en uitmondend in een totalitaire staat zonder weerga. Vakbonden werden opgeheven, andere partijen werden uitgeschakeld, de eerste jodenvervolgingen vonden plaats en er werden concentratiekampen opgericht.
In augustus 1934 stierf Hindenburg, rijkspresident sinds 1925 en dat bood Hitler de mogelijkheid staatshoofd te worden en daarmee tevens dictator. Langzaamaan wist hij zich van alle tegenstanders te ontdoen en ook het leger wist hij zijn macht te krijgen. Dit werd hem allemaal nog wat gemakkelijker gemaakt door de stijgende internationale conjunctuur waardoor de economische toestand na de crisisjaren daadwerkelijk verbeterde. Het buitenlandse beleid werd steeds agressiever en hij werd daarbij geholpen door de zwakte en de neiging tot het doen van concessies door het Westen. Het werd het al snel duidelijk dat Hitler aanstuurde op een oorlog. In 1938 werden Oostenrijk en Sudetenland geannexeerd en begin 1939 volgden Bohemen, Moravië en Memelland. Op 1 september viel Hitler Polen binnen en brak de Tweede Wereldoorlog uit.
Het lukte de Duitsers al snel om het grootste deel van het Europese continent te veroveren. Pas na de mislukte aanval op de Sovjet-Unie in juni 1941 keerden de kansen. Groot-Brittannië, de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie keerden zich nu gezamenlijk tegen de Duitse Wehrmacht en de oorlog eindigde voor Duitsland in een totale nederlaag in mei 1945. Nu pas kwam de ware aard van het fascistische bewind bovendrijven met de ontdekking van de concentratiekampen waar o.a. zes miljoen joden vermoord waren.

Politiek

Wat voor een politiek voerden de geallieerde in hun sectoren?

De Amerikanen en Soviets hadden een compleet andere ideologie en idee over het politieke systeem. De Soviet-Unie had in Oost-Duitsland een planeconomie, dit is een economie waarin de overheid de markt stuurt, dus zij zeggen wat er moet worden geproduceerd en hoeveel en tegen welke prijs, het word dus niet aan de markt overgelaten.
De Amerikanen, Engelse en Franse voerden echter een vrije markteconomie, dit is een economie waarin het geheel aan de markt word overgelaten.
Daarnaast stond de pers en iedere andere vorm van communicatie onder strikte censuur in Oost-Duitsland. In West-Duitsland was er sprake van een vrije meervoudige pers.
Vanaf de zomer van 1945 stemden alle vier de geallieerde bezettingsautoriteiten erin toe, dat er in geheel Duitsland politieke partijen gevormd werden. Twee extreem linkse partijen die al ten tijde van de Republiek van Weimar hadden bestaan, ontstonden direct weer. Dit waren de Socialistische Partij Duitsland (SPD) en de Communistische Partij Duitsland (KPD), deze was loyaal aan de Sovjet-Unie.
Al snel kwam hier nog de volgende nieuw gevormde partij bij: de Christen Democratische Unie (CDU), met haar zusterpartij, de Christen Sociale Unie (CSU).
Liberale Duitsers vormden de Vrije Democratische Partij (FDP) in West-Duitsland en de Liberale Democratische Partij (LDP) in Oost-Duitsland.
Verder ontstonden er nog tal van kleinere partijen (met name in West-Duitsland).
In het voorjaar van 1946 gingen de SPD en de KPD, onder druk van de Sovjets, in de oostelijke zone samen. Het resultaat was de Socialistische Eenheidspartij Duitsland (SED). Deze partij behaalde, met de steun van de Sovjets, de overwinning bij de eerste verkiezingen, in de Sovjet zone. Maar toen in oktober verkiezingen in Berlijn, dat onder viermachtenbezetting lag, gehouden werden, kreeg de SED nog niet de helft van de stemmen die de SPD kreeg.
Al na enkele jaren werd duidelijk dat vier-machten-samenwerking er voorlopig niet in zat en zodoende besloten de westerse bezettingsmachten in het voorjaar van 1948 om op zich zelf verder te gaan. De westerse geallieerden voorzagen grote problemen met de Duitse bevolking wanneer er niet snel verandering in de huidige economische situatie zou komen. Vormen van politiek extremisme staken weer de kop op. De westerse machten besloten daarom tot Amerikaanse economische hulpverlening (de Marshallhulp die een jaar eerder al was gegeven aan andere West-Europese landen). Om het effect van die hulpverlening te vergroten bewerkstelligden de westerse geallieerden in hun zones van Duitsland een nieuwe munteenheid, die de aan sterke inflatie lijdende Rijksmark verving met de Duitse Mark. De West-Duitse economie reageerde direct toen de eerst nauwelijks te verkrijgen goederen voor weinig geld op de markt kwamen.

De Sovjets reageerden woest op de westerse valutahervorming, welke tot stand was gekomen zonder hun toestemming. Toen de nieuwe Duitse Mark ook in Berlijn werd geïntroduceerd, protesteerden de Sovjets d. m. v. het boycotten van de geallieerde controleraad. In juni 1948 kwam het zelfs zover dat ze alle toegangswegen tot West-Berlijn blokkeerden, zodat er geen voedsel, benzine en grondstoffen meer aan de geallieerde sectoren van Berlijn geleverd konden worden. Op deze manier trachtten de Sovjets de westerse geallieerde macht in Berlijn te verlammen en zo West-Berlijn in handen te krijgen. West-Berlijn was als verst vooruitgeschoven post van het westen namelijk het symbool van de Westerse vrijheid. Helaas voor hen slaagden de westerse strijdkrachten er in om gedurende de winter van 1948-1949 een 24-uurs luchtbrug in stand te brengen en te houden. D. m. v. deze werden de West-Berlijners gedurende die winter voorzien van de benodigde hoeveelheden voedsel en brandstof.
Het behoud van West-Berlijn was de wens van president Truman en kwam voort uit zijn containment-politiek. Tijdens de blokkade van Berlijn is toen ook de NAVO opgericht, met als doel het afschrikken van de Sovjets van een aanval op West-Europa. In mei 1949 gingen de Sovjets toch nog overstag en werd de blokkade opgeheven. D. m. v. deze blokkade was wel duidelijk geworden dat de scheiding van de invloedssferen definitief in Duitsland was komen te liggen.
Er werden op initiatief van de westerse mogendheden voorstellen gedaan om tot oprichting van een Duitse Weststaat te komen. De grondslag voor zo’n staat lag bij de westerse ideeën aangaande politiek (democratie) en economie (kapitalistisch). De Duitse politici waren geen voorstanders van het vormen van zo’n staat, maar wilden nog altijd een verenigd Duitsland. Uiteindelijk kwam in september 1949 in Bonn een parlementaire raad bijeen, die tot taak had het opstellen van een grondwet. Deze raad bestond uit 65 leden. Met elk 27 zetels waren de CDU/CSU en de SPD had sterkst vertegenwoordigd in deze raad. Daarna kwamen de Vrije Democraten met 5 zetels en de Communisten met 2 zetels. De rest was verdeeld onder de kleinere partijen. Deze raad voltooide haar werk in het voorjaar van 1949 en de Bondsrepubliek Duitsland (BRD) werd in mei 1949 een feit, nadat alle provincies op één na de grondwet hadden goedgekeurd. Als hoofdstad werd de kleine universiteitsstad Bonn gekozen.
De regering die ontstond na eerste algemene verkiezingen van de Bondsrepubliek in augustus 1949 was gebaseerd op een coalitie van de CDU en de FDP.
In eerste instantie had de Sovjet-Unie ook gestreefd naar eenwording van de twee Duitslanden. Maar de economische en politieke ideeën van de Sovjets waren voor de westelijke geallieerden nu eenmaal niet aanvaardbaar. De Sovjet-Unie streefde in de door haar bezette gebieden naar de vernietiging van het nationaal-socialisme/fascisme en het kapitalisme.
Als antwoord op de vorming van de BRD werd in de Soviets bezettingszone op 7 oktober 1949 een door het Volkscongres opgestelde grondwet in werking gesteld, waarmee de Duitse Democratische Republiek (DDR) opgericht werd. Hiermee was de tweedeling van Duitsland een feit. De Sovjetsector van Berlijn werd de hoofdstad van de DDR, maar verder hield Berlijn zijn viermogendhedenstatus.

Werkstuk Management & Organisatie Verzekering paardenstal

Inleiding:

Voor het vak managen heb ik de opdracht gekregen om inzicht te krijgen over de verschillende risico’s die er aanwezig zijn op een paardenbedrijf en hoe deze risico’s gedekt kunnen worden, op papier te zetten. Ik vond het heel leuk om te doen en heb eer ook een hoop van geleerd. Een ongelukje zit namelijk in klein hoekje.

Je kon kiezen uit drie soorten bedrijven. Bedrijf 1 is een groot manege bedrijf met pensionstal, op dit bedrijf worden het hele jaar door tal van activiteiten georganiseerd als concoursen, buitenritten etc. Op dit bedrijf zijn, buiten de eigenaar, tevens een aantal fulltimers en stagiaires werkzaam. Bedrijf 2 is een kleine handel- en africhtingstal met 10 boxen. Op dot bedrijf is de eigenaar werkzaam met twee stagiaires. Bedrijf 3 is een ruitersportzaak gevestigd in een gehuurd pand. Eigenaar is hier werkzaam met een aantal parttimers.

Ik heb voor bedrijf 2 gekozen, omdat ik eigenlijk helemaal niet zo veel weet van een handelstal met africhting erbij, hierbij heb je ook veel te maken met jonge paarden, we hebben thuis zelf wel paarden maar dat is toch anders als op een echt bedrijf. Al met al lijkt het me dus heel leuk om dit bedrijf onder de loep te nemen.

A: Aanwezige risico’s:

Op een handel-africhtingsstal komen natuurlijk veel risico’s voor. Hieronder zet ik ze allemaal op een rijtje.

Gebouwen:
 Brand
 Niet goed werkende brandblussers
 Slechte manegebodem
 Blessures paard
 Instorten
 Niet goed sluitende deuren
 Scherpe randen aan muren/wanden
 Slechte omheiningen/slecht afgesloten erf

Goederen:
 Bedorven voedsel zoals hooi, stro, brokken etc.
 Slecht harnachement
 Slecht stalgereedschap

Paarden:
 Trap van paard
 Val van paard
 Kopstoot van paard
 Geen verkoop
 Retour verkocht paard
 Ziekte paard
 Paard ligt vast
 Been tussen tralies
 Paard knalt door omheining

Mensen:
 Verzuim
 Niet goed handelende dierenarts/hoefsmid
 Ruzie met eigenaar paard
 Val van ladder/trap

Overige:
 Diefstal van paard
 Diefstal van harnachement


B: Risicopreventieplan

Om risico’s zo min mogelijk te laten voorvallen, is het handig om een risicopreventieplan op te stellen. Hieronder volgt een risicopreventieplan.
Eerst vertel ik wat over de oorzaken van bij A genoemde voorkomende risico’s, daarna vertel ik wat over het analyseren van het risico. Of te wel R= K x S (Risico = Kans x Schadeomvang). Ook stel ik een preventie op omdat we willen dat het zo min mogelijk voor komt. Je kunt natuurlijk niet voor de volle 100% voorkomen maar je kunt het wel minderen. Daarna vertel ik nog of ik er voor wil verzekeren of niet en waarom.

Gebouwen:

Brand

Oorzaken van brand:
Oorzaak van brand kan zijn dat mensen roken in de stallen, in de buurt van hooi, stro, zaagsel etc. Dit zijn erg brandgevoelige producten. Ook een oorzaak van brand kan zijn dat er kortsluiting ontstaat ergens in de stallen. Ook muizen kunnen kortsluiting veroorzaken doordat deze de kabels kunnen doorknagen. Broeiende hooibalen kunnen ook een oorzaak zijn van brand. Geen brandgevoelige vloeistoffen in de buurt van warmtebronnen laten liggen.

Analyseren van risico brand:
De kans op brand is erg groot, omdat je veel brandbaar spul hebt in je stallen, en je best veel elektrische apparaten in en rond je stallen hebt en ook gebruikt. Als er brand uitbreekt is de schade erg groot.

Risico = Kans x Schadeomvang
Risico = Groot x Erg groot

Dus het risico dat er brand uitbreekt is dus ook groot

Preventie:
Niet roken in de stallen en in de buurt van brandbaar spul, het gebruik van deugdelijke elektrische apparaten, regelmatig laten controleren van kabels. Een kat aanschaffen voor de muizen en muizenvallen neerzetten. Broeiende hooibalen direct verwijderen, en hooi, zaagsel, stro apart opslaan in een andere schuur als dat mogelijk is. Brandgevoelige vloeistoffen ergens apart bewaren, en natuurlijk brandblussers in de stallen neerhangen. En sprenkel installaties neerhangen en een rookmelder. Als er uiteindelijk wel brand uitbreekt dan is het het beste om eerst zelf via een vluchtroute na buiten te vluchten, nadat je de paarden en de rest naar buiten hebt gered, de brandweer te bellen. Wat is een vluchtplan? Een vluchtplan is een verzameling van afspraken die je samen met de mensen met wie je werkt maakt voor het geval dat er brand uitbreekt. Door middel van een vluchtplan maak je duidelijk wat de snelste weg is om naar buiten te komen en weet iedereen wat zijn of haar verantwoordelijkheden zijn als er brand uitbreekt. Hoe stel je een vluchtplan op?
 Leg de veiligste en snelste vluchtroutes vast, teken deze uit en hang het op een duidelijke plek neer.
 Maak en taakverdeling, wie is verantwoordelijk voor welke paarden etc.
 Maak een afspraak voor een vast plek war de sleutels ALTIJD zijn te vinden.
 Als het kan is het het beste om de uitgang aan de straatkant als eindpunt van je vluchtroute te nemen zodat de hulpverleners je direct kunnen zien.
 Zorg ervoor dat de vluchtroutes altijd vrij zijn, dus dat er geen dingen in de weg staan, zoals kruiwagen en dergelijke.
 Oefen het vluchtplan met de mensen van jouw werkvloer zodat iedereen goed weet hoe de vluchtroutes eruit zien.

Verzekeren?:
Ik wil er wel tegen verzekeren omdat de kans dat er brand ontstaat groot is en de schade die je ervan krijgt erg groot is. Als er wel brand uitbreekt dan krijg je mits je verzekert bent een deel ervan vergoed. En dat scheelt je enorm in de kosten. Dus mijn mening is om je er wel tegen te verzekeren.

Niet goed werkende brandblussers

Oorzaken van niet goed werkende brandblussers:
Oorzaken kunnen zijn dat de brandblussers erg oud zijn, en daardoor niet goed werken. Dat de brandblussers bijna leeg zijn en dat er daardoor niet genoeg druk op staat als je het gaat gebruiken. Ook kan het voorkomen dat je de verkeerde soort brandblussers hebt die niet geschikt zijn voor het soort brand waar je me te maken hebt. Dat staat aangegeven op de brandblusser voor welke klasse het geschikt is. De meeste klasses die worden aangegeven zijn voor meerdere soorten brand.

Analyseren van risico slecht werkende brandblusser:
De kans dat een brandblusser niet goed werkt is klein, want meestal als je zoiets aanschaft kun je ervan uitgaan dat datgene ook daadwerkelijk goed werkt. De kans dat je een brandblusser hebt die niet geschikt is voor jou brand is klein. De schade die er door kan ontstaan als je niet goed werkende of niet geschikte blussers hebt is groot.

Risico = Kans x Schadeomvang
Risico = Klein x Groot

Dus het risico dat je niet goed werkende brandblussers hebt is middelmatig.

Preventie:
Door het regelmatig controleren van je brandblussers kun je voorkomen als er brand uitbreekt dat je zonder blusmiddel zit. En door het regelmatig vervangen van een blusser voorkom je dat deze te oud wordt. (1x per jaar vervangen). Door een brandblusser aan te schaffen die geschikt is voor alle klasse branden, zit je altijd goed. Hieronder een lijstje met een aanduiding per klasse:

Verzekeren?:
Ik zal er niet tegen verzekeren omdat de kans dat je zoiets overkomt middelmatig is en doordat je het regelmatig laat controleren, er niet zoveel kans is dat jou blussers het niet doen. En ook al verzeker je je er tegen op het moment dat er brand is en jouw blussers het niet doen heb je er toch niets aan als je er tegen verzekerd bent en de brand gaat lekker zijn gang, je kunt je daarom beter verzekeren tegen brand.

Slechte manegebodem

Oorzaken van slechte bodems:
Zeer oude bodems die nodig aan vervanging toe zijn. Als men een slechte bodem in huis heeft, kan dit gevolgen hebben op de spieren en pezen van een paard. Het paard kan hierdoor blessures oplopen op zowel korte als lange termijn, hier kunnen heel veel kosten aan verbonden zijn. Ook kan het nadelig werken tegen de ruiter. Als hij of zij van het paard valt en op een erg harde bodem terecht komt met alle gevolgen van dien.

Analyseren van risico slecht manegebodem:
De kans dat een manegebodem echt slecht is, is vrij klein, meestal als je een bedrijf aanschaft kijk je ook mede naar de bodem die er in de rijbaan ligt. Ook als jij het vrij belangrijk vindt voor je paarden dat zij elke dag op een fijne bodem lopen, onderhoudt je deze ook goed en laat je hem regelmatig bijvullen en inspecteren. Dus de kans is vrij klein dat zo iets gebeurt, de schadeomvang is daarbij ook klein, maar als er wel wat gebeurt (met een slechte bodem) dan kunnen de kosten hoog oplopen.
Natuurlijk gebeurt er altijd wel wat, ieder paard krijgt wel eens een blessure en iedere ruiter valt er wel eens af, maar je kunt het niet helemaal voorkomen maar wel verminderen. Natuurlijk verschilt het ook per mening. De een vindt het wel een fijne bodem en de ander niet, zo verschilt het per paard ook, het ene paard loopt wel fijn op je bodem en de ander niet.

Risico = Kans x Schadeomvang
Risico = Klein x Klein

Dus het risico dat je geen goede manegebodem hebt is klein.

Preventie:
Regelmatig laten slepen en kantjes harken en natuurlijk wanneer nodig is bij laten vullen en sproeien. En je paarden natuurlijk goede bescherming geven om de benen.

Verzekeren?:
Nee, ik zou er niet tegen verzekeren, want de kans is erg klein dat je zoiets gebeurt. Natuurlijk gebeurt er altijd wel wat maar om daar nu je manegebodem tegen te verzekeren zie ik niet zo zitten, verzeker dan je paard ertegen.

Instorten

Oorzaken van instorten:
Voor het instorten van gebouwen kunnen veel dingen voorkomen, zoals zwakke muren en niet goed onderhouden daken en wanden. Ook zijn vaak oude gebouwen hier de oorzaak van, dat de draagmuren het allemaal niet meer aankunnen en op een gegeven moment op instorten staan of gaan instorten. Of dat daken het met hevige sneeuwval niet meer kunnen dragen en dat het hele zaakje naar beneden komt.

Analyseren van risico instorten:
De kans voor zoiets is wel klein, als je altijd goed je gebouwen onderhoudt, is de kans wel klein. Maar gebeurt het wel dan is de schadeomvang erg groot.

Risico = Kans x Schadeomvang
Risico = Klein x Groot

Dus het risico dat je gebouwen gaan instorten middelmatig, waarom? Omdat de kans klein is en de schadeomvang groot dus zodoende ben ik op middelmatig uitgekomen.

Preventie:
Het goed onderhouden van je gebouwen, regelmatig laten controleren, en als er hevig sneeuwval is, als het kan, sneeuw verwijderen. Ook is het verstandig om je gebouwen eens in de zoveel tijd te renoveren. En te verstevigen.

Verzekeren?:
Ja, ik zou er toch tegen verzekeren, als er wel wat gebeurt, is de schade niet meer te overzien. En het gaat wel om je bedrijf.

Niet goed sluitende deuren

Oorzaken van niet goed sluitende deuren:
De oorzaak hiervan kan zijn dat de deur te groot is voor het kozijn waar het in moet. Als je eerst een deur op de goede maat maakt en dan in het kozijn hangt, vervolgens wordt deze deur vochtig van binnen en gaat werken, het gaat dus uitzetten, en vervolgens wil de deur niet meer sluiten. Een gevolg hiervan kan zijn dat iemand toch de deur doortrekt en zit vervolgens opgesloten in de w.c. of zoiets. Of er glipt een hond doorheen en loopt naar buiten en komt onder de auto.

Analyseren van risico niet goed sluitende deuren:
De kans dat zoiets voorkomt is zeer klein en de schadeomvang is er ook erg klein. Natuurlijk kan er iets gebeuren maar het komt niet vaak voor.

Risico = Kans x Schadeomvang
Risico = Zeer klein x Erg klein

Dus het risico dat er een gevolg komt op de niet goed sluitende deuren is vrij klein.

Preventie:
Je deuren goed op maat maken, regelmatig controleren, en goed te onderhouden. Gaat een deur toch uitzetten dan zou ik de deur passende maken.

Verzekeren?:
Nee, ik zou er niet tegen verzekeren, een deur kun je zo bewerken en de kans, dat er iets gebeurt, is zeer klein en, en de schade is ook erg klein.

Scherpe randen aan muren/wanden

Oorzaken van scherpe randen aan muren/wanden:
Niet goed geschuurde planken, waaraan iemand zich kan schaven, of een paard heeft dwars door de planken heen geschopt, wordt niet gemaakt, en vervolgens gaat het paard rollen en haalt zijn been of iets open. Uitstekende spijkers waaraan iemand of dier zich aan open kan halen.

Analyseren van risico scherpe randen aan muren/wanden:
De kans dat een paard of mens schaaft of openhaalt aan scherpe randen gebeurt niet vaak. Tuurlijk schaaf je je hand wel eens aan een muur maar dat kun je niet voorkomen. De schade kan groot zijn, bijvoorbeeld een slagaderlijke bloeding maar de kans dat dat gebeurt is klein.

Risico = Kans x Schadeomvang
Risico = Vrij klein x middelmatig tot groot

Waarom ben ik hierop uit gekomen? Omdat de kans vrij klein is heb ik daar dus voor gekozen maar als het wel zou gebeuren dan kan de schade die ervan komt middelmatig tot groot zijn. Dat verschilt een beetje. Dus het risico dat dat gebeurt, is klein tot middelmatig.

Preventie:
Regelmatig je muren/wanden controleren of er niets uit steekt, of kapot is waaraan iemand zich kan bezeren. Als er toch iets uitsteekt of kapot is dan meteen repareren of verwijderen.

Verzekeren?:
Nee, ook hiertegen zou ik mij niet verzekeren. De kans is vrij klein, alleen de schadeomvang daarentegen is middelmatig tot groot. Maar toch zou ik mij hier niet tegen verzekeren.

Slechte omheining/slecht afgesloten erf

Oorzaken van een slechte omheining/slecht afgesloten erf:
Is het niet goed onderhouden ervan, of als er een keer iemand tegen aan is gereden, dat het dan niet gemaakt wordt. Gevolgen hiervan zijn dat paarden er makkelijker doorheen gaan, of makkelijker stukmaken, of ertussen doorglippen.

Analyseren van risico slechte omheining/slecht afgesloten erf:
De kans dat er iets gebeurt met een slechte omheining/slecht afgesloten erf is redelijk middelmatig, want paarden lopen nou eenmaal in de weide en zijn kuddedieren en kunnen ergens snel van schrikken, hierdoor slaan ze op hol en knallen door draad of dergelijke. De schadeomvang is middelmatig, je omheining is stuk, je erf niet goed afgesloten, en je paard heeft misschien wondjes of loopt los op de straat.

Risico = Kans x Schadeomvang
Risico = Redelijk middelmatig x Middelmatig

De kans dat er iets gebeurt met dit risico is middelmatig.

Preventie:
Regelmatig controleren en kapotte onderdelen vervangen. Je weides goed nakijken of er geen draadjes loshangen en goed stroom er opzetten. Als er iets kapot is direct repareren. En altijd de toegang afsluiten.

Verzekeren?:
Nee, hier zou ik nier tegen verzekeren, eerder mijn paard als de omheining.

Goederen:

Bedorven voedsel

Oorzaak van bedorven voedsel:
Teveel voedsel in 1x ingekocht waardoor je teveel hebt om in korte termijn op te voeren, hierdoor gat schimmelen of samenklonteren.
Kuil dat te vochtig in balen gaat, er lucht bij komt en het daardoor gaat schimmelen.

Analyseren van risico bedorven voedsel:
De kans dat je bedorven voedsel krijgt is klein mits je niet teveel in 1x inkoopt. De schadeomvang hierbij is dan ook klein, maar koop je wel teveel voedsel in 1x, dan is de schadeomvang groter. Omdat je dan al dat eten weg kunt gooien.

Risico = Kans x Schadeomvang
Risico = Klein x Klein

Het risico voor bedorven voedsel is klein bij kleine inkopen.

Preventie:
Een goed inkoop beleid samenstellen, dus niet teveel in 1x keer inkopen, dan naar wat jij op korte termijn kunt opvoeren. Proberen kuil in plastic lucht dicht te houden en niet te nat in balen.

Verzekeren?:
Nee, ik zou hier niet voor verzekeren, omdat de kans klein is om bedorven voedsel te krijgen, je moet gewoon niet teveel inkopen. En zoveel kost het ook weer niet als er 1 baaltje bedorven is.

Slecht harnachement

Oorzaken slecht harnachement:
Oorzaken van slecht harnachement zijn het slecht onderhouden van het leer, niet schoonmaken, hierdoor blijft het erg vies en wordt het stug. Ook vaak de verkeerde schoonmaakspullen die je er voor gebruikt, je moet namelijk geen schoonpoets op je hoofdstel smeren. Natuurlijk ligt het ook aan de kwaliteit van het leer, je kunt beter iets meer geld uitgeven dan dat je over 3 maanden weer moet. En natuurlijk heeft de ouderdom er ook mee te maken. Maar als je het goed en regelmatig schoonmaakt dan gaat het best lang mee. Of als je er gewoon met de verkeerde manier mee omgaat, zoals gewoon op de grond neerleggen en laten liggen. Altijd weer ophangen en goed schoonmaken.

Analyseren van risico slecht harnachement:
Het risico dat je loopt dat je slecht harnachement hebt ligt gedeeltelijk bij je zelf. Je moet natuurlijk wel goede kwaliteit hebben. De kans dat je slecht harnachement hebt is klein en de schade die je ervan krijgt als je niet goed harnachement hebt, is ook vrij klein.

Risico = Kans x Schadeomvang
Risico = Klein x Klein

Het risico voor slecht harnachement is klein. Je moet het wel goed onderhouden.

Preventie:
Goed schoonmaken en regelmatig schoonmaken en met de goede schoonmaakspullen, dat geschikt is voor jou leer e.d. Goede kwaliteit kopen en op tijd vervangen als het al erg oud is. En ook regelmatig controleren, en goed opruimen.

Verzekeren?:
Nee, ik zou niet verzekeren voor slecht harnachement, als het wel stuk gaat, kost het je kop niet als je nieuw spul moet kopen. Meestal gaat niet alles in een keer stuk. Ik zou wel verzekeren tegen diefstal. Maar dat volgt later.

Slecht stalgereedschap

Oorzaken van slecht stal gereedschap:
Een oorzaak kan zijn dat je er niet op de goede manier mee omgaat, laten slingeren, gebruiken voor andere dingen, dan waar het goed voor is. In de stal laten staan waardoor het kapot gaat. Hieraan kan een paard zich natuurlijk ook aan bezeren. (zie kopje paarden). Buiten laten staan in de regen. Zorg er ook voor dat het van goede kwaliteit is, hiermee voorkom je dat het snel kapot gaat of dat het naar een poosje niets meer waard is.

Analyseren van risico slecht stalgereedschap:
De kans dat je slecht gereedschap hebt is erg klein, als je het van goede kwaliteit is dan zal er ook niet veel mee gebeuren. De schade die je er van krijgt als je gereedschap niet goed is, is ook niet zo groot.

Risico = Kans x Schadeomvang
Risico = Klein x Klein

Het risico voor slecht stalgereedschap is klein. Je moet het wel goed onderhouden. En er met de goede manier mee omgaan.

Preventie:
Goed opruimen, regelmatig schoonmaken, en regelmatig controleren. Op de juiste manier gebruiken voor het geschikt voor is. Zorg er ook voor dat het van de juiste lengte is en dat het niet te zwaar is.

Verzekeren?:
Nee, ook hier zou ik niet tegen verzekeren. Ook dit kost je de kop niet als het een keertje aan vervanging toe is. Als je het regelmatig controleert en schoonmaakt gaat het best lang mee.


Paarden

Trap van paard

Oorzaken trap van paard:
Een aantal oorzaken kan zijn, dat mensen te dicht achter het paard langs lopen wat dat paard dan als bedreiging ziet en achteruit trapt. Paard bandage om zijn achterbenen krijgt, maar dit eigenlijk niet zo goed kent, en daardoor trapt. Een paard dat een ander paard trapt dat te dicht bij komt, ook dit ziet het paard weer als een bedreiging, en om zich zelf te beschermen trapt het dier. Ook kan het voorkomen dat je met een paard aan de hand stapt en dat hij gaat steigeren, omdat het dier schrikt, en jij een trap van het voorbeen krijgt. Jij als ruiter valt van je paard en, dat je paard daar zo erg van schrikt dat hij achteruit trapt of dergelijke, en jij een knal te pakken krijgt. Wat ook kan gebeuren is dat je met zijn tweeën aan het rijden bent in de bak en dat de een te dicht bij de ander komt, hierdoor achteruit trapt en in plaats dat hij het paard raakt, dat hij de ruiter ervan raakt. Allemaal oorzaken die te maken kunnen hebben met het krijgen van een trap van een paard. Ook kan een ander paard een trap krijgen als ze samen in de wei spelen en mekaar per ongeluk uit speelsheid trappen. Zo zijn er nog veel meer oorzaken maar ik vond dit wel de belangrijkste.

Analyseren van risico trap van paard:
De kans dat je trap van een paard krijgt is vrij groot, omdat je toch dagelijks met deze kuddedieren te maken hebt, en het woord kuddedieren zegt natuurlijk al dat het vluchtdieren zijn, en als het niet goed kan vluchten dan probeert het zichzelf te beschermen, door zich zelf te verdedigen en in dit geval is dat trappen. De schade die er van kan komen is ook vrij groot, je kan er een schadelijk letsel van oplopen, maar kan ook andere dingen beschadigen, zoals bakrand, auto’s, andere dieren en dergelijke. Dus ik ben op het volgende uit gekomen.

Risico = Kans x Schadeomvang
Risico = Vrij groot x Vrij groot

Het risico voor het krijgen van een trap of een ander is groot. Je kunt het wel verminderen maar niet voor 100% voorkomen.

Preventie:
Goed uitkijken als je dicht bij een paard in de buurt komt. Als je wel dicht achter een paard langs loopt, omdat er toevallig geen andere weg is of dergelijke, leg dan voorzichtig je hand op het paard (als je aan de zijkant staat)en zeg wat tegen het dier om een vriendelijke toon, loop dan zo dicht mogelijk achter een paard langs, hoe dichter je bij hem staat hoe minder hard het aankomt omdat het dier dan geen kracht kan geven omdat jij daar kort achterstaat, praat ook op moment dat je er aan komt lopen tegen het paard, zodat het niet schrikt. Verder is het goed om te weten wat het paard allemaal kent en wat niet, zoals boven beschreven met die bandages. Natuurlijk is het ook verstandig als je met meerdere paarden in de bak rijdt, je voldoende ervaring hebt in je rijden en dat je goed uitkijkt waar een ander rijdt, slaat jou paard altijd naar anderen, waarschuw dan de mensen die bij jou in rijden dat het dier slaat naar anderen en doe een rood strikje in zijn staart. Verder moet je gewoon goed uitkijken en laat wildere, drukkere paarden door ervaren persoon, die het paard kent, begeleiden. Als een paard bij anderen in de wei staat en andere paarden slaat zet dan het dier apart in de weide. Als je paard benadert in de wei, doe dit dan NOOIT van achteren, een paard kan ervan schrikken en als reactie trappen. Natuurlijk kun je het niet helemaal voorkomen maar je kunt er wel voor zorgen dat het minder voorkomt.

Verzekeren?:
Nee, ik zou hier niet tegen verzekeren, meestal ben je als mens in ieder geval al verzekerd als er iets met je gebeurt, maar je moet gewoon goed uitkijken en goed nadenken. Een paard is gewoon een risico waar je mee omgaat.

Val van paard
Oorzaken val van paard:
Je bent een paard aan het trainen. Tijdens de training schrikt het paard en maakt een grote sprong opzij. Jij als ruiter had dit niet zo gauw door en viel van het paard. Tijdens het rijden van het paard rijdt een stagiaire op de sprong aan. Het paard komt niet goed uit voor de sprong. Het paard weigert en de stagiaire vliegt er voor over af. Een stagiaire dat gewoon niet goed kan rijden en geen gevoel heeft voor het paard, paard maakt een onverwachte beweging, evenwicht is niet helemaal goed, en valt eraf. Allemaal oorzaken om van een paard te vallen.

Analyseren van risico val van paard:
De kans dat jij als ruiter van het paard valt is erg groot. Dit omdat je met een levend wezen aan het trainen bent en elk paard kan schrikken. De schadeomvang valt in de meeste gevallen erg mee, maar kan ook erg groot zijn, je kunt bijvoorbeeld een been breken of iets dergelijks.

Risico = Kans x Schadeomvang
Risico = Erg groot x Middelmatig

Het risico voor van een paard vallen is groot, waarom heb ik bij schadeomvang middelmatig gekozen? Omdat de ene keer het wel mee valt maar een andere keer wel ernstig is, dus heb ik er een gemiddelde van genomen.

Preventie:
Om er voor te zorgen dat de schadeomvang zo klein mogelijk blijft is het verstandig om:
• Een veiligheidscap te dragen. Dit beschermt je hoofd tegen vallen of stoten van buitenaf.
• Een bodyprotector te dragen. Zo bescherm je je romp goed tegen vallen of stoten van buitenaf.
• Er voor zorgen dat de omgeving waar je het paard in traint zo min mogelijk aflijdend is. Zo schrikt het paard minder snel en is de kans groter dat er geen ongelukken gebeuren.
• Er voor zorgen dat de hindernissen op een goede afstand van elkaar liggen zodat als je in een normaal tempo aan komt galopperen de afstand zou moeten passen.
• Goed kwaliteit harnachement te gebruiken van goede kwaliteit.

Verzekeren?:
Verzekeren voor een val van het paard voor de stalruiter zelf heeft niet zo veel zin. De schadeomvang valt in de meeste gevallen erg mee. Het verzekeren is in de meeste gevallen nog duurder dan de schade die de eigenaar tijdens een val oploopt. Een stagiaire heeft via school altijd al een ongevallen verzekering. Dus ja het is verstandig om stagiaires te verzekeren. Het zijn meestal jongeren die nog veel moeten leren en omdat ze weinig ervaring hebben met het werk en rijden van jonge paarden gebeuren er meerdere ongelukken.

Kopstoot van paard

Oorzaken van krijgen van een kopstoot:
Er zijn verschillende dingen waardoor je een kopstoot kunt krijgen van een paard. Zoals je bent zijn hoofd aan het poetsen en hij schrikt en stoot zijn hoofd tegen het jouwe. Of je wilt een hoofdstel of halster opdoen en schrikt, en stoot zijn hoofd tegen de jouwe. Natuurlijk heb je nog veel meer redenen dat het kan gebeuren, maar het kan ook voorkomen dat een paard zijn hoofd opzij doet en een ander paard raakt.

Analyseren van risico kopstoot:
De kans dat je een kopstoot krijgt is klein, en de schadeomvang valt ook altijd wel mee, het gaat vaak niet zo hard, meestal jeukt het even in het begin, of je houdt er een licht hersenschudding aan over, maar jij kan ook je hoofd stoten aan een balk op zolder. Het kan natuurlijke erger, maar gebeurt niet vaak.

Risico = Kans x Schadeomvang
Risico = Klein x Klein

De kans dat je het risico loopt is klein, tuurlijk kan het een keer erger maar komt niet veel voor.

Preventie:
Goed uitkijken, en geen onverwachte bewegingen maken waar het paard van kan schrikken. Je kunt het niet helemaal voorkomen, maar als je goed uitkijkt en goed nadenkt voordat je iets doet, kan het wel minderen.

Verzekeren?:
Nee, ik zou hier niet tegen verzekeren, want de kans dat het gebeurt is klein, en als het wel een keer gebeurt is het vaak veel te duur om dat te doen.

Geen verkoop

Oorzaken van geen verkoop:
Je hebt geen goede afspraken gemaakt met de kopende partij, of de kopende partij ziet er toch vanaf omdat het paard toch niet zo goed bij hun past. Het paard zou verkocht zijn, maar is niet door de keuring heen gekomen voor zijn gebruiksdoel. Of het paard gaat onverwachts dood.

Analyseren van risico geen verkoop:
De kans dat er geen verkoop komt, is middelmatig en de schadeomvang die ervan kan komen vind ik ook middelmatig. Tuurlijk je hebt periodes dat je veel verkoopt, maar je hebt ook periodes dat je niet verkoopt.

Risico = Kans x Schadeomvang
Risico = Middelmatig x Middelmatig

De kans dat je het risico loopt is middelmatig, het kan erger maar het kan ook minder.

Preventie:
Goede afspraken maken, dat is eigenlijk het enige, en het juiste paard bij de juiste ruiter zetten, maar iedereen vergist zich wel eens.

Verzekeren?:
Nee, ik zou hier niet tegen verzekeren, de kans is middelmatig en de schade die je er van krijgt is over het algemeen ook niet erg dramatisch.

Retour verkocht paard

Oorzaken van retour:
Je hebt verborgen gebreken achtergehouden. Je hoort het namelijk altijd te vertellen wat een paard heeft of heeft gehad e.d. Je hebt mededelingsplicht.

Analyseren van risico retour:
Het komt niet vaak voor dat een paard dat verkocht is terug komt naar de vorige eigenaar. En de schade die je ervan kunt krijgen is groot, want de verkopende partij kan voor alle kosten opdraaien.

Risico = Kans x Schadeomvang
Risico = Klein x Groot

De kans dat je het risico loopt is middelmatig, De kans is klein maar de schade is groot, dus heb ik er een gemiddelde van genomen.

Preventie:
Goede afspraken maken, geen gebreken achterhouden en een contract opstellen waarin alle afspraken vermeld staan.

Verzekeren?:
Nee, ik zou hier als handelsstal niet tegen verzekeren, je moet gewoon eerlijk tegen je klanten zijn, ben je dat niet dan naai je jezelf een oor aan.

Ziekte paard

Oorzaken van ziekte paard:
Het paard heeft een virus opgelopen tijdens een concours, of een paard heeft in de weide zand gegeten en daardoor zandkoliek opgelopen, natuurlijk kan het ook voorkomen dat de ruiter het paard nat en bezweet in de stal neer zet en daardoor verkouden wordt en koorts krijgt en kan een longontsteking oplopen. Of dat ze gewoon niet goed voor het dier gezorgd hebben. Niet op tijd enten kan ook een oorzaak zijn en ook op tijd ontwormen kan een oorzaak zijn.

Analyseren van risico ziekte paard:
De kans dat een paard ziek wordt is groot, je hebt hier met levende wezens te maken en de schade die ervan kan komen is middelmatig. Het kan ook erger zijn, zoals bij koliek kan het zijn dat het dier geopereerd moet worden. Maar dat komt niet veel voor.

Risico = Kans x Schadeomvang
Risico = Groot x Middelmatig

De kans dat je het risico loopt is groot, tuurlijk kan het een keer erger maar komt niet veel voor.

Preventie:
Een goed ent en ontworm schema is al een goed oplossing om het te verminderen. En als paarden veel op de weide staan en er kort gras staat, voer dan extra hooi bij, zodat ze niet zoveel zand binnenkrijgen. Af en toe een kuurtje die het zand uit de darmen haalt is ook een oplossing. En verder gewoon de paarden goed uitstappen, warm houden. En als je twijfelt een dierenarts erbij halen.

Verzekeren?:
Ja, ik zou hiervoor wel verzekeren. Omdat de kans groot is dat je zoiets kan overkomen. En als je er niet voor verzekert bent en je paard wordt behandeld tegen een ziekte, dan zijn de kosten altijd vrij hoog.

Paard ligt vast

Oorzaken dat een paard vast ligt:
Nou een paard heeft net lekker een warme douche gehad en heeft daarna een lekkere warme deken op gekregen. Het paard had jeuk door het water en is in zijn stal gaan rollen. Het dier lag iets te dicht langs de kant en is toen helemaal omgerold en ligt vast tegen de muur. Meestal als een paard vastligt in zijn stal, komt het omdat het in de stal gaat rollen, en dan te dicht bij de muur omrolt.

Analyseren risico vastliggen:
De kans dat een paard vast komt te liggen in zijn stal is klein tot middelmatig. Je hebt paarden die nooit vastliggen en je hebt paarden die regelmatig vastliggen. De schade die je ervan krijgt is vrij klein. Meestal is het alleen de schrik, een enkele keer gaat er wat kapot. Het paard heeft misschien enkele wondjes aan zijn been.

Risico = Kans x Schadeomvang
Risico = Klein tot middelmatig x Vrij klein

De kans dat je het risico loopt is klein, tuurlijk kan het een keer erger maar komt niet veel voor.

Preventie:
Zorg ervoor dat als een paard gaat rollen dat je erbij blijft ( niet in de stal) voor als het misgaat dat je direct bij bent en dat je het misschien nog kunt tegen houden en dat je hem op tijd in de benen kunt jagen. Je kunt het niet 100% voorkomen maar wel minderen.

Verzekeren:
Ja, je verzekert je paard er al voor zijn verwondingen omdat je het hele dier verzekert. Het hangt wel van je soort verzekering af. Maar ik zou de stal er niet om verzekeren. Als er een keer iets kapot gaat kost het je de kop niet als je het moet vervangen of repareren.

Been tussen tralies

Oorzaken van been tussen de tralies:
Een oorzaak kan zijn dat een paard in zijn eentje op stal staat en helemaal dol is in zijn hoofd en in zijn stal begint te bokken en te steigeren en doordat het met zijn been tegen de tralies aankomt het ertussen door schiet en daardoor vastzit en zijn hele been openhaalt. Een oorzaak daarvan kan weer zijn dat de ruimte tussen de tralies veel te groot is.

Analyseren van risico benen tussen tralies:
De kans dat dat gebeurt is vrij klein, want meestal zijn die ruimtes tussen de tralies is zo klein dat een been daar nooit tussen door kan. Als het wel gebeurd is de schade aan het paard erg groot en kan daardoor heel zijn been openhalen.

Risico = Kans x Schadeomvang
Risico = vrij klein x Erg groot

De kans dat je het risico loopt is klein, Maar de schade is erg groot. Toch heb ik gekozen voor klein risico.

Preventie:
Zorg dat de tralies een goede afstand hebben tussen elkaar zodat er geen been van een paard doorheen kan. Als een paard erg wild wordt op stal doordat het alleen is, zorg dan dat dat paard niet alleen op stal is.

Verzekeren?:
Ja, je bent hier al voor verzekerd als je paard ervoor verzekerd hebt, maar net zoals bij de vorige risico zou ik niet mijn stallen verzekeren.
Het hangt wel van je soort verzekering af.

Paard knalt door omheining

Oorzaken dat een paard door omheining knalt:
Het kan zijn dat je te maken hebt met een baldadig paard die graag van uitbreken houdt . Maar het kan ook zijn dat een paard uit schrikreactie door de omheining heen gaat. Of dat het door een ander aard erdoor heen gejaagd wordt.

Analyseren risico paard door omheining:
De kans dat een paard door de omheining gaat, komt niet vaak voor, en de schade valt meestal ook wel mee, het kan voorkomen dat een paard zijn hele been loshaalt. Maar meestal springt het er half over.

Risico = Kans x Schadeomvang
Risico = Klein x Middelmatig

De kans dat je het risico loopt is klein, tuurlijk kan het een keer erger maar komt niet veel voor.

Preventie:
Zorg ervoor dat je omheining goed en stevig is, zet geen paarden die elkaar opjagen bij elkaar in het land en als je te maken hebt met een baldadig paardzet deze dan in een weide met een hele hoge omheining.

Verzekeren?:
Ja, je paarden zijn ervoor verzekerd tegen verwondingen en dergelijke, als je je paarden verzekerd hebt, maar net als de vorige zou ik mijn materialen niet verzekeren. Het hangt wel van je soort verzekering af.

Mensen:

Verzuim

Oorzaken verzuim:
Door ziekte, asociale jongeren die gewoon niet komen, of door ongelukjes.

Analyseren risico verzuim:
De kans dat er verzuim op treedt is middelmatig, je hebt wel te maken met het menselijke lichaam en mensen lopen wel eens een virusje op. De schade die je ervan krijgt valt altijd wel mee, je moet alleen je werk in je eentje doen.

Risico = Kans x Schadeomvang
Risico = Middelmatig x Klein

De kans dat je het risico loopt is middelmatig, Iedereen is een keertje ziek, tuurlijk kan het een keer erger maar komt niet veel voor.

Preventie:
Maak goed afspraken met je werknemers en dat is eigenlijk het enige dat je kunt doen. Mensen worden nou eenmaal ziek. Probeer ongelukjes zoveel mogelijk te voorkomen, door goede begeleiding.

Verzekeren?:
De werknemer is verzekerd van doorbetaling van het salaris tijdens ziekte. De werkgever doet er wel verstandig aan om ervoor te verzekeren, de eerste twee jaar van die ziekte moet de werkgever het salaris door betalen. Daarna komt de werknemer onder toezicht van het UWV. De werkgever draagt premie af aan de bedrijfsvereniging, om deze kostenpost gedeeltelijk te vergoeden. De doorbetaling van het salaris zal doorgaans op basis van 70 of 80% van het loon zijn.

Niet goed handelende dierenarts/hoefsmid

Oorzaken van niet goed handelende dierenartsen en hoefsmeden:
Een oorzaak kan zijn dat ze gewoon niet zo veel verstand ervan hebben, of geen zin hebben in werken en het allemaal maar afraffelen. Niet op komen dagen, waardoor paard dood kan gaan, of kreupel blijft. Mensen die een verkeerde diagnose stellen door dingen over het hoofd te zien.

Analyseren risico slecht handelende artsen/smeden:
De kans dat je te maken krijgt met een niet goed handelende dierenarts of hoefsmid komt niet vaak voor, de meesten hebben er voor geleerd en weten waar ze het over hebben. De schade daarentegen kan wel weer enorm zijn.

Risico = Kans x Schadeomvang
Risico = Klein x Groot

De kans dat je het risico loopt is klein, de schade daarentegen kan enorm zijn, aar omdat de kans klein is dat het je overkomt ben ik op een klein risico uitgekomen.

Preventie:
Informatie zoeken over desbetreffende persoon, blijf erbij als degene met je paard bezig is zodat je kunt zien waar ze mee bezig zijn. Verder moet je duidelijk zijn in wat je wil en als je iets dwars zit over de manier van behandelen zeg het dan direct dan krijg je er later ook geen gezeur mee.

Verzekeren?:
Nee ik zou hier niet tegen verzekeren, meestal als je paard verzekerd is dan krijg je dit meestal wel vergoed als het paard iets krijgt. Het hangt wel van je soort verzekering af.

Ruzie met eigenaar

Oorzaken van ruzie met eigenaar:
Je hebt afspraken met elkaar gemaakt en die vervolgens niet nakomt. En dingen doet die je niet hebt gedaan in overleg met de eigenaar van het paard. Bijvoorbeeld je hebt hem zonder dat de eigenaar het wist geschoren.

Analyseren risico ruzie:
De kans dat je ruzie krijgt met de eigenaar van het paard komt niet zo vaak voor, de schade die je er van krijgt is ook niet zo groot. Natuurlijk kan het een keer voorkomen dat je een keer een klein meningsverschil hebt maar dat is nog niet meteen een ruzie.

Risico = Kans x Schadeomvang
Risico = Klein x Klein

De kans dat je het risico loopt is klein, je hebt wel eens meningsverschillen maar ruzie komt niet vaak voor.

Preventie:
Goede afspraken maken en vastleggen op papier, wil je dingen doen met het paard overleg dat dan goed met de eigenaar. Er zal altijd en overal wel een keertje een klein ruzietje optreden, dan weer even goed uitpraten, en dan kun je ook weer samen door één deur.

Verzekeren?:
Nee, dit is zoiets onzinnigs om voor te verzekeren. Er bestaat niet eens een verzekering voor het ruzie krijgen met een eigenaar.

Val van ladder/trap

Oorzaken van val van ladder/trap:
Een oorzaak kan zijn dat de ladder/trap niet goed onderhouden is en op moment dat iemand erop loopt er door heen zakt. Ook kan zijn dat degene die er gebruikt van maakt de ladder/trap scheef en onstabiel neerzet waardoor hij met ladder/trap en al naar beneden valt.

Analyseren van risico val van ladder/trap:
De kans dat je van een ladder valt is erg klein, de schade valt in regel ook nog wel mee, meestal een paar kneuzingen en schrammetjes, maar kan ook groot zijn, zware hersenschudding of je breekt een ar,m of been.

Risico = Kans x Schadeomvang
Risico = Klein x middelmatig

De kans dat je het risico loopt is klein, de schade daarentegen kan enorm zijn, ik heb bij schadeomvang middelmatig genomen omdat de schade klein kan zijn maar ook groot, dus ben ik er tussen in gaan zitten, maar omdat de kans klein is dat het je overkomt ben ik op een klein risico uitgekomen.

Preventie:
De ladder/trap goed onderhouden en als je er gebruik van maakt, zorg dan dat het stabiel staat en laat het eventueel vast houden door een ander.

Verzekeren?:
Nee, ik zou hier niet tegen verzekeren, als mens ben je verzekerd en daar zit ook een ongevallenverzekering bij.

Overige

Diefstal van paard

Oorzaken van diefstal van paard:
Deuren niet goed afgesloten.

Analyseren van risico diefstal van paard:
De kans dat je paard gestolen wordt is erg klein, meestal heb je wel waakverlichting buiten en een waakhond wat de meeste inbrekers wel wegjaagt. De schade is echter wel enorm als je paard gestolen wordt.

Risico = Kans x Schadeomvang
Risico = Klein x Groot

De kans dat je het risico loopt is klein, de schade daarentegen kan enorm zijn, maar omdat de kans klein is dat het je overkomt ben ik op een klein risico uitgekomen.

Preventie:
Sluit je deuren goed af, Doe tralies voor de ruiten, en gebruik hang en sluitwerk dat voorzien is van het politie keurmerk, neem massieve deuren, neem een waakhond en hang bordjes neer dat er een waakhond aanwezig, waakverlichting buiten is ook erg verstandig.

Verzekeren?:
Ja, hier zou ik wel tegen verzekeren, het komt weliswaar niet vaak voor, maar de schade is enorm. Je bent je paard kwijt en meestal komt het dier ook niet weer terug.

Diefstal van harnachement

Oorzaken van diefstal van harnachement:
Deuren niet goed afgesloten.

Analyseren van risico diefstal van harnachement:
De kans dat je harnachement gestolen wordt is erg klein, meestal heb je wel waakverlichting buiten en een waakhond wat de meeste inbrekers wel wegjaagt. De schade is echter wel groot als ze al je harnachement gestolen wordt.

Risico = Kans x Schadeomvang
Risico = Klein x Groot

De kans dat je het risico loopt is klein, de schade daarentegen kan groot zijn, maar omdat de kans klein is dat het je overkomt ben ik op een klein risico uitgekomen.

Preventie:
Sluit je deuren goed af, Doe tralies voor de ruiten, en gebruik hang en sluitwerk dat voorzien is van het politie keurmerk, neem massieve deuren, neem een waakhond en hang bordjes neer dat er een waakhond aanwezig, waakverlichting buiten is ook erg verstandig.

Verzekeren?:
Ja, hier zou ik wel tegen verzekeren, het komt weliswaar niet vaak voor, maar de schade is groot. Je bent je harnachement kwijt en meestal komt het harnachement ook niet weer terug.


C: Antwoorden en vragen

Ook worden er een aantal vragen gesteld in deze opdracht, hieronder heb ik eerst de vragen neergezet, en vervolgens de antwoorden eronder gezet. Ik heb dit gedaan, omdat het dan allemaal wat duidelijker wordt.

Vragen:

Vraag 1:
Geef in duidelijke bewoording een omschrijving van de term “risicopreventie”.

Vraag 2:
Waarom is het bereken van het risico zo lastig?

Vraag 3:
Waarom worden er richtlijnen voor bijvoorbeeld een inbraakwerende zadelkamer door verzekeringsmaatschappijen uitgegeven?

Antwoorden:

Antwoord 1:
Preventie betekent het voorkomen van een misdrijf, brand of iets dergelijks. Risico betekent gevaar voor schade en/of verlies. Risicopreventie betekent dus in het kort het voorkomen van een misdrijf, brand etc., waaruit schade of verlies kan ontstaan.

Antwoord 2:
Het berekenen van een risico is heel lastig, omdat je niet precies weet wat er kan gebeuren, de ene keer is het erger dan de andere keer. Bijvoorbeeld tijdens een val van paard, dan kun je enkele blauwe plekken oplopen, maar je kunt ook je nek breken. Omdat dat twee uitersten zijn, weet je niet precies hoe je dat moet berekenen. Meestal kun je beter een gemiddelde ervan nemen.

Antwoord 3:
Die richtlijnen worden gegeven, om de mensen duidelijk te maken waar bijvoorbeeld een inbraakwerende zadelkamer aan moet voldoen, als ze willen verzekeren bij desbetreffende verzekeringsmaatschappij. Als er dan wel wordt ingebroken en nemen wat kostbaars mee, dan meld je dit bij de verzekering en dan komt er een schade-expert langs en die gaat dat allemaal controleren, die geeft door aan de verzekering of je aan die richtlijnen hebt voldaan en als dat niet het geval is dan krijg je het ook niet vergoedt, heb je hier wel aan voldaan dan krijg je er ook geen gezeur mee, en wordt het gewoon vergoedt.

In dit geval van de zadelkamer is het verstandig om er hang en sluitwerk op te doen die voorzien zijn met het politie keurmerk, ook een massieve deur en anti-inbraakstrips, dubbelglas en tralies voor de ramen.

D: Afspraken

In de paardenwereld heb je te maken met meerdere personen, vooral als je een eigen stal hebt, je hebt eigenaren, klanten. In de handelstal worden natuurlijk ook paarden gekocht en verkocht en er worden paarden gebracht die er voor de africhting staan en door de opdrachtnemer verkocht moet worden binnen een bepaalde periode. De meeste kooptransacties en trainingsovereenkomsten in paardenland gaan op basis van mondelinge overeenkomsten. Wat niet iedereen weet is dat een mondelinge overeenkomst net zo rechtsgeldig is als een overeenkomst die is vastgelegd in een contract. Het probleem in het geval van een rechtszaak is natuurlijk dat je moeilijk kunt aantonen wat mondeling is afgesproken. De koper kan wel zeggen dat het paard verkeersmak moest zijn, maar jij als verkoper zegt dat daar niets over is afgesproken, hetzelfde als opdrachtgever (hier eigenaar van het paard) heeft gezegd dat het paard op M-niveau verkocht moest worden en de opdrachtnemer heeft gezegd dat het paard op L-niveau weg moest, is het één tegen één en kan de rechter niets met deze uitspraken. Een mondelinge overeenkomst heeft een hoog ‘welles-niettes risico’. Als je al vertrouwt op een mondelinge overeenkomst, zorg dan dat je getuigen hebt bij het sluiten van een overeenkomst. Een van de vragen die een rechter aan een getuige zal vragen is of deze kan beamen dat er sprake was van een zogenaamde wilsovereenstemming bij het maken van afspraken. Zo kun je als koper/opdrachtgever wel allerlei wensen op tafel gooien, dat wil nog niet zeggen dat verkoper/opdrachtnemer heeft aangegeven aan al deze wensen te kunnen of willen voldoen. Zonder wilsovereenstemming is er geen rechtsgeldige overeenkomst. Zeker als er mondeling een heel wensenlijstje wordt opgesomd, kan dat moeilijk te bewijzen zijn. Dus daarom is het verstandig om een schriftelijke overeenkomst te doen. Een koopovereenkomst/trainingsovereenkomst mag dan geen standaard inhoud hebben, een aantal dingen moeten er wel instaan om tot een overeenkomst te komen die een rechter serieus neemt als het erop aan komt. Je begint met de gegevens van beide partijen, voor de koper/opdrachtgever is dat eenvoudig, maar voor verkoper/opdrachtnemer kan dat ingewikkelder zijn. Het meest belangrijkste is het omschrijven van het te kopen/verkopen/trainende paard. Een omschrijving als “bruine ruin” is te beperkt. Het in het contract opnemen van kleur, afstamming, ras, sekse, schofthoogte, stamboek en chipnummer is wel het minste. Ook de specifieke eigenschappen zijn van belang. Is het een spring of dressuurpaard en op welk niveau heeft het paard gelopen. Verder heb je als verkopende partij een mededelingsplicht. Belangrijke informatie dient verkoper te delen met de koper. Als het paard bijvoorbeeld net een half jaar in behandeling bij een dierenkliniek heeft gestaan, een beperkende blessure heeft gehad of “gevaarlijk” temperamentvol is, dan is verkoper verplicht dat te vertellen. Dat hoeft de verkoop niet tegen te houden, maar is wel verstandig voor beide partijen om dit soort dingen vast te leggen in een contract. Verder is het verstandig om dingen als veterinaire keuringen in het contract te regelen. Zo kan de verborgen gezondheid van het paard als ontbindende voorwaarde in het contract komen zoals het kopen van een huis vaak onder voorbehoud van financiering wordt gedaan. Waar wel rekening mee moet worden gehouden is dat het paard meestal al wel gekocht of verkocht is voordat hij ter keuring gaat. Het niet goedkeuren van het paard betekent op basis van de ontbindende voorwaarde wel dat de verkoper het paard moet terugnemen, maar zegt niets over de kosten van de keuring. De opdrachtgever van de keuring zal de kosten voor de dierenarts moeten betalen. Je kunt natuurlijk in het contract zetten dat de kosten bij afkeuring voor rekening van de verkoper komen, een in de paardenwereld gebruikelijke, maar geen automatische gang van zaken. Ook dingen als het bepalen bij welke dierenarts het paard wordt gekeurd, kun je in het contract opnemen. Belangrijk om niet te vergeten te vermelden in het contract is de prijs die je voor het paard wilt hebben betaald en op welke dag het wordt afgeleverd. Bij het kopje aflevering wordt meestal ook gesteld dat dat moment is waarop het risico over het paard overgaat van de ene naar de andere eigenaar. Mocht het paard op de trailer doodgaan is dat risico voor de verkoper, gebeurt het in de stal van de koper, dan is diegene de pineut. Je kunt je daar voor verzekeren. Voor de volledigheid dienen koper en verkoper elke bladzijde van het contract te paraferen en het contract op de laatste pagina te voorzien van een handtekening, plaats en datum. Een koopcontract sluit juridische problemen niet uit, maar misverstanden over gemaakte afspraken sluit je er in één klap mee uit.

Natuurlijk heb je ook nog mensen die paarden in pension hebben staan, daarvoor is het ook verstandig om een contract voor af te sluiten. Zodat er ook daarover later geen misverstanden over kunnen ontstaan. Net als eerder al vermeld stond sluit zo’n contract geen juridische problemen uit maar wel de misverstanden. Als pensionklant heb je recht op het geen je hebt afgesproken, je moet er alleen voor zorgen dat je feitelijk krijgt waar je recht op hebt. In principe is het heel eenvoudig. Als pensionklant heb je afspraken gemaakt met de pensionhouder. Geen van beide partijen kunnen afspraken eenzijdig wijzigen. Afspraken kunnen in de eerste plaats vastliggen in een contract, in de tweede plaats mondeling zijn gemaakt, en in de derde plaats ’tot stand komen’ door gewoonte. Helaas ligt het in de praktijk soms net even iets ingewikkelder. Je kunt bijvoorbeeld ruzie krijgen met je pensionhouder. Daarom is het dus verstandig dat je een contract neemt, waar alle afspraken in staan. Stel het paard mag elke dag 3 uur lang gratis en voor niets in de weide lopen als het mooi weer is, dan mag het niet zo zijn dat de pensionhouder om wat voor reden dan ook beslist dat dat dan niet meer mag, of dat daarvoor ineens betaald moet worden. Tenzij de pensionhouder dat vooraf met de pensionklant heeft overlegd en dat de pensionklant daarmee is akkoord gegaan. Dus daarom is het verstandig om een overeenkomst af te sluiten. In een pensionstallings-overeenkomst wordt de stal vermeld, plaats, de eigenaar van het paard. Daarnaast de bankrekeningnr. van de eigenaar. Daarbij wordt vermeld wat het maandelijkse bedrag is voor pensionstalling en de uiterste betalingsdatum op de 1ste dag van de maand op rekeningnummer van de pensionhouder. Onderaan het contract wordt de overeenkomstdatum vermeld en de plaats. En de handtekening van beide partijen.

Ook mensen die privé-lessen of manegelessen gaan volgen, en de mensen de les geven, zijn beter af als ze daar een overeenkomst voor afsluiten. Zie bijlage voor de overeenkomst.

Het kan ook voorkomen dat een eigenaar zijn dekhengst ter huur stelt voor stoeterijen. Hierbij gaat het om veel geld en is daarom ook erg verstandig om daar een contract voor af te sluiten. Zie bijlage overeenkomst.

Elke overeenkomst tussen personen en/of partijen dient op maat gemaakt te worden met dien verstande dat geen enkele kwestie identiek is. Het gaat erom wat partijen afspreken en dat dat in de juiste juridische context wordt geplaatst. Deze voorbeeldcontracten kunnen daar een waardevolle hulp bij zijn, ze kunnen dienen als basis voor uw eigen contract.

De overeenkomsten van dekhengsten, pension, manegelessen hebben niet echt te maken met de handelsstal, maar ik heb ze toch genoemd, zodat jullie toch een beetje ervan af weten, dat die overeenkomsten er ook zijn.


T R A I N I N G S/V E R K O O P O V E R E E N K O M S T

Ondergetekenden:

1. De heer / mevrouw ………….., wonende te …………, hierna te noemen ‘opdrachtgever’,

en

2. De heer / mevrouw ………….., gevestigd te …………....., hierna te noemen ‘opdrachtnemer‘,


IN AANMERKING NEMENDE DAT:

- Opdrachtgever eigenaar is van het paard ‘……….. ‘, geboren op …………………., ingeschreven onder levensnummer …………………….;

- Dit paard een afstamming is van ………………….;

- Opdrachtgever bovengenoemd paard wenst te laten trainen door opdrachtnemer, en

- Opdrachtgever bovengenoemd paard wenst te verkopen en dat opdrachtnemer hierin zal bemiddelen.


ZIJN ALS VOLGT OVEREENGEKOMEN:

1. Opdrachtgever zal op …………….. het paard aan opdrachtnemer afgeven ten behoeve van verkoopdoeleinden gelijk opdrachtnemer het paard van opdrachtgever in ontvangst zal nemen.

2. Het paard zal door opdrachtnemer gehuisvest worden op haar Stal te ……………. (Plaats). Opdrachtnemer zal het paard naar beste weten en kunnen huisvesten, verzorgen en trainen.

3. Opdrachtnemer zal het paard aan potentiële kopers te koop aanbieden. Hierbij zal het paard door opdrachtnemer op professionele wijze worden gepresenteerd (voorgereden).

4. Opdrachtgever zal het paard aan opdrachtnemer voor de duur van tenminste ………… …. maanden beschikbaar stellen. De kosten van onderhoud, verzorging, stalling en training gedurende deze periode komen voor rekening van opdrachtgever. Deze kosten bedragen:
Stalling: ???????
Training: ???????
Hoefsmid: pm
Dierenarts: pm
Deze kosten dien bij vooruitbetaling te worden voldaan middels overmaking op bankrekeningnummer:……………………………


5. Opdrachtnemer is gerechtigd om het paard van opdrachtgever te verkopen voor een bedrag ad …………….. euro. Ingeval het paard door opdrachtnemer voor een hoger bedrag wordt verkocht komt het verschil tussen dit bedrag en het bedrag ad ………………. euro opdrachtnemer toe. Daarbij ontvangt opdrachtnemer van opdrachtgever bij verkoop van het paard een direct opeisbare provisie ad 10% van de koopsom.

6. Indien gewenst vermag de potentiële koper het paard laten keuren door een dierenarts. Als dan dient het paard binnen een straal van 40 kilometer berekend vanaf de stal van opdrachtnemer gekeurd te worden. De kosten hiervan komen voor rekening van deze potentiële koper dan wel van opdrachtgever.

7. Het is opdrachtnemer niet toegestaan het paard te vervoeren dan wel op een ander adres te huisvesten zonder voorafgaande toestemming van opdrachtgever. Uitzondering hierop is ingeval het paard dringende veterinaire zorg behoeft en terzake hiervan vervoerd dient te worden.

8. Indien het paard na het verstrijken van de termijn zoals genoemd in punt 4 dan wel een termijn zoals partijen die zijn overeengekomen niet is verkocht zal opdrachtnemer het paard onverwijld aan opdrachtgever weer beschikbaar stellen. Evenwel zal opdrachtgever aan opdrachtnemer provisie (zoals bedoeld in punt 5) verschuldigd zijn ingeval het paard binnen 3 maanden nadat het paard niet meer bij opdrachtnemer gehuisvest is door opdrachtgever dan wel door derden verkocht wordt.

9. Indien opdrachtnemer namens opdrachtgever een verkooptransactie van het paard realiseert dienen navolgende voorwaarden in acht te worden genomen:

a. partijen zullen een door opdrachtgever opgestelde dan wel goedgekeurde koopovereenkomst ondertekenen;
b. het paspoort en het stamboekpapier van het paard zal door opdrachtgever aan opdrachtnemer dan wel aan de koper eerst worden verstrekt nadat de koopsom aan opdrachtgever is voldaan, en
c. opdrachtnemer is uitsluitend gerechtigd om namens opdrachtgever als bemiddelaar op te treden.

10. Ingeval van calamiteiten – waaronder verstaan opgetreden aandoeningen bij het paard – is opdrachtnemer verplicht opdrachtgever hiervan onverwijld in kennis te stellen.

11. Opdrachtgever is verplicht het paard op verzoek van opdrachtnemer op te halen binnen een termijn van 1 week nadat opdrachtnemer hiertoe het verzoek heeft gedaan, waarbij een nadere motivatie zijdens opdrachtnemer niet vereist is.

12. Opdrachtgever is gerechtigd het paard te allen tijde op te halen en derhalve deze overeenkomst te doen eindigen echter met inachtneming van hetgeen bepaald is in artikel 4 en artikel 8, waarbij opdrachtgever aan opdrachtnemer tevens de kosten zoals vermeld in artikel 4 aan opdrachtnemer verschuldigd is tot en met een periode van 3 weken nadat het paard is opgehaald.

13. Alle eventuele uit deze overeenkomst voortvloeiende geschillen zullen met uitsluiting van iedere andere rechter in eerste instantie worden berecht door de rechtbank te Zwolle, voor zover het niet gaat om geschillen waarvan de kantonrechter bevoegd is kennis te nemen.

Aldus in tweevoud opgemaakt te ………………, d.d. ……………………. en ondertekend

………………………… ………………………..

opdrachtgever opdrachtnemer

K O O P O V E R E E N K O M S T

Ondergetekenden:

1. De besloten vennootschap naar Nederlands recht met beperkte aansprakelijkheid, ten deze rechtsgeldig vertegenwoordigd door haar directeur de heer/ mevrouw……………, hierna te noemen ‘ verkoper ’;

en

2. De heer / mevrouw …………………, wonende te ………………… hierna te noemen ‘ koper ‘,


IN AANMERKING NEMENDE DAT:

- Verkoper eigenaar is van het paard ‘ ……………. ‘, geboren op ………….. ……., ingeschreven onder levensnummer ………………….;

- Dit paard een afstamming is van ……………………..;

- Dit paard beschikt over het chipnummer ………………………………….;

- Kleur ………………………
- Ras ………………………..
- Schofthoogte …………….
- Gebruiksdoel …………….
- Niveau ……………………

- Verkoper bovengenoemd paard zal verkopen aan koper en dat partijen hieromtrent het navolgende zijn overeengekomen.

ZIJN ALS VOLGT OVEREENGEKOMEN:

1. Verkoper verklaart te hebben verkocht gelijk koper verklaart te hebben gekocht op ……………………. het paard …………………., hierna te noemen ‘ het paard ‘, zulks tegen een koopsom ad …………………………,-.

2. Het is koper bekend dat het paard geen gebreken, klinisch en röntgenologisch goedgekeurd is, en geschikt is voor de ……………………………

3. Koper heeft kennis genomen van de volgende stukken:
……………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………

4. De bescheiden zoals opgesomd in punt 4 zullen door de verkoper bij de levering van het paard aan koper worden overhandigd.

5. Koper zal op kosten van koper het paard een volledig klinisch en röntgenologisch onderzoek laten ondergaan teneinde eventuele veterinaire bezwaren tegen goedkeuring van het paard tijdig te onderkennen. Koper is gerechtigd zelf een dierenarts hiervoor aan te wijzen mits deze dierenarts is gevestigd binnen een straal van 40 kilometer van de plaats waar het paard is gestald en de keuring in ieder geval een week voor de levering zal plaatsvinden.

6. Mochten de in punt 5 genoemde veterinaire bezwaren zich voordoen en de dierenarts geen positief aankoopadvies verstrekt, dan zal deze koopovereenkomst van rechtswege ontbonden zijn. Koper is alsdan niet gehouden het paard af te nemen.

7. Koper dient ervoor zorg te dragen dat de koopsom ad € …………….,-. vóór de levering aan verkoper is voldaan middels overmaking op het door verkoper aan koper reeds bekend gemaakte bankrekeningnummer.

8. Ingeval de levering onverhoopt niet op de overeengekomen termijn, te weten …………………..., kan plaatsvinden ingevolge een omstandigheid die niet te wijten is aan verkoper – waaronder verstaan ziekte van het paard – zal de levering zo veel later plaatsvinden dan dat bedoelde omstandigheid zich niet meer voordoet doch uiterlijk binnen 2 maanden na ondertekening van deze koopovereenkomst.

9. Ingeval verkoper het paard niet kan leveren ingevolge een bij het paard opgetreden ongeschiktheid en deze ongeschiktheid in ieder geval langer dan 2 maanden na ondertekening van deze koopovereenkomst zal voortduren, zal deze koopovereenkomst van rechtswege zijn ontbonden. Alsdan zal koper verkoper vrijwaren van elke aansprakelijkheid omtrent geleden dan wel te lijden schade, welke zou kunnen voortvloeien uit het niet leveren van het paard. Evenmin is koper alsdan gerechtigd om alsnog nakoming van verkoper te verlangen.

10. Koper verklaart het paard te hebben aanvaard in de conditie waarin het paard zich ten tijde van de levering bevindt. Verkoper biedt geen enkele garantie omtrent de ontwikkeling van het paard als sportpaard. Het risico hiervan komt geheel voor rekening van koper.

11. Het is koper bekend dat verkoper het paard heeft verzekerd bij ……………………………… verzekeringen. Deze verzekering zal op het moment van levering door verkoper worden beëindigd. Het staat koper geheel vrij om vanaf dat moment zelf een verzekering af te sluiten.

12. Vanaf het moment van levering (het moment dat verkoper het paard fysiek zal overdragen aan koper op het terrein van koper, te weten aan de heer / mevrouw ……………………..) komt het paard geheel voor rekening en risico van koper.

13. Alle eventuele uit deze koopovereenkomst voortvloeiende geschillen zullen met uitsluiting van iedere andere rechter in eerste instantie worden berecht door de rechtbank te ………………………………., voor zover het niet gaat om geschillen waarvan de kantonrechter bevoegd is kennis te nemen.


Aldus in tweevoud opgemaakt te ……………………………………,
d.d………………………………… en ondertekend

De heer / mevrouw De heer / mevrouw

………………………. ……………………….

Verkoper Koper

V E R K O O P/B E M I D D E L I N G S O V E R E E N K O M S T

Ondergetekenden:

1. De heer / mevrouw ………………, wonende te ………………., hierna te noemen ‘opdrachtgever’;

en

2. De heer / mevrouw …………….., wonende te ………………….l, hierna te noemen ‘opdrachtnemer‘,


IN AANMERKING NEMENDE DAT:

- Opdrachtgever eigenaar is van het paard ‘……………‘, geboren op …………………, ingeschreven onder levensnummer ………………….;

- Dit paard een afstamming is van …………………………;

- Dit paard door opdrachtgever van opdrachtnemer is gekocht op ………….. zulks voor een koopsom ad ……………. euro;

- Opdrachtgever bovengenoemd paard wenst te verkopen en dat opdrachtnemer hierin zal bemiddelen.

ZIJN ALS VOLGT OVEREENGEKOMEN:

1. Opdrachtgever zal op ……………….. – of zoveel later indien dit voor opdrachtgever wenselijk is – het paard aan opdrachtnemer afgeven ten behoeve van verkoopdoeleinden gelijk opdrachtnemer het paard van opdrachtgever in ontvangst zal nemen.

2. Het paard zal door opdrachtnemer gehuisvest worden op zijn handelsstal te ………………..l. Opdrachtnemer zal het paard naar beste weten en kunnen huisvesten, verzorgen en trainen.

3. Opdrachtnemer zal het paard aan potentiële kopers te koop aanbieden. Hierbij zal het paard door opdrachtnemer op professionele wijze worden gepresenteerd (voorgereden).

4. Opdrachtgever zal het paard aan opdrachtnemer voor de duur van twee maanden beschikbaar stellen. De kosten van onderhoud, verzorging, stalling en training gedurende deze periode komen voor rekening van opdrachtnemer.

5. Opdrachtnemer is gerechtigd om het paard van opdrachtgever te verkopen voor een bedrag ad …………………. euro. Ingeval het paard door opdrachtnemer voor een hoger bedrag wordt verkocht komt het verschil tussen dit bedrag en het bedrag ad ……………….. euro opdrachtnemer toe.

6. Indien gewenst vermag de potentiële koper het paard laten keuren door een dierenarts. Alsdan dient het paard binnen een straal van 30 kilometer berekend vanaf de stal van opdrachtnemer gekeurd te worden. De kosten hiervan komen voor rekening van deze potentiële koper dan wel opdrachtnemer.

7. Het is opdrachtnemer niet toegestaan het paard te vervoeren dan wel op een ander adres te huisvesten zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van opdrachtgever. Uitzondering hierop is ingeval het paard dringende veterinaire zorg behoeft en terzake hiervan vervoerd dient te worden.

8. Indien het paard na het verstrijken van de termijn zoals genoemd in punt 4 niet is verkocht zal opdrachtnemer het paard onverwijld aan opdrachtgever weer beschikbaar stellen. Opdrachtgever zal aan opdrachtnemer alsdan geen bedrag verschuldigd zijn. Evenmin kan opdrachtnemer enige aanspraak maken op provisie ingeval het paard later door opdrachtgever dan wel anderen verkocht wordt.

9. Indien opdrachtnemer namens opdrachtgever een verkooptransactie van het paard realiseert dienen navolgende voorwaarden in acht te worden genomen:

a. partijen zullen een door opdrachtgever opgestelde dan wel goedgekeurde koopovereenkomst ondertekenen;
b. het paspoort en het stamboekpapier van het paard zal door opdrachtgever aan opdrachtnemer dan wel aan de koper eerst worden verstrekt nadat de koopsom aan opdrachtgever is voldaan, en
c. opdrachtnemer is uitsluitend gerechtigd om namens opdrachtgever als bemiddelaar op te treden.

10. Ingeval van calamiteiten – waaronder verstaan opgetreden aandoeningen bij het paard – is opdrachtnemer verplicht opdrachtgever hiervan onverwijld in kennis te stellen.

11. Ingeval opdrachtnemer in strijd handelt met hetgeen in deze overeenkomst is bepaald is opdrachtgever gerechtigd het paard onverwijld op te halen gelijk opdrachtnemer verplicht is het paard onverwijld aan opdrachtgever af te geven.

12. Alle eventuele uit deze overeenkomst voortvloeiende geschillen zullen met uitsluiting van iedere andere rechter in eerste instantie worden berecht door de rechtbank te Haarlem, voor zover het niet gaat om geschillen waarvan de kantonrechter bevoegd is kennis te nemen.

Aldus in tweevoud opgemaakt te ………………, d.d. ……………….. en ondertekend


…………………… ……………………..
opdrachtgever opdrachtnemer

PENSIONSTALLINGSOVEREENKOMST

1. De ondergetekenden Stal …………………………………………….., gevestigd te …………………………………………., hiema te noemen 'de pensionstal' enerzijds en

2. eigenaar van het paard : …………………………………………………. de 'eigenaar' anderzijds, verklaren bij ondertekening van dit contract te zijn overeengekomen:

1. Dat de eigenaar zijn hierboven omschreven paard/pony op de pensionstal in pension zal stallen in een door de pensionstal aangewezen stal met gebruikmaking van de faciliteiten. De pensionstal houdt zich het recht voor tijdens het plaatsvinden van evenementen het recht om te rijden in de rijhallen tijdelijk op te schorten ofte beperken.

2. Dat deze overeenkomst wederzijds kan worden opgezegd d.m. v. een aangetekende brief, mits een opzegtermijn van 1 ( een) maand in acht wordt genomen, behoudens in geval van overmacht; in het laatste geval zal de opzegtermijn komen te verval1en.

3. Dat de eigenaar zich verplicht aan de pensionstal het pensiongeld maandelijks per bank op rekeningnummer …………………………. vooruit te betalen; uiterlijk op de 1ste dag van de maand. Bij niet tijdige betaling zijn de rente- (1% per maand) en incassokosten voor rekening van de eigenaar.

4. Dat de pensionstal het recht heeft; indien hij -de eigenaar- met betrekking tot het onder artikel 3 gestelde in gebreke zal blijven, op zijn paard/pony het retentierecht uit te oefenen en dat gedurende de uitoefening van bedoeld recht de kosten geheel voor de eigenaar zijn.

5. Dat de pensionstal gerechtigd is om tussentijds de onder artikel 3 genoemde kosten te verhogen indien de geldende dagprijs van de foerage, eventuele stijging van lonen en sociale lasten etc. daartoe aanleiding mochten geven, echter niet zonder aanzegging vooraf aan de eigenaar .De eigenaar heeft dan het recht om per de eerst volgende notavervaldatum het contract op te zeggen.

6. Dat de eigenaar zich verplicht het paard/pony jaarlijks tegen influenza en rhino pneumonie en tegen tetanus te laten enten en regelmatig te ontwormen.

7. Dat de pensionstal het recht heeft om in geval van ziekte van het paard/pony zonder voorkennis van de eigenaar de hulp van de veearts in te roepen; de pensionstal heeft de verplichting om ziekte en blessures, het paard/pony overkomen, zo spoedig mogelijk aan de eigenaar te melden.

8. Dat de eigenaar verklaart een WA-verzekering afgesloten te hebben waarin schade welke het paard/pony aan derden toebrengt is meeverzekerd (inclusief aan bedrijf en de mensen die daar werken).

9. Dat de eigenaar verantwoordelijk en aansprakelijk is voor alle schade veroorzaakt
door hem/haar of het paard/pony aan derden. Ook is de eigenaar verantwoordelijk en aansprakelijk voor alle schade aan de inrichting van de rijhal, stalling en van de ruimte waar de pensionstallen, solarium en wasplaats gevestigd zijn.

10. Dat de pensionstal nimmer aansprakelijk is voor schade van het paard/pony overkomen; tenzij opzet of grove nalatigheid van de zijde van de pensionstal kan worden aangetoond

11. Dat de pensionstal evenmin aansprakelijk kan worden gesteld voor schade door het paard/pony aan derden toegebracht, tenzij opzet of grove nalatigheid van de zijde van de pensionstal kan word en aangetoond.

12. Dat de eigenaar verklaart kennisgenomen te hebben van de huisregels die als bijlage deel uitmaken van deze overeenkomst en verklaart deze zal naleven of zal doen laten naleven.

13. Dat dit contract wordt beëindigd door: a. opzegging van de overeenkomst
b. overmacht met onmiddellijke ingang
c. ontbinding wegens het (herhaaldelijk) schenden van de huisregels. In dat geval heeft de pensionstal het recht de overeenkomst met onmiddellijke ingang ontbonden te achten door schriftelijke mededeling aan de eigenaar in welk geval de overeenkomst automatisch en zonder rechterlijke tussenkomst ontbonden zal zijn.

14. Dat tevens het volgende van toepassing is:
a. de pensionprijs maande1ijks bedraagt;
b. de betaling vooruit geschiedt met als uiterlijke datum de 1 e dag van de maand op rekeningnummer: ……………………………………ten name van Stal ………………………...
c. in de pensionprijs naast de stalling is begrepen: standaard voer, standaard hooi, en standaard stro;
d. bij afzonderlijk schriftelijk vastgelegde afspraak kan afgeweken worden van het onder c. gestelde.

15. Dat op deze overeenkomst tevens van toepassing is het stalreglement …………………………….. welke afzonderlijk door de pensionstal aan de eigenaar is verstrekt.

Aldus overeengekomen en in tweevoud opgemaakt te


……………………………………………. d.d. ……………….


De eigenaar voornoemd de pensionstal


Pensionhouder Pensionklant

…………………………….. …………………………….

I N S T R U C T I E-O V E R E E N K O M S T

Ondergetekenden:

1. De heer / mevrouw ……………………………….., wonende te ………………………….., hierna te noemen ‘de leerling’;

en

2. ………………………………………, hierna te noemen ‘De instructeur‘,


ZIJN ALS VOLGT OVEREENGEKOMEN:

1. Tussen partijen is een overeenkomst van opdracht gesloten inhoudende dat De instructeur aan de leerling onderricht, training en begeleiding verzorgt op het gebied van het dressuurrijden/springrijden. Hierbij neemt de leerling met eigen paard of pony deel aan een van te voren afgesproken les van De instructeur.

2. Het betreden van het terrein van De instructeur door de leerling (en paard of pony) geschiedt geheel voor eigen risico. De instructeur kan nimmer aansprakelijk worden gesteld voor schade die aan de leerling wordt toegebracht tenzij er zijdens De instructeur sprake is van opzet dan wel roekeloosheid.

3. De instructeur beveelt de leerling aan om tijdens het dressuurrijden/springrijden een valhelm te dragen. Ingeval de leerling deze aanbeveling niet opvolgt komen de risico’s hiervan geheel voor rekening van de leerling.

4. De leerling is aansprakelijk voor de schade die hij / zij en / of zijn / haar paard / pony aan derden dan wel aan De instructeur toebrengt.



5. De leerling is verplicht om de aanwijzingen van De instructeur met betrekking tot het lesgeven, het gebruik van de rijhallen, de accommodatie en het parkeerterrein stipt op te volgen.

Aldus in tweevoud opgemaakt te ………………, d.d. ……………….. en ondertekend


…………………………. ………………………….
De instructeur De leerling

Indien de leerling minderjarig is dient deze overeenkomst door de ouder / wettelijke vertegenwoordiger ondertekend te worden.
H U U R O V E R E E N K O M S T P A A R D

Ondergetekenden:

1. De heer / mevrouw ……………………, wonende te ……………….., hierna te noemen ‘Huurder’;

en

2. De stoeterij ‘………………………….’, gevestigd te ………………………………, hierna te noemen ‘De Stoeterij‘,


IN AANMERKING NEMENDE DAT:

- De Stoeterij eigenaar is van de goedgekeurde dekhengst ‘…………………………‘, geboren op ……………….. en een afstamming van ……………………;

- Dit paard door Huurder van De Stoeterij zal worden gehuurd ten behoeve van de dekdienst;

- De Stoeterij en Huurder omtrent deze overeenkomst het navolgende met elkaar hebben afgesproken.


ZIJN ALS VOLGT OVEREENGEKOMEN:

1. Deze overeenkomst zal op ……………. ingaan en van rechtswege – zonder dat opzegging hiertoe vereist is – op …………………, te weten het einde van het dekseizoen …………….. – eindigen.

2. Het paard zal door Huurder gehuisvest worden op zijn stal te …………………………………. Huurder zal het paard naar beste weten en kunnen huisvesten en verzorgen.

3. Huurder zal het paard als dekhengst aanbieden. Dit zal door Huurder op professionele wijze geschieden.



4. De kosten van onderhoud – waaronder begrepen de kosten van hoefbeslag -, verzorging en stalling gedurende de periode van deze overeenkomst komen voor rekening van Huurder. De reguliere dierenartskosten – reguliere behandelingen en veel voorkomende kleine behandelingen – komen voor rekening van Huurder. Niet incidentele dierenartskosten – waaronder verstaan opname kliniek en uitvoering van operaties – komen voor rekening van De Stoeterij.

5. De Stoeterij is gerechtigd om het paard binnen de duur van deze overeenkomst weer op te halen ingeval het paard door De Stoeterij wordt verkocht. Alsdan zal De Stoeterij aan Huurder voor de verdere duur van deze overeenkomst een vergelijkbare dekhengst beschikbaar stellen en wel onder de voorwaarden zoals in deze overeenkomst neergelegd.

6. De huurprijs bedraagt: …………………..

7. Het dekgeld bedraagt € ……………….. per merrie. Ingeval de merrie niet drachtig wordt is geen dekgeld verschuldigd. Van de dragende merries zal Huurder een bedrag ad € ……………. per dekking per merrie aan De Stoeterij afdragen. De Stoeterij dient hieromtrent aan Huurder haar bankrekeningnummer te verstrekken waarop de afdrachten gestort dienen te worden.

8. Het risico van het verblijf van het paard bij Huurder komt voor rekening van De Stoeterij met uitzondering van die gevallen waarin de wettelijke bedrijfsaansprakelijkheidsverzekering van Huurder dekking biedt. Huurder is geenszins verantwoordelijk en aansprakelijk voor schade die de hengst oploopt gedurende het verblijf bij Huurder tenzij er sprake is van opzet dan wel roekeloosheid zijdens Huurder.

9. De Stoeterij dient het paard zelf te verzekeren tegen ziekte, dood, ongeval en ziektekosten.

10. Ingeval van calamiteiten – waaronder verstaan opgetreden aandoeningen bij het paard – is Huurder verplicht De Stoeterij hiervan onverwijld in kennis te stellen. Huurder is gerechtigd om indien de situatie dit noodzakelijk maakt het paard te laten behandelen door een dierenarts en indien dit uit deze overeenkomst blijkt voor rekening van De Stoeterij zonder overleg met De Stoeterij – ingeval nader overleg om welke reden dan ook niet (meer) mogelijk is.

11. Ingeval Huurder in strijd handelt met hetgeen in deze overeenkomst is bepaald is De Stoeterij gerechtigd het paard onverwijld op te halen gelijk Huurder verplicht is het paard onverwijld aan De Stoeterij af te geven.

12. Huurder zal zelf zorgdragen voor het aftappen van de sperma en het insemineren van de merries.

13. De Stoeterij is gerechtigd om van Huurder sperma van de hengst af te nemen. De kosten hiervan bedragen € ………… per merrie, welk bedrag De Stoeterij aan Huurder direct verschuldigd is, terwijl De Stoeterij tevens de kosten van transport (te weten van Huurder rechtstreeks naar De Stoeterij) aan Huurder zal vergoeden.

14. Huurder zal het paard niet trainen, maar wel zorg dragen voor de noodzakelijke dagelijkse beweging.

15. Alle eventuele uit deze overeenkomst voortvloeiende geschillen zullen met uitsluiting van iedere andere rechter in eerste instantie worden berecht door de rechtbank te ………………., voor zover het niet gaat om geschillen waarvan de kantonrechter bevoegd is kennis te nemen.

Aldus in tweevoud opgemaakt te ………………, d.d. ……………….. en ondertekend


…………………………. ………………………………

Huurder De Stoeterij

E: Instructeur

Bij dit hoofdstuk behandel ik vijf praktische voorbeelden wanneer een instructeur aansprakelijk is voor een bepaalde schade, en vijf praktische voorbeelden wanneer een instructeur niet aansprakelijk is voor een bepaalde schade. Daarbij leg ik uit waarom wel en waarom niet.

Praktische voorbeelden waarbij geen aansprakelijkheid is bij de instructeur:

Voorbeeld 1:
Marie krijgt les van Mevr. Klaassen, bij Marie thuis in de binnenbak, ze zijn al ongeveer een half uur aan het lessen, en ze zijn bezig met schouderbinnenwaarts, het paard van Marie loopt door het binnen been heen en moet van Mevr. Klaassen een por met haar binnenbeen geven zodat het reageert en scherper op het been wordt. Marie volgt deze aanwijzing niet op en trekt het dier onrechtmatig in de mond, het paard geeft daar zo’n heftige reactie op dat het naar voren springt, Marie houdt het tegen en geeft een paar flinke porren met de sporen, het paard slaat achteruit en knalt met zijn achterbenen door de bakrand heen. Gevolg dat de bakrand schade heeft, en het paard een paar wondjes aan zijn benen. Hierbij is de instructeur niet aansprakelijk, want Marie berijdt het paard, is eigenaar van het paard en heeft de aanwijzing van Mevr. Klaassen niet opgevolgd. In dit geval is Marie degene die aansprakelijk is voor de schade, want zij berijdt het paard. Gelukkig hoef je de schade van je paard niet zelf te betalen, maar kun je je prima verzekeren tegen claims als gevolg van schade. De bekende paardenverzekeraars hebben een aansprakelijkheidspolis en ook via het ruiter- en koetsiersbewijs hebben veel paardeneigenaren een aansprakelijkheidsverzekering


Voorbeeld 2:
Kim gaat met haar paard en met haar instructeur, Mevr. Knollen een klein buitenritje maken, Mevr. Knollen gaat mee zodat zij aanwijzingen kan geven als dat nodig is. Mevr. Knollen fiets voor het paard aan. Op een gegeven moment passeren ze een stilstaande auto en op het moment dat zij langs de auto gaan komt er van achteren een auto heel hard langs gescheurd. Het paard schrikt hiervan loopt opzij en knalt tegen die stilstaande auto aan, met als gevolg at er een dikke deuk in die auto zit. Mevr. Knollen heeft geen aanwijzingen kunnen geven want het ging allemaal zo snel. Hierbij is Mevr. Knollen niet aansprakelijk, zij is immers niet de bestuurder van het paard. De aansprakelijkheid geldt voor het geval dat je paard door een stuurfoutje van jezelf tegen een auto aanloopt, maar ook als het paard dezelfde schade veroorzaakt zonder dat je in de buurt bent. Ook al ben je als bezitter in geen velden of wegen te bekennen, je bent toch schuldig en zult voor de schade moeten opdraaien. Gelukkig hoef je de schade van je paard niet zelf te betalen, maar kun je je prima verzekeren tegen claims als gevolg van schade. De bekende paardenverzekeraars hebben een aansprakelijkheidspolis en ook via het ruiter- en koetsiersbewijs hebben veel paardeneigenaren een aansprakelijkheidsverzekering.


Voorbeeld 3:
Jan is aan het lessen bij Mevr. Schutte thuis, ze zijn bezig met het springen van kleine kruisjes. Op een gegeven moment moet Jan een hindernis aanrijden en het paard weigert hiervoor, Jan vliegt voorover van het paard en het paard slaat op hol. Het paard begint te bokken en te rennen en de teugels gaan over het hoofd van het paard, het paard komt met zijn been door de teugel heen en raakt helemaal in paniek. Even later knapt de teugel en het springt over de omheining heen en loopt de weg op. Het dier loopt honderden meters verder en loopt een erf op en loopt tussen de muur en een auto in maar omdat het dier niet verder door kon lopen, raakte het in paniek en raakt de auto iets en het huis. Omdat het paard klem zit loopt het heel hard achteruit en loopt een paar fietsen omver. Vervolgens loopt het de weg weer op en daar komt het twee fietsers tegen en loopt er recht op af. De fietsers schrikken er zo van en komen met de sturen in elkaar en vallen in de sloot, de fietsen zijn stuk en de meisjes hebben lichte verwondingen. Vervolgens hebben ze het paard te pakken kunnen krijgen. Hierbij is ook weer de eigenaar aansprakelijk voor de schade die zijn paard heeft aangebracht. De eigenaar zal alle schade moeten verhalen bij de verzekering en daar wordt alles vergoedt. Gelukkig hoef je de schade van je paard niet zelf te betalen, maar kun je je prima verzekeren tegen claims als gevolg van schade. De bekende paardenverzekeraars hebben een aansprakelijkheidspolis en ook via het ruiter- en koetsiersbewijs hebben veel paardeneigenaren een aansprakelijkheidsverzekering

Voorbeeld 4:
Je bent bij je instructeur thuis aan het lessen, jullie zijn lekker aan het rijden. Zijn bezig met allerlei oefeningen, op een gegeven moment wordt het een beetje donker en grauw in de lucht en je paard wordt wat frisser en drukker. Schrikt overal van in één keer. Oorzaak door de onverwachte weersomslag. Daarna begint het te regenen en je instructeur doet zonder je te waarschuwen de paraplu uit. Je paard schrikt en jij valt eraf en het paard loopt dwars door de tuin en alles heen en alles vliegt uit de grond. Vervolgens komt het tot stilstand maar heeft hierbij wel de trailer van jouw beschadigd. Hierbij is toch de eigenaar van het paard aansprakelijk, ondanks dat het dier schrok van de instructeur die de paraplu uitdeed. Omdat jij de eigenaar bent, moet jij de verantwoordelijkheid op je nemen. Gelukkig hoef je de schade van je paard niet zelf te betalen, maar kun je je prima verzekeren tegen claims als gevolg van schade. De bekende paardenverzekeraars hebben een aansprakelijkheidspolis en ook via het ruiter- en koetsiersbewijs hebben veel paardeneigenaren een aansprakelijkheidsverzekering


Voorbeeld 5:
Ineke is met haar pony lekker aan het rijden, bij haar thuis. Ze krijgt zo les van Mevr. Grotenhuis. Dus Ineke is haar pony lekker aan het warm stappen, en Mevr. Grotenhuis komt eraan rijden, stapt uit, en loopt naar de bak toe, en begint met de les, na haar begroeting. Ze vraagt wat Ineke allemaal wil behandelen. Ineke zegt ik wil graag bezig met travers en schouderbinnenwaarts en als er dan nog tijd over is wil ik graag nog met de keertwendingen bezig. Nou is goed zegt Mevr. Grotenhuis tegen Ineke. En begint met lesgeven. Op een gegeven moment hebben ze de schouderbinnenwaarts en travers behandeld en gaan met de keertwendingen aan de gang. In het begin snapte de pony er niets van, maar even later ging het knopje om en gingen ze vrolijk verder. De les was afgelopen en Mevr. Grotenhuis gaat weer naar haar volgende klant. Ineke stapt haar pony goed uit en zet het dier op stal nadat ze het heeft naverzorgt. Ze gaat naar binnen om wat te eten, na het eten loopt ze de stallen in om haar pony naar de weide te brengen, doet het dier een halster om en een paar peesbeschermers voor en springschoenen om. Dan wil ze met haar pony de box uit lopen en haar pony loopt heel erg stroef en pijnlijk. De pony heeft last van zijn spieren door de keertwendingen wat het niet gewend was. Ze hebben er een dierenarts bij gehaald en die heeft de pony bekeken, hij heeft was bloed afgenomen om te kijken of het dier geen last had van een virus of spierverzuring. Maar dat was allemaal goed, het gewoon een spierblessure. Hierbij is Mevr. Grotenhuis niet aansprakelijk voor de schade die de pony heeft opgelopen. Ze had misschien aan moeten geven dat ze niet zolang door moesten gaan, maar Ineke had aangegeven dat ze er mee aan de gang wou maar had daar duidelijk bij moeten zeggen dat ze het nog nooit eerder had gedaan met haar pony. Hierbij ligt de aansprakelijkheid bij de eigenaar van de pony, in dit geval dus Ineke. Hierbij was er niet veel schade, de pony moest op rust en de rekening van de dierenarts moest betaalt worden. Gelukkig hoef je de schade van je paard niet zelf te betalen, maar kun je je prima verzekeren tegen claims als gevolg van schade. De bekende paardenverzekeraars hebben een aansprakelijkheidspolis en ook via het ruiter- en koetsiersbewijs hebben veel paardeneigenaren een aansprakelijkheidsverzekering.








Praktische voorbeelden waarbij wel aansprakelijkheid is bij de instructeur:

Voorbeeld 1:
Marieke heeft voor haar verjaardag 10 paardrijlessen bij de manege in de buurt gekregen van haar ouders, Marieke was dolblij dat ze eindelijk op paardrijden mocht, nadat ze 1,5 jaar had lopen zeuren dat ze dat heel graag wou. Aanstaande zaterdag zou het eindelijk zover zijn, ze had les om half tien ’s ochtends. Ze liep naar de manege eigenaar, tevens haar instructeur. En zei ik ben vandaag voor het eerst hier en ik heb nog nooit gereden, en ik heb om half tien les, op welke pony moet ik rijden? De instructeur wijst haar Binky aan. Een kleine zwarte pony, die nog wel is een eigen willetje heeft. Maar dat heeft hij niet tegen Marieke gezegd. De les begint en de instructeur legt uit hoe ze op moet stappen. Nadat ze allemaal zijn opgestegen, vertelt de instructeur wat ze gaan doen. Marieke vind het leuk alleen heeft ze nog erg veel moeite met haar evenwicht en het lichtrijden. De les is lekker aan de gang en de instructeur zegt we gaan even lekker een sprongentje maken. Marieke zegt ik heb nog nooit gesprongen, waarop de instructeur zegt, Binky weet wel hoe het moet, dus vaar maar gewoon met hem mee. Dus ze rijdt met Binky in draf op het kruisje aan, met de gedachte Binky kent het dus doe ik maar wat mijn instructeur me verteld heeft. Om het moment dat Marieke denkt dat het gaat springen, weigert Binky en Marieke valt van de pony af met haar hoofd op de hindernisbalk en met een arm eronder, De balk valt eraf op haar arm en ze breek haar onderarm. De ouders worden gebeld en een ambulance. Haar ouders zijn kwaad en verhaalt de aansprakelijkheid op de instructeur die tevens de eigenaar is. In dit geval mag dat ook, want Marieke heeft aangegeven dat ze voor het eerst rijdt en nog nooit gesprongen heeft. Darbij zei de instructeur dat Binky het wel kent en dat ze gewoon mee moest varen. Marieke heeft dit opgevolgd, maar ging niet zoals gepland. De instructeur had hierbij beter moeten handelen en tijdens het springen mee moeten lopen met lang touw en aanwijzingen geven. Dit heeft de instructeur niet gedaan en heeft ook niet tegen Marieke gezegd dat Binky soms een eigen willetje heeft. De instructeur had beter moeten nadenken over de keuze van de pony, en beter moeten schatten of Marieke er al klaar voor was, in dit geval niet, want hij kon zien dat Marieke moeite had met lichtrijden en haar evenwicht te bewaren. In dit geval is dus de instructeur aansprakelijk, ook omdat hij de eigenaar van de pony is.

Voorbeeld 2:
Een 20-jarige vrouw kreeg paardrijles op een paard van manege de Hoefslag. Toen op aangeven van de instructeur de berijdster het dier aanspoorde om over te gaan in galop, ging het beest bokken. Daardoor viel zij op de grond, waarna het paard op de rechterpols ging staan. De ruiter kon tengevolge daarvan haar rechterarm niet meer volledig gebruiken en zij moest daarom haar opleiding tot verpleegkundige afbreken. Voor de door haar geleden en nog te lijden schade stelde zij toen de manegehouder aansprakelijk. De rechtbank oordeelde, dat De Hoefslag in beginsel 100% aansprakelijk is. Het eindoordeel was echter, dat de vrouw de helft van de schade zelf dient te dragen, omdat zij het paard vrijwillig is gaan berijden. De vrouw had volgens de rechtbank moeten beseffen dat het berijden van een paard niet zonder risico's is. In hoger beroep gaf het gerechtshof de rechtbank grotendeels gelijk. Volgens het hof kan echter de situatie ontstaan dat de manegehouder de schade volledig dient te dragen indien De Hoefslag onzorgvuldigheid kan worden verweten met betrekking tot de toewijzing van het paard. In dit geval voerde de vrouw aan dat het paard in het verleden al vaker lastig was en dat de manege dit wist. Volgens haar had het paard niet aan haar toegewezen mogen worden. Vervolgens werden er 8 getuigen gehoord. Aan de hand van die verklaringen werd het bewijs geleverd dat het paard inderdaad in het verleden vaker bokte en dat er vóór het ongeval met de vrouw ook al een 12-jarig meisje door het bokken van datzelfde paard was gevallen. Ook werd bewezen dat De Hoefslag daarmee bekend was. Alhoewel de vrouw al 5 jaar, bijna wekelijks, rijles had en in 3 jaar tijd 18 keer op het bewuste paard had gereden en zelfs de volgende dag met dat paard een wedstrijd zou gaan rijden, oordeelde het hof toch dat de Hoefslag voor 100% aansprakelijk is. Volgens het hof had de manege onzorgvuldig gehandeld omdat de vrouw op het punt van het omgaan met een bokkig paard als onervaren moest worden beschouwd en dus niet op dit beest les had mogen krijgen


Voorbeeld 3:
Lotte rijdt al 2 jaar op de Manege het Stro in de lessen voor gemiddelde ruiters, de eigenaar tevens instructeur heeft een nieuwe pony gekocht voor de manegelessen, het gaat om een vijfjarige, donkerbruine merrie, beetje fris en heel snel., genaamd Rinda. Lotte die helpt met uitladen en om moment dat de pony uit de trailer komt zegt ze, wooooh wat een mooie pony. Waarop de instructeur zegt, nou omdat jij het zo’n mooie pony vindt mag jij haar straks rijden in de les van half twee voor gevorderden. Ja, maar dan heb ik eigenlijk geen les. Dat maakt niet uit ik zeg dat je dan mee mag rijden met de gevorderden. Dus Lotte is helemaal in de wolken en vertelt iedereen die ze kent dat zij straks mee mag rijden op de nieuwe pony in de les van gevorderden. Het is zover, de les begint, Lotte stapt op en stapt weg met de pony. Ze beginnen lekker met wat stapwerk en even later gaan ze draven, de pony is wel wat snel maar het gaat goed. Op een gegeven moment zegt de instructeur geven jullie maar been om aan te galopperen, dus Lotte geeft ook been voor de galop, omdat moment dat ze dat doet, bokt Rinda zo hard dat Lotte er voor over af valt met haar rug/kont op de grond. Ze blijft liggen en beweegt niet, de instructeur komt aangesneld en zegt gaat het Lotte, ze zegt nee ik kan mijn linkerbeen niet mee bewegen. De ambulance wordt gebeld en ze wordt meegenomen naar het ziekenhuis. Daar komen ze erachter na een aantal röntgenfoto’s dat haar linkerbeen uit de kom is geschoten, Lotte moet geopereerd worden zodat ze haar been weer op de goede plek kunnen zetten. Haar ouders en Lotte zelf vinden dat de aansprakelijkheid bij de instructeur ligt, die tevens ook eigenaar is van het dier. De instructeur had moeten inzien dat Lotte nog helemaal niet klaar is voor een jonge frisse, snelle pony en al helemaal nog niet klaar was voor een gevorderde les. Daarnaast had de instructeur de pony eerst moeten laten berijden door een ver gevorderde ruiter en voor de lessen had moeten longeren. Zodat de frissigheid eraf was. Hierbij ligt de volledige aansprakelijkheid bij de instructeur die voor de schade van Lotte op draait.

Voorbeeld 4:
Bij Manege de Hooiberg wordt jaarlijks in de zomer een ponykamp georganiseerd, ook Mandy, als beginnende ruiter, heeft zich daarvoor opgegeven, en het is zaterdag 20 juli en Mandy arriveert op de manege net als alle andere kinderen. Eerst gaan ze de zalen indelen, meisjes bij meisjes en jongens bij jongens, hier konden ze de spullen uitpakken en hun bed opmaken. Daarna zouden ze in de kantine spelletjes gaan doen, en wie er won mocht als eerste een pony uitzoeken. Mandy werd derde en koos pony genaamd Rocco, dit is een best vrolijke, baldadige pony. Maar dat wist Mandy niet. En dat hadden ze haar ook niet verteld. Nadat iedereen een pony had uitgekozen, kregen ze te horen dat zij dit ponykamp voor de pony moesten zorgen, voeren, poetsen, uitmesten, rijden e.d. Het is 2 uur en ze zouden een buitenrit gaan maken met zijn allen, de instructeur gaat ook mee op haar eigen paard. Ze verteld dat ze allemaal in een rij achter haar aan moesten rijden. Op een gegeven moment rijden ze met zijn allen het bos in en de pony van Mandy raakt helemaal in paniek, het dier gaat ervan door en racet de hele rij voorbij en gaat als maar door. Op een gegeven moment slaat de pony in ene rechts af en Mandy was hier niet op verdacht en valt eraf met haar hoofd op een boomstam en tussen de bosjes en liep allemaal schrammetjes op. De instructeur komt eraan en belt een van de mensen die nog aanwezig zijn op de manege om haar op te halen en de pony Rocco. De rest gaat verder. Mandy belt naar huis en vertelt het hele verhaal, en haar ouders komen haar ophalen om met haar na de dokter te gaan, de dokter vertelde dat ze een lichte hersenschudding heeft, en rust moest houden de komende drie dagen. De ouders van Mandy bellen naar de manege om te zeggen dat Mandy niet weer komt, vanwege haar hersenschudding, en ze eisen het geld terug van de in de soep gelopen ponykamp. De instructeur tevens eigenaar zegt dat dit niet gebeurt en de ouders vertelden ook dat hij aansprakelijk is voor de schade van Mandy. In dit geval is de instructeur aansprakelijk voor de schade van Mandy, omdat hij niet goed gehandeld heeft en had moeten zeggen dat het een vrolijke baldadige pony was, en dat het dier niet geschikt was voor Mandy als beginnende ruiter en behoort hij ook het geld terug te geven aan de ouders van Mandy.

Voorbeeld 5:
Op manege de Zandhoeve, komt Marije voor de vierde keer rijden, De instructeur tevens eigenaar zegt dat ze op de pony Fury mag rijden, maar Marije geeft aan dat ze het wel een beetje eng vindt. En misschien beter op een andere pony kan rijden. Maar de instructeur zegt dat het best kan, en de pony maar moest opzadelen en vertelde waar het zadel van Fury ligt dus Marije zadelt haar pony op die ze heeft aangewezen gekregen, maar tijdens het opzadelen trapt de pony geheel onverwachts opzij. En raakt hierbij Marije haar enkel en die loopt helemaal blauw aan en werd helemaal dik. Marije begint te huilen en de stalhulp komt eraan. En die vraagt aan haar wat er gebeurt is, Marije verteld dat ze Fury het zadel erop legde en de singel aan een kant vast maakte en daarna de singel aan de andere kant vast wilde maken, maar toen ze dat wou doen trapte de pony opzij. Toen vroeg de stalhulp van wie moest je de pony opzadelen??? Van de instructeur zei Marije, en de stalhulp haalde de instructeur erbij, en die zei dat ze de pony op moest zadelen. Waarom zit je te huilen?? Vroeg de instructeur. De pony heeft mij getrapt toen ik hem wilde aansingelen, antwoordde Marije. De instructeur zegt daarop maar ik heb je toch gezegd dat je uit moest kijken tijdens het aansingelen omdat Fury dat niet fijn vindt. Nee, meneer dat heeft u niet gezegd. Hierbij is de instructeur aansprakelijk voor de schade die pony Fury aan Marije heeft gemaakt. De instructeur had erbij moeten blijven en de pony het zadel vast moeten maken. En er duidelijk bij moeten zeggen dat de pony kan trappen tijdens het aansingelen.


F: Trainer/africhter:

Bij dit hoofdstuk behandel ik vijf praktische voorbeelden wanneer een instructeur aansprakelijk is voor een bepaalde schade, en vijf praktische voorbeelden wanneer een instructeur niet aansprakelijk is voor een bepaalde schade. Daarbij leg ik uit waarom wel en waarom niet.

Praktische voorbeelden waarbij geen aansprakelijkheid is bij de trainer/africhter:

Voorbeeld 1:
Dhr. Petersen brengt zijn paard bij Dhr. Mulder in training, daarbij hebben ze schriftelijk afgesproken dat het dier op M-niveau naar huis zou komen, verder heeft Dhr. Mulder gevraagd of het dier nog een soort gebruiksaanwijzing heeft. Hierop heeft Dhr. Petersen geantwoord dat dat niet het geval was. Dus het dier heeft het weekend in de stal en in de wei doorgebracht en op maandag komt de stagiaire en moest voor Dhr. Mulder het dier opzadelen en tijdens het aansingelen bij het dier de stagiaire, de stagiaire heeft blauwe plekken en een klein wondje, door onvoldoende informatie van de eigenaar, is de trainer/africhter van het paard niet aansprakelijk voor de schade die het dier bij de stagiaire heeft aangericht.

Voorbeeld 2:
Dhr. Mulder is aan het rijden met een paard dat voor training bij hem gestald staat, door dat het paard onhandelbaar is en niet “spoort”. Dit heeft de eigenaar niet verteld. Dhr. Mulder valt eraf en brengt daarbij zijn pols, doordat Dhr. Mulder niet de eigenaar is van het paard, ligt de aansprakelijkheid ook niet bij hem, maar bij de eigenaar. De eigenaar had Dhr. Mulder moeten vertellen dat dier onhandelbaar is en niet “spoort”.

Voorbeeld 3:
Dhr. Mulder heeft een ziek paard op stal staan, die waarschijnlijk last heeft van koliek, hij belt de dierenarts en de eigenaar van het paard. De dierenarts zegt na een aantal onderzoeken dat het paard gewoon een beetje koliek heeft en geeft hem een spuitje en gaat weer weg, daarbij zegt hij dat het gewoon mag eten en dat het zo over is. Dhr. Mulder gaat weer het huis en gaat een uur later weer kijken en het dier ligt dood in stal, het is overleden aan de gevolgen van een gekantelde darm. Door ondeskundigheid van de dierenarts, is hierbij de trainer/africhter niet aansprakelijk voor dit ongeval.

Voorbeeld 4:
Dhr. Mulder krijgt een telefoontje van de eigenaar van het paard die hij daar in training heeft staan en eist dat het paard, dat nu op L-niveau loopt, over drie maanden Z-niveau moet lopen. Hierbij geeft Dhr. Mulder aan dat dit teveel voor het paard wordt. Maar de eigenaar zegt dat het wel meevalt. Dus de komende tijd gaat Dhr. Mulder zwaarder met het dier trainen en op een gegeven moment blokkeert het hele paard, wil niks meer en moet de komende maanden op rust, en 2 maal in de week gemasseerd worden. Hierbij ligt de aansprakelijkheid niet bij de trainer/africhter maar bij de eigenaar van het paard. Die heeft te hoge eisen gesteld aan zijn paard, waarbij Dhr. Mulder heeft gezegd dat het teveel wordt.

Voorbeeld 5:
Dhr. Mulder is met het paard van iemand anders, die het paard bij Dhr. Mulder in training heeft staan, een buitenrit aan het maken, op een gegeven moment schrikt het dier van een trekker die uit een zijweg komt rijden, het dier schrikt( het dier is doodsbang voor trekkers alleen wist Dhr. Mulder dat niet) en Dhr. Mulder valt eraf en het paard loopt richting de stallen, Dhr. Mulder heeft last van zijn hoofd en een aantal schrammen, het dier heeft het tuig kapot gemaakt. En hierbij ligt de aansprakelijkheid bij de eigenaar, want hij heeft informatie achter gehouden die Dhr. Mulder wel had moeten weten.

Praktische voorbeelden waarbij wel aansprakelijkheid is bij de trainer/africhter:

Voorbeeld 1:
Dhr. Petersen brengt zijn paard in training bij Dhr. Blik, en de eigenaar vraagt aan Dhr. Blik of hij het dier op M-Niveau kan trainen. Dhr. Blik zegt dat hij dat wel kan. Op een gegeven moment gaat Dhr. Blik rijden met het dier en vraagt allerlei dingen waar het zelf niet van snapt en het dier blokkeert en wil niks meer, het dier moet behandeld worden door massages en hierbij ligt de aansprakelijkheid bij de trainer/africhter, omdat Dhr. Blik heeft gezegd dat hij het dier op M-niveau kan trainen maar dit eigenlijk niet kan, hierbij gaat het om ondeskundigheid van de trainer/africhter.

Voorbeeld 2:
Dhr. Blik heeft een paard in training van iemand anders en zegt daarbij dat het dier overgevoelig is voor straf e.d., en is daar thuis mee aan het springen, het dier komt niet goed voor de hindernis en weigert, hierbij slaat Dhr. Blik het dier met een springzweep tussen de oren en het dier flipt helemaal en wil niks mee. De volgende dag wil Dhr. Blik er weer mee springen en het dier weigert alsmaar, hierbij ligt de aansprakelijkheid bij de trainer/africhter omdat hij te grof gehandeld heeft met het dier.

Voorbeeld 3:
Dhr. Blik heeft een paard van Mevr. Knip in training staan, en Mevr. Knip heeft gezegd dat Dhr. Blik 1x in de week met het paard naar les moet bij Dhr. Bril. Dit staat vastgesteld in een contract. Hierbij wil Mevr. Knip dat het dier na drie maanden op hoger niveau loopt door de lessen van Dhr. Bril. Dhr. Blik doet dit niet elke week maar ongeveer 2 x in de maand, en loopt niet op het gewenste niveau dat Mevr. Knip wil. Hierbij ligt de aansprakelijkheid bij de trainer/africhter, door het niet nakomen van de gemaakte afspraken.

Voorbeeld 4:
Dhr. Blik heeft een paard in training staan en de eigenaar heeft gezegd dat het dier dat nu op B-niveau loopt, over 3 maanden L-niveau moet lopen, maar omdat Dhr. Blik denkt dat hij te maken heeft met een snelle lerend paard. Dhr. Blik denkt als ik hem nou binnen 3 maanden op M-niveau breng dan krijg ik misschien meer geld. Het dier wordt overvraagd en wil niet meer lekker door het lichaam lopen. Hierbij ligt de aansprakelijkheid bij de trainer/africhter omdat de trainer het dier heeft overschat.

Voorbeeld 5:
Dhr. Blik zou het paard van Mevr. Klap uitbrengen op concours en op L-niveau te verkopen, voor een bedrag van €10.000,-, dit staat allemaal in een contract, maar Dhr. Blik verkoopt het dier voor €8000,- en op B-niveau. Mevr. Klap is het hier niet mee eens en de trainer/africhter is aansprakelijk voor omdat hij de afspraken niet nagekomen is.

G: Eigenaar of loondienst:

Bij dit onderdeel geef ik aan welk verschil er is in mate van aansprakelijkheid wanneer de instructeur eigenaar van het bedrijf is of wanneer hij in loondienst als instructeur werkzaam is.

De mate van aansprakelijkheid is te verdelen in drie mogelijkheden:
 Aansprakelijk zijn wanneer iemand bezitter is.
 Wanneer iemand beheerder is.
 Wanneer iemand bedrijfsmatig gebruiker is.

• De bezitter is hoofdelijk aansprakelijk voor paarden, stallen, materiaal etc.
• Bedrijfsmatig gebruiker is aansprakelijk als deze zich niet aan de regels houdt en er hierdoor ongelukken ontstaan.
• Is de eigenaar tevens instructeur dan is deze volledig hoofdelijk aansprakelijk.
• De beheerder is alleen aansprakelijk voor de in het contract opgestelde punten.
• Is de instructeur in loondienst dan is deze persoon alleen aansprakelijk voor de te geven lessen, en de voorbereiding voor en na de les.

 Paardenzaken.blogspot.com
 www.google.nl
 Pleidooi voor het paard

Profielwerkstuk Engels Jane Austen and the women of her time

Jane Austen
And The Women Of Her Time
What was the place of women in the early 19th century?

contents

Title page 1

Contents 2

Foreword 3

Chapter 1 Introduction 4

Chapter 2 What’s going on in the early 19th century? 5
§1 In general 5
§2 How does Jane Austen react to those changes
and ideas in her books? 6

Chapter 3 Who is Jane Austen? 7
§1 Her childhood and early work 7
§2 Early Adulthood 8
§3 Maturity and death 9

Chapter 4 Jane Austen and the women of her time 12
§1 The education of women 12
§2 Marriage and the alternatives 13

Chapter 5 Jane Austen’s books 16
§1 My choice 16
§2 Pride and Prejudice 16
§3 Mansfield Park 20
§4 Persuasion 24
§5 Comparison between the story-lines 27

Chapter 6 How does Jane Austen describe women? 29
§1 The main character of Persuasion: Anne Elliot 29
§2 The female characters of Persuasion 30

Chapter 7 Conclusion 35

Resources 36

Logbook 37




Foreword

I really enjoyed making this work because I like Jane Austen’s books very much, and it was fun to learn so much about her and the place of women in her time. Unfortunately, I was a bit of a slow starter, so I had to do a whole lot of work at once, but I didn’t even mind that. It really took me a lot of time to read en re-read her books, that is why I haven’t discussed all her work, but a small selection. Especially the description of all the female characters of the book Persuasion was interesting, I actually intended to make descriptions of the characters in Pride and Prejudice and Mansfield Park also, but that would really have been too much work. I am very pleased with this final result, and I hope that you (the reader) are pleased with it as well.

Much reading pleasure!
Manon Schuurkes

Chapter 1
Introduction

My main question for this Profile Work is:

What was the place of women in the early nineteenth century, and what is Jane Austen’s view on the women of her time?

To be able to answer this question, I made the following sub-questions:

 What is going on in the early nineteenth century?
 Who is Jane Austen?
 What was the place of women in the early nineteenth century?
 How does Jane Austen describe women and what place to they have in her books?

In the following Chapters, I will try to answer these questions. I hope this will give a complete image of Jane Austen, her books and the way women were seen in the early nineteenth century. I will shortly summarize it in the Conclusion. I hope that everything will be clear and understandable for whoever reads this work, even when they have never heard of Jane Austen.

Chapter 2
What’s Going On In The Early 19th Century?

§1 In general

In the early nineteenth century, arts and sciences flourished, and growing trade brought wealth into the country. The people believed at that time, that the Western civilization was at a higher level than ever before. People were optimistic and had a lot of self-confidence. It was a time of the French Revolution, the Napoleonic wars and the Industrial Revolution.
In the early 19th century, there is a crossing between two periods; the age of reason ends and the romantic period begins. So this is a time where the age of common sense and wisdom is becoming overruled by living for your emotions and escaping out of the city, into the nature. To understand the period Jane Austen lived in, I will give a short description of both the age of reason and the romantic period.

The age of reason
The age of reason is also called the Neoclassical period, or the Augustan age. Neoclassical, for there was a great revival of the old ancient period. The classics presented the highest ideals in life, art and literature, and to follow them was the best thing you could do. It’s also called the Augustan age, this refers to the Roman emperor Augustus, during whose reign the Roman Empire enjoyed a period of great prosperity. Englishmen of the late eighteenth and early nineteenth century found themselves in a similar position, things had never been better, and the discussion whether their civilization was not actually superior to the ancient world itself was a widely discussed topic.
Every man, it was thought, had some degree of reason in him, and if only it was used and developed the right way, the powers of the human mind were nearly infinite. The best definition of reason in that time was ‘a calm, balanced judgment, not hindered by personal emotions’.
There was a flow of scientific discoveries which led to the belief that all phenomena of nature, and even religion,could be explained in a rational way. And if that was possible, it followed that in the end all the major problems of mankind could be solved. A brief glance at the world outside, however, showed that this was to good to be true, because human actions were all too often guided by other things than reason alone.

The romantic period
The stability of the age of reason was gradually lost in a period of social change and growing unrest. The Industrial Revolution was turning England from an agricultural nation into an industrial one, and large numbers of farm workers were forced to seek employment in the new factories in the towns, which often resulted in long hours and miserable working conditions for those who were lucky enough to find a job there, and poverty and wretchedness for those who were not.
The first phase of industrialization brought wealth and prosperity to the country at large; but the enthusiasm with which it was received by some people was not shared by all. There was also a growing feeling that the prosperity of a small group was bought with the poverty of many. The outbreak of the French Revolution in 1789 was a source of inspiration to those people who felt that the whole structure of society should be changed. The ideals of freedom, equality and the abolition of all class distinctions appealed strongly to young people all over Europe.


§2 How does Jane Austen react to those changes and ideas in her books?

Although Jane Austen wrote in a time when the Romantic Period had already begun, there can’t be found any of the outbursts of feelings and flights of the imagination like in the books of other great writers of her time. The French Revolution, the Napoleonic wars and the Industrial Revolution all seem to have passed her by. The moment you open her books you are transported into a quiet and well-ordered world of reason and common sense that is much closer in spirit to the eighteenth century (the age of reason) than to the early ninetheenth.
The cause of this can be found in Jane Austen’s life. Jane Austen just wrote about the world as she knew it, and her world was a small one. She didn’t see much more of England than a few small villages and towns in the south of England. She remained unmarried, which made her life a retired and protected one amidst family and friends. Because of this protected life, and also because of the little education for women, the greater troubles and problems of the world in that time just didn’t reach her. And even if they did, it wasn’t shocking enough to be concerned about it, for it didn’t change her own world. Jane Austen wrote only about the “normal” daily life, and everything that concerned women of her age and class.
The navy though is often mentioned, but the cause of this is very simple and shouldn’t be sought in Jane Austens knowledge of the wars that were going on because she knew very little about that. In the early ninetheenth century, men of the same (or higher) rank as Jane Austen hadn’t much of a choice about their profession. If they were lucky they were the eldest son, in that way they were heir to their father’s title and possesions, so all they did then was manage their estate and money. The other choices were becoming a clergyman, lawyer or go into the navy. Ofcourse they could choose something else as a profession or have a lot of money so they had no need to learn a profession, but these were the most valid, accepted jobs.
Regiments of the navy often settled during several months in a small village, to practice and rest. That is why Jane Austen mentions the navy so often, it was just a part of her world. Officers often participated in the same parties as Jane Austen, and they were in the same circles as she.



Chapter 3
Who Is Jane Austen?

§1 Her childhood and early work



Jane Austen was born December 16th, 1775 at Steventon, Hampshire, England (near Basingstoke). She was the seventh child (out of eight); James (1765-1819), Edward (1767-1852), Henry (1771-1850), Cassandra Elizabeth (1773-1845), Frank (1774-1865) and Charles (1779-1852) of the Rev. George Austen, 1731-1805 (the local rector, or Church of England clergyman), and his wife Cassandra, 1739-1827 (née Leigh). (See the silhouettes of Jane Austen's father and mother, apparently taken at different ages.) He had a fairly respectable income of about £600 a year, supplemented by tutoring pupils who came to live with him, but was by no means rich (especially with eight children), and (like Mr. Bennet in Pride and Prejudice) couldn't have given his daughters much to marry on.
More than one reader has wondered whether the
childhood of the character Catherine Morland in Jane Austen's novel Northanger Abbey might not reflect her own childhood, at least in part -- Catherine enjoys "rolling down the green slope at the back of the house" and prefers cricket and baseball to girls' play.
In 1783, Jane and her older sister Cassandra went shortly to Mrs. Cawley (the sister of one of their uncles), who lived first in Oxford and then moved to Southampton, to get some education. They were brought home after an infectious disease broke out in Southampton. In 1785-1786 Jane and Cassandra went to the Abbey boarding school in Reading.(Jane was considered almost too young to benefit from the school, but their mother is reported to have said that "if Cassandra's head had been going to be cut off, Jane would have hers cut off too".) This was Jane Austen's only education outside her family. Within their family, the two girls learned drawing, playing the piano, etc.
Jane Austen did a fair amount of reading, of both the serious and the popular literature of the day (her father had a library of 500 books by 1801, and she wrote that she and her family were "great novel readers, and not ashamed of being so"). However decorous she later chose to be in her own novels, she was very familiar with eighteenth century novels, such as those of Fielding and Richardson, which were much less inhibited than those of the later (near-)Victorian era. She frequently reread Richardson's Sir Charles Grandison, and also enjoyed the novels of Fanny Burney (a.k.a. Madame D'Arblay). She later got the title for Pride and Prejudice from a phrase in Burney's Cecilia, and when Burney's Camilla came out in 1796, one of the subscribers was "Miss J. Austen, Steventon".
In 1782 and 1784, plays were staged by the Austen family at Steventon rectory, and in 1787-1788 more elaborate productions were put on there under the influence of Jane's sophisticated grown-up cousin Eliza de Feuillide (to whom Love and Freindship is dedicated). This throws an interesting light on Jane Austen's apparent disapproval of such amateur theatricals in her novel Mansfield Park.
Jane Austen wrote her Juvenilia from 1787 to 1793; they include many humorous parodies of the literature of the day, such as Love and Freindship, and are collected in three manuscript volumes. They were originally written for the amusement of her family, and most of the pieces are dedicated to one or another of her relatives or family friends.
Earlier versions of the novels eventually published as Sense and Sensibility, Pride and Prejudice and Northanger Abbey were all begun and worked on from 1795 to 1799 (at this early period, their working titles were Elinor and Marianne, First Impressions, and Susan respectively). Lady Susan was also probably written during this period. In 1797, First Impressions/Pride and Prejudice was offered to a publisher by Jane Austen's father, but the publisher declined to even look at the manuscript.

§2 Early Adulthood

Jane Austen enjoyed social events, and her early letters tell of dances and parties she attended in Hampshire, and also of visits to London, Bath, Southampton etc., where she attended plays and such. There is a famous statement by one Mrs. Mitford that Jane was the "the prettiest, silliest, most affected, husband-hunting butterfly she ever remembers" (however, Mrs. Mitford seems to have had a personal jealousy against Jane Austen, and it is hard to reconcile this description with the Jane Austen who wrote The Three Sisters before she was eighteen).
There is little solid evidence of any serious courtships with men. In 1795-6, she had a mutual flirtation with Thomas Lefroy (an Irish relative of Jane Austen's close older friend Mrs. Anne Lefroy). On January 14th and 15th 1796, when she was 20, she wrote (somewhat sarcastically), in a letter to Cassandra:

"Tell Mary that I make over Mr. Heartley and all his estate to her for her sole use and benefit in future, and not only him, but all my other admirers into the bargain wherever she can find them, even the kiss which C. Powlett wanted to give me, as I mean to confine myself in future to Mr. Tom Lefroy, for whom I do not care sixpence. Assure her also, as a last and indisputable proof of Warren's indifference to me, that he actually drew that gentleman's picture for me, and delivered it to me without a sigh.
Friday. -- At length the day is come on which I am to flirt my last with Tom Lefroy, and when you receive this it will be over. My tears flow at the melancholy idea."

However, it was always known that he couldn't afford to marry Jane. (Many years later, after he had become Chief Justice of Ireland, he confessed to his nephew that he had had a "boyish love" for Jane Austen.) A year later, Mrs. Lefroy (who had disapproved of her nephew Tom's conduct towards Jane) tried to fix Jane Austen up with the Rev. Samuel Blackall, a Fellow of Emmanuel College, Cambridge, but Jane wasn't very interested.
In late 1800 her father, who was nearly 70, suddenly decided to retire to Bath (which would not have been Jane Austen's choice), and the family moved there the next year. During the years in Bath, the family went to the sea-side every summer, and it was while on one of those holidays that Jane Austen's most mysterious romantic incident occurred. All that is known is what Cassandra told various nieces,